Generalisten bedreigend voor kabinet

Het is goed om eens te bezien of er ook mensen in de Tweede Kamer zitten waar het land wat aan heeft. En het is al heel mooi om daarbij te letten op de slechte rapportcijfers die de Kamerleden zichzelf voor hun werk hebben gegeven. Er is inderdaad behoefte aan meer brede visie. De roep om visionaire generalisten, die de uiterst beperkte specialisten in de Tweede Kamer kunnen vervangen, verdient steun. Wanneer deze generalisten dan ook nog voor een belangrijk deel worden gerecruteerd in kleine kiesdistricten, dan krijgen de kiezers meer kans hun kleine zorgen en problemen direct met hun eigen Kamerleden te bespreken.

De vraag is alleen: kan het kabinet dat wel aan?

Ik geef direct toe dat het voor bewindslieden vreselijk moet zijn telkens in de Tweede kamer te worden overvallen met allerlei detailvragen, waarvan de antwoorden er nauwelijks toe doen. Maar het Kamerlid dat - toevallig en geheel onverwacht - eens een stevige beschouwing in de Kamer houdt, kan er zeker van zijn nauwelijks een passende reactie te krijgen. Wie daar over klaagt, krijgt al snel te horen: “Had me maar even je speech van te voren gegeven, dan hadden we een antwoord kunnen laten voorbereiden”, of woorden van gelijke strekking.

Kamerleden die niet allerlei vragen en vraagjes in hun verhaal stoppen, waarop de ambtenaren op de tribune concrete antwoorden kunnen verzinnen en die vervolgens op kleine briefjes naar de bewindspersoon kunnen sturen, komen in een debat niet erg tot hun recht. Tenzij ze venijnig worden, maar dat heeft al weer snel tot gevolg dat de sfeer van het debat wordt bedorven ... omdat de bewindslieden, vooral als Kamerleden uit de coalitie scherp formuleren, zich dan onheus aangevallen voelen.

De praktijk is naar een nog bedenkelijker niveau afgegleden. Het komt regelmatig voor dat bewindslieden in de Kamer verschijnen en hun aandeel in het debat beginnen met het voorlezen van ellenlange verhalen die op het ministerie zijn voorbereid. Handige bewindslieden weten nu en dan nog improviserenderwijs te roepen “zoals de geachte afgevaardigden Flipse en compaan en nog enkele leden hebben gevraagd”. De minder handige bewindslieden slagen er nog steeds in lange antwoorden te geven op vragen die weliswaar van te voren zijn aangemeld, maar bij nader inzien toch maar niet zijn gesteld.

Een goede voorbereiding is nooit weg, maar echt pijnlijk wordt het wanneer de bewindslieden de Kamer met geschreven teksten tegemoet treden waarin niet alleen de ambtelijke kennis, maar ook de ambtelijke opvattingen zo zijn verwerkt, dat de bedoeling van het wisselen van argumenten verwordt tot het over en weer afleggen van verklaringen.

In dat vreselijke proces is al, min of meer ongemerkt, de volgende stap gemaakt: Kamerleden sluiten hun debat af met een motie, waarop een bewindspersoon min of meer gunstig reageert. De betrokken Kamerleden kunnen dan later in achterkamertjes met ambtenaren in de slag over de juiste interpretatie van de motie, of over de vraag wat de bewindspersoon (die in geen velden of wegen meer is te zien) met zijn of haar toezegging kan hebben bedoeld.

Die vijf, zes keer per jaar dat een specialist de kans krijgt om een grote beschouwing te houden over het hele terrein dat hij kan overzien, heeft hij een goede kans stuk te lopen op detailzucht, gebrek aan eigen visie en onvermogen tot een algemeen debat van de zijde van de regering. Wat dat aan gaat hoop ik dat er nog eens rechtstreeks gekozen Kamerleden komen, die zich niet zoveel hoeven aan te trekken van breed gedragen fractiestandpunten, maar gewoon in de slag gaan om zich te profileren. Niet dat daardoor meer generale visies in de Kamer worden vertolkt, niet dat de politiek daardoor doorzichtiger wordt, niet dat de besluitvorming daar degelijker van wordt, maar in ieder geval wordt de aandacht wat meer gevestigd op de falende rol van kabinetsleden in het debat met de Tweede Kamer.