Genomineerd

We beschikken over een hele rits volwassen boekenbijlagen en literaire supplementen, maar niet over voldoende talent om die altijd op interessante wijze te vullen.

Geen nood.

Men bejubelt vlotte en vluchtige debuten of het meesterwerken zijn. Men publiceert diepte-interviews met aankomende poëetjes. Men doet een beroep op de mierenkolonie van kaboutertalenten. Men wisselt voortdurend van mening om tóch steeds iets nieuws te suggereren. Men fabriceert een Vete van de Week, een Schrijver van de Maand en een Boek van het Jaar.

Men moet er wel een tombola en een mallemolen van maken. Onze literatuur is te klein.

Toch is het niet alleen die kleinheid en, bijgevolg, de schaarste aan schrijvers van betekenis die maken dat het literatuurbedrijf zo'n circusbedoening is. Er ligt ook een algemene malaise aan ten grondslag.

Schrijvers die louter bestaan dankzij de goedkeuring van een bevriende groep critici of schrijvers die pas achteraf, het liefst na hun dood, werden gewaardeerd zijn er altijd geweest. Een tombola-element van voor-wat-hoort-wat en van geleidelijke smaakverandering. Nu lijkt de hele literatuur en wat daarmee samenhangt, de uitgeverij, de publiciteit, de kritiek en de bijlagen, gereduceerd tot speelterrein. Tot een bedoening waarop de terminologie van startschot, wedloop, competitie, voorronde, topprestatie, kampioen, eindsprint, troostprijs en rode kaart van toepassing is.

De boekenpagina's bootsen, om vaart en afwisseling te suggereren, de sportpagina's na. De literatuur als wedstrijd, met een kritiek die schrijvers behandelt als egoïstische sprintertjes die nu eens beloond en dan weer afgestraft moeten worden. Nu eens een suikerklontje, dan weer een lap, gedrenkt in azijn.

In dat klimaat gedijt de nominatie-humbug, met zijn peloton, voorselectie, short-list en Uiteindelijke Kopploeg.

De boekhandel is er bij gebaat, de uitgever, de redacteur van het literaire supplement. Maar de schrijver?

Wat blijft er over van de verschrikkelijke schoonheid en het uitbundige genoegen van de creatie, van de nachtmerries en sluimertoestanden van zijn expedities, van die mengeling uit compromisloosheid en hoerigheid waarmee hij zijn vervloeiende materiaal te lijf gaat, van zijn kritische rol?

Een afvalrace, gevolgd door een gala-diner. Een paar weken vulsel voor de rits bijlagen. Een televisiecamera bij de finish.

De algemene malaise is dat in de literatuur de betekenisvolle polemiek plaats heeft gemaakt voor het amusement van de - persoonlijke - vete, dat literatuur nog bijna uitsluitend wordt gepresenteerd en ervaren als een zaak van jaloezie en wedijver in plaats van als het domein van uitwisseling en bevruchting. Men zou niet eens meer waten wat er het eerst was, de presentatie of de ervaring.

Met het creëren van aanwijsbare koplopers creëert men spektakel en gejuich op de tribune. Supporters drommen samen om schrijvers die een tijdelijke attractie in de aanbieding hebben, de attractie van een potentieel kampioenschap. Intussen wordt het publiek steeds trouwelozer ten aanzien van stromingen en ontwikkelingen, van ideeëngoed en intrinsieke waarden, van stijlen en hiërarchie, kortom, ten aanzien van alles wat in de literatuur ietwat lastiger aan te wijzen valt.

Het lijkt of door het verdwijnen van het belang van de literatuur de behoefte aan de glamour ervan is toegenomen. Ik geef toe, de literatuur kon altijd wel wat marktgedruis gebruiken, namaak-glamour zelfs, levendigheid was altijd gewenst, maar op het ogenblik gaat het gepaard met het onmiskenbare verval van die andere levendigheid, de literatuur als levende leidraad, de glamour van de commercieloze en niet op de kortebaanrace gerichte gemeenschap van de geest.

Zoals iedereen begrijpt schreef ik deze hoogverheven woorden niet op omdat ik er zo over denk, godbewaarme nee, het moest er simpelweg uit omdat ik scheel zie van afgunst over het feit dat ik niet genomineerd ben.