Een brug van Calatrava is een sculptuur in het landschap

De Spaanse architect en ingenieur Santiago Calatrava bouwt stations als vogels en winkelpassages die aan de buik van Jonas' walvis doen denken. Hij geeft morgenavond een lezing in Delft en in Rotterdam is een tentoonstelling van zijn werk.

Lezing 2 april om 19.30 aan de faculteit bouwkunde, TU Delft. Tentoonstelling t/m 5 mei in het NAI, Westersingel 10, Rotterdam. Di. t/m za. 10-17u, zo. 11-17u. Catalogus recente projecten ƒ 47,50.

De Spanjaard Santiago Calatrava (1951) is architect, ingenieur en beeldhouwer in één. Zijn gebouwen roepen onmiskenbare associaties op met dieren en planten. Het vliegveld voor Bilbao heeft veel weg van een rog, het TGV-station van Lyon lijkt op een vlinder en de concerthal voor Tenerife op een biddende roofvogel. Het zijn rationele, functionele bouwwerken, zeker, maar zonder de vormgeving die daar meestal bijhoort. Aan deze exuberante, sculpturale bouwwerken komt geen rechte hoek te pas. De wetten van de mechanica en van de schoonheid gaan hier gelijk op.

In Calatrava's schetsboeken duiken tussen de spanten, pijlers en pylonen ineens ineengehaakte ruggewervels op. (Maar ook een gevleugeld engeltje, of een kinderkopje met speen, of een opgevoerde race-auto). In de loop der jaren heeft hij een groot dia-archief opgebouwd, een soort natuurhistorische encyclopedie met talloze detailstudies van vleugels, ribben, wervels en graten en dwarsdoorsnedes van schelpen. Dat zoömorfe is heel sterk aanwezig in een van zijn bekendste projecten, het station Stadelhofen in Zürich. De Z-vormige kolommen op de perrons zijn net hoogpotige insekten, en in de ondergrondse winkelpassage vraag ik me af of de buik van Jonas' walvis er misschien zo uitzag.

In de hedendaagse architectuur neemt Calatrava een unieke plaats in: zijn werk lijkt op niets wat we al kennen. Dat wil niet zeggen dat hij geen wortels heeft in de traditie. Hij zet de traditie voort van andere grote architect-ingenieurs als de Italiaan Pier Luigi Nervi en de Spanjaard Antoni Gaud. Net als Gaud maakt hij dankbaar gebruik van organische vormen en van de constructieve oplossingen die de natuur aandraagt. Anders dan Nervi, die zich specialiseerde in het overspannen van enorme ruimtes met constructies van beton, gebruikt Calatrava ook glas, staal en hout.

Aan zijn intuïtieve beheersing van statica, kinetica en torsie is een studie van dertien jaar vooraf gegaan. Hij begon zijn opleiding aan de kunstacademie van Valencia, maar stapte na een jaar over op architectuur. Terwijl hij nog bezig was af te studeren vertrok hij naar Zürich om zich in de civiele bouwkunde te verdiepen. Daar richtte hij in 1981 een eigen bureau op, dat sinds twee jaar ook in Parijs is gevestigd, in een fraai herenhuis niet ver van Les Halles.

In tien jaar tijd heeft Calatrava internationaal aanzien verworven. Hij heeft op dit moment opdrachten in Engeland, Frankrijk, Spanje, Zwitserland, Amerika en Canada. Het werk van deze begaafde solist is nu te zien op de tentoonstelling "Santiago Calatrava: Bewogen krachtenspel' in het Rotterdamse Architectuur Instituut.

Calatrava is gefascineerd door constructies die kunnen bewegen. In 1989 ontwierp hij bijvoorbeeld een tentoonstellingspaviljoen voor Swissbau met een dak van zachtjes op en neer golvende betonnen ribben. “We besloten een grote betonnen machine te maken die kon bewegen. Het enige doel is die beweging en de schaduwen die de ribben werpen.”

Op de tentoonstelling in Rotterdam blijkt dat Calatrava steeds meer opdrachten krijgt voor openbare gebouwen: stations, een concertzaal, een wetenschapsmuseum en communicatietoren in Valencia, een winkelcentrum in Toronto, het paviljoen voor Koeweit op Expo '92. Daarnaast heeft hij stoelen, lampen en zelfs verkeerslichten ontworpen. Maar het waren bruggen waarmee hij in eerste instantie zijn reputatie vestigde. Van de veertig die hij er heeft ontworpen zijn er tot nu toe vijftien gerealiseerd. “Er rust een grote verantwoordelijkheid op degene die een civiel-technisch bouwwerk aan het landschap toevoegt”, verklaart hij. “Bruggen zijn sterke symbolen: van steden, bij voorbeeld de Golden Gate en de Brooklyn Bridge, maar ook van verbintenissen. Ik wil dat mijn bruggen schoonheid bezitten, en daardoor een verrijking zijn van het landschap. Zodra we erkennen dat een brug meer is dan een middel om van de ene kant naar de andere te komen, ontdekken we dat het tevens een kunstwerk is.”

Zijn grote vierbaans Bach de Roda-brug voor Barcelona is inderdaad een symbool van deze stad geworden. De voetgangersbrug die hij over de rivierbedding heeft gebouwd in het dorp Ripoli in de Spaanse Pyreneën, lijkt in vergelijking daarmee bijna speelgoed. De meest spectaculaire is zijn Pont Médoc in Bordeaux: 240 meter lang, met in het midden een ragdunne mast van honderd meter hoog en kabels die als de tuigage van een oud zeilschip naar het wegdek voeren.

Onlangs is Calatrava's brug met één schuine pyloon in Sevilla in gebruik genomen. Menigeen heeft de gelijkenis opgemerkt tussen deze brug en "De Zwaan' die voor Rotterdam is ontworpen door Ben van Berkel, die enige tijd voor Calatrava werkte. “Er is een zekere invloed, dat is duidelijk, maar het is beslist een andere brug. Niet alleen de vorm is anders, maar ook de verdeling van de trek- en spankrachten over de kabels en het gewicht dat de pyloon moet dragen. Ik ben blij dat er ook anderen zijn die van een brug een sculpturaal object proberen te maken.”

Tot slot spreekt Calatrava over de verhouding tussen architecten en ingenieurs, beroepen die sinds het midden van de vorige eeuw steeds verder uit elkaar zijn gegroeid, maar die Calatrava opnieuw verenigt. “We hebben vaak een saai beeld van de ingenieur, maar zijn werk vereist ook moed en vertrouwen in zijn eigen inzichten, een vertrouwen dat niet noodzakelijk op mathematische zekerheden is gebaseerd. Civieltechnische objecten als bruggen moeten weer tot het domein van de architectuur horen. Ik wil een synthese bereiken tussen de kunst van de ingenieur en die van de architect.”