Een droog plekje

Midden op het erf wordt de kloek door de regen overvallen. De andere kippen hebben bijtijds de schuur bereikt; het tempo van de kloek wordt bepaald door dat van haar kuikens. Negen jongen scharrelen binnen het bereik van haar getok. Daarvan zijn er vijf bruin, drie zijn zwart en een is geel.

De kip maakt zich breed. Alle veren die ze op het lijf draagt zet ze uit. Ze steekt haar krop naar voren en duwt haar vleugels van zich af alsof ze aan beide zijden een halve paraplu uitklapt. Om dit regenscherm rondom aan te bevelen draait ze zich naar links en naar rechts om haar as. Ze kloekt nu twee keer zo snel en heeft ook haar toon wat opgeschroefd.

De kuikens rennen naar het donzen afdak en veroveren zich wriemelend en piepend een plaats. Ze overlopen elkaar in hun haast en stulpen hun schuilplaats bolvormig uit.

Zodra ze al haar broed onder zich heeft, laat de kloek zich met kleine schokken zakken. Het dekbed spreidt zich over het grind. De kuikens lijken opgelost. Geen piep wordt meer gehoord. Ook de kip houdt zich stil. Alleen het geluid van de regen klinkt.

Vlak onder moeders bek steekt het gele jong zijn snavel naar buiten. Revolutionairen worden geboren, niet gemaakt. De hen kloekt onrustig en veert iets omhoog. Ze steekt haar borst nog verder vooruit zodat het gele kopje weer onder gaat en laat zich opnieuw zakken. Het helpt niet. Telkens weer piept het jong te voorschijn, iedere keer op een andere plaats.

Het gaat harder regenen. Rondom de kip wordt het erf drijfnat. Het lastige jong laat zich niet meer zien. De hen zit roerloos.

Na vijf minuten is de bui voorbij. Meteen begint de zon weer te schijnen. De kip gaat staan, doet een stap en nog een. De kuikens zwermen piepend uit. Op het erf is een klein, rond plekje droog gebleven.