Bijna helft onderwijzers in deeltijd voor de klas

ENSCHEDE, 1 APRIL. Van de onderwijzers op de basisschool werkt bijna de helft (44 procent) in deeltijd. Dit heeft echter geen negatieve invloed op de prestaties van de leerlingen. Alleen de directeur en de onderwijzers zelf hebben er last van: hun vergaderingen duren langer, onderwijzers met een volledige aanstelling krijgen meer taken toegeschoven, de directeur is veel tijd kwijt aan coördinatie.

Dat concludeert het Onderzoekscentrum Toegepaste Onderwijskunde (OTO) van de Universiteit Twente na een onderzoek in de groepen één tot en met vier van 500 basisscholen (de vroegere kleuterklassen en de eerste twee klassen van de lagere school).

Op basisscholen met veel deeltijders blijken vaker conflicten tussen de teamleden te ontstaan dan op scholen met weinig deeltijders. Deeltijders nemen minder vaak dan de anderen deel aan het teamoverleg en zijn daardoor moeilijk bereikbaar. De directeur krijgt vaker dan vroeger te maken met ouders die zich rechtstreeks tot hem wenden. De afstemming van het werk doen de onderwijzers zelf. Dit gebeurt via overleg, een klasseboek en een verdeling van de taken (de één doet bijvoorbeeld taal en de ander rekenen).

Werkte in 1981 nog negentien procent van de onderwijzers in deeltijd, in 1985 was dat al 33 procent. Nu kan slechts een op de twintig basisscholen het nog stellen zonder deeltijders, op eenderde van de scholen werken alleen maar deeltijd-onderwijzers. Van de leerlingen in de klassen één tot en met vier heeft 63 procent één onderwijzer, eenderde heeft er twee en ruim drie procent drie of vier.

Uit het onderzoek blijkt dat op ruim de helft van de basisscholen onderwijzers lesgeven in groepen waarvoor ze geen opleiding hebben gehad. Het betreft ongeveer een kwart van de lessen. Ook hiervan gaat volgens de onderzoekers geen negatief effect uit op de prestaties van de leerlingen.