Buitenlandse zaken

DE BONTE KETTING van internationale misrekeningen die Nederland het afgelopen half jaar heeft geregen doet de Nederlandse positie geen goed.

De laatste kraal, de Indonesische afwijzing van Nederlandse hulp, maakt duidelijk dat Nederland een groter soortelijk gewicht aan zichzelf toekent dan het in de internationale betrekkingen kan afdwingen. Met als gevolg dat de inzet van hogere beginselen keer op keer leidt tot diplomatieke teleurstellingen.

Vorig jaar september presenteerde staatssecretaris Dankert (Europese zaken) een ontwerp voor de Europese Politieke Unie dat in zijn federale opzet voor geen enkel ander EG-land aanvaardbaar was. Een maand daarvoor, in augustus, had Buitenlandse Zaken ongevraagd zijn eigen blauwdruk voor de Economische en Monetaire Unie naar het ministerie van financiën gestuurd. Financiën heeft dit stukje diplomatieke zelfwerkzaamheid nooit in de openbaarheid gebracht en met deze discretie een eerdere afgang van Nederland als EG-voorzitter voorkomen.

Het buitenland is onberekenbaar. Minister Van den Broek probeerde het Nederlandse harmoniemodel tevergeefs uit op de Joegoslavische burgeroorlog; premier Lubbers zette zijn zinnen op een reis naar Zuid-Afrika en stuitte, mede door diplomatieke onhandigheid, op de informele macht van het ANC. Zowel Van den Broek als Lubbers raakte met Macedonië de Griekse gevoeligheden en een eigenaar van een supermarktketen liet Nederland merken wat een boycot betekent. Terwijl Frankrijk de Chinese bezwaren tegen de levering van fregatten aan Taiwan afkocht met een zachte lening, liep Nederland een Taiwanese order voor onderzeeboten mis. Van den Broek stuurde dezelfde diplomaat die in 1984 in Peking een gemeenschappelijke verklaring had opgesteld waarin Nederland afzag van militaire leveranties aan Taiwan, naar China om te informeren of deze verklaring wat de Chinezen betreft nog altijd van kracht was.

INDONESIË IS de jongste kwestie in de reeks. In dit geval heeft Nederland niet te maken met een afhankelijk land zoals Suriname, maar met een staat in opkomst in Zuidoost-Azië, de meest succesvolle regio van de Derde wereld. Signalen dat de drammerigheid van Pronk in Indonesië volkomen verkeerd viel werden in Den Haag te laat begrepen. De Tweede Kamer zou zich straks kritischer moeten opstellen tegenover Pronk en zich minder verongelijkt moeten tonen.

De les uit deze opeenvolgende beoordelingsfouten is niet dat Nederland er geen eigen opvattingen op kan nahouden, maar dat een beroep op het koloniale verleden, op de bijzondere banden of op het vanzelfsprekende morele gelijk geen rol speelt buiten de grenzen van het Koninkrijk, of althans beslissend minder dan waarop in Den Haag wordt gehoopt. Nergens is dat pijnlijker duidelijk geworden dan in de Indonesische beslissing om de Nederlandse hulp af te wijzen. Vijf procent van de Nederlandse begroting voor ontwikkelingshulp, jarenlang Kamerbreed gekoesterd als een bewijs van goed gedrag, een bedrag van driehonderd miljoen gulden, wordt door een arm ontwikkelingsland weggevaagd alsof het niets is. Niemand buiten Nederland kijkt ervan op. Deze les in zelfrelativering zal Nederland zich ter harte moeten nemen om nieuwe internationale valkuilen te voorkomen.