De klant is knecht

Elk lid van de Hollandse kudde waant zich een individualist. “Er is geen land in Europa”, zo sprak een tot voor kort in Italië woonachtige redacteur van deze krant in een radiodiscussie, “waar mensen zich zo uitdossen in hun individu-zijn”. Haar Italiaanse vrienden vergapen zich hier telkens weer aan “de dierentuin die voorbij komt”. Kennelijk oogt Nederland als een land van zonderlinge solisten; in de woorden van de medewerkster: als "een open inrichting'.

Dat beeld hebben we te danken aan de omwentelingen van eind jaren zestig waarin suffe structuren op de helling gingen en een rijke verzetscultuur tot bloei kwam. Kinderen het huis uit, ouders uit elkaar, ieder op zijn eigen manier "opkomend voor zichzelf'. Het leverde een generatie op die van verzet haar habitus maakte; een tegencultuur in de meest letterlijke zin des woords: de cultuur om overal tégen te zijn. Met name tegen "de gevestigde macht'. Niets zo erg als de gevestigde macht. Meteen vervangen door een democratie-vanaf-de-basis via het "one man one vote'-principe. Ieder gekkie zijn eigen bekkie.

Het individualisme in Nederland is altijd de sporen van deze herkomst blijven dragen: het is niet zomaar de expressie van de particuliere waanzin van een eenling, maar het drukt vooral verzet uit tegen gangbare opvattingen. Klakkeloos aanpassen, dat doe je niet. En de autoriteit van iemand anders aanvaarden is een teken van slapte. We zien dat bij voorbeeld weerspiegeld in de populariteit van de doe-het-zelf-cultuur en in de merkwaardige spelregels die gelden tussen horecapersoneel en clientèle. Iemand die zich best een timmerman, kleermaker of wijnadviseur kan permitteren, spijkert toch zijn eigen boekenkast in elkaar, sprokkelt moeizaam een garderobe uit de rekken en haalt zelf zijn wijn uit Frankrijk. Niet alleen vanwege het geld, maar vooral uit achterdocht. “Mij maken ze niets wijs.” In het restaurant, waar gewone burger en "autoriteit' tot elkaar veroordeeld zijn, leidt dit tot een gewapende vrede waarin de klant zich moet beperken tot bestellen, bord leeg eten, en betalen, en waarin het bedienend personeel in woord, gebaar en outfit blijk geeft van zijn allerindividueelste eigenheid, waarbinnen uiteraard geen plaats is voor zoiets als nederigheid. “Wat denken ze wel?” De klant is knecht, en mag zich slechts in zijn hoedanigheid van doe-het-zelver koning wanen.

Volgens de marketingstrateeg Barends heeft dit type verzet-individualisme zijn tijd gehad: “De mondigheid als resultaat van de democratiseringsbeweging uit de jaren '60 bereikt langzamerhand het stadium van volwassenheid.” “Het al te zeer benadrukken van je "ik' wordt op den duur saai, en voor veel jongeren is individuele vrijheid heel gewoon geworden. Ze hoeven zich helemaal niet te bevrijden uit oude kaders.”

Bovendien lijkt de glanzende medaille van het individualisme langzamerhand zijn keerzijde te tonen: het matte doublé van de eenzaamheid. En dan niet alleen de vergrijsde en verkalkte eenzaamheid die zich schuil houdt achter geraniums, maar de democratisch verdeelde eenzaamheid van jong en oud, man en vrouw. Het individualisme toont zijn Januskop, Nederland heeft er een probleem bij, dus de ether opent zich. In dit geval eens niet voor een Postbus 51-spotje, maar voor de SIRE-campagne "Eenzaamheid'. Volgens SIRE “de tragiek van deze tijd”, veroorzaakt door “gemis aan diepgang in bestaande relaties”: een vrouw kijkt terug op haar beslissing om 't leven te schenken aan het kind dat onderwijl door beeld scharrelt. “Wat is er mooier dan een nieuw mensenleven als bekroning van liefde, dachten we allebei. Maar eigenlijk gebruikten we het als dekmantel om onze ingeslapen relatie nieuw leven in te blazen... onze relatie was nodig aan een kind toe”, etc. Met als boodschap: “Maak eerst iets van je eigen leven. Voor je een nieuw leven maakt.” Een geheven vinger in zorgland.

De campagne illustreert de Holland-typering die de eerder genoemde Nederlandse/Italiaanse correspondente gaf: “Nederland is een kruising tussen een proefboerderij en een open inrichting.” De parade van bonte individualisten speelt zich af in een proefboerderij waar alles van ochtend tot avond, van wieg tot graf geregeld is. Waar 't veilig, en bij voorkeur "gezellig' toeven is. Men zingt er wel dagelijks zijn eigen lied, maar het is de vraag of de solozangers in wezen geen play-backers zijn, aangestoken door papegaaiziekte. De allerindividueelste expressie van een collectief beleefde emotie: het Nederlandse individualisme is individualisme in geborgenheid.

Hoogleraar sociologie Kees Schuyt: “Er worden steeds minder authentieke mensen opgevoed, de groepsnorm heerst op vele plekken in de samenleving. Op een merkwaardige manier creëert de moderne maatschappij wel heel veel individualisering, maar steeds minder individuen.”

De generatie van '68 heft in de vele vrije tijd, die ze zich naast te duur betaalde baantjes heeft toegeëigend, het glas op de oude idealen, de druk bezette yuppen van de jaren tachtig belijden hun individualiteit in de schaarse vrije uurtjes, en de nieuwe generatie, die zich niet meer hoeft te bevrijden van oude kaders, zit zich suf te creëren aan nieuwe verbanden. Zo houdt de ene individualist samen met zijn generatiegenoten een schijnrevolutie gaande, treedt de andere individualist nauwelijks buiten het collectief van zijn werkkring, en is de derde individualist druk op zoek naar gemeenschappelijke idealen.

In Nederland regeert het schijnindividualisme, een onderhuidse groepjesgeest die uitstekend gedijt in ons van oudsher verzuilde klimaat. De traditionele zuilen staan er weliswaar niet meer zo stevig bij als in het verleden, maar er zijn talloze praatpalen voor in de plaats gekomen: clubjes, groepen en klieken die zorgvuldig hun meningen en codes cultiveren, en die het type quasi-individualist opleveren dat spreekt uit veler monden. Wat Ernest Zahn noemt: “Intellectuelen in het kielzog van de verzuiling.”

Zij gaan alleen met clubgenoten en niet met andersgelovigen de discussie over levensvragen aan, want de scheiding der geesten hoeft niet nodeloos tot uitdrukking te worden gebracht. Het gevolg is dat er eigenlijk helemaal niet wordt gediscussieerd over wezenlijke zaken: de geestverwanten waren het toch al met elkaar eens en gaan liever "gezellig' over tot de borrel, en de gedachtenwisseling met dissidenten beperkt zich tot het weer. Over de ware vragen des levens spreekt men niet in ons drassige land. Daarover maken we tv-spotjes. Eenzaamheid, verliesverwerking, wellevendheid. Van je hela hola, we nemen er nog één. Ieder weet immers toch al wat hij ervan moet vinden? Loeiend, mekkerend en blatend trekken de kuddes voort. En elk lid van elke kudde waant zich een individualist.

Illustratie Jack Prince