Beleggen in infrastructuur

Investeringen in de economische structuur van Nederland zijn noodzakelijk om de zich aanscherpende concurrentie in en buiten Europa aan te kunnen. Het rijk heeft echter onvoldoende middelen om de voor economische groei essentiële infrastructuur te financieren. Private mede-financiering van bij voorbeeld het spoor- en wegennet kan dan een oplossing brengen.

De Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen (VB) besteedde op 24 maart jl. haar jaarlijkse ledenvergadering aan de vraag welke rol pensioenfondsen op dit terrein kunnen spelen. Bij de pensioenfondsen is op zich genoeg geld aanwezig voor de financiering van infrastructuurprojecten. Ongeveer tachtig procent van de gezinsbesparingen loopt via pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen en de waarde van de beleggingen van deze instellingen bedraagt thans 581.8 miljard gulden.

Tijdens de VB-vergadering hield minister van financiën Wim Kok een pleidooi om pensioenfondsen te bewegen deze gelden ten dele in de eigen, Nederlandse infrastructuur, de eigen economie en de eigen werkgelegenheid te investeren. De mede-financiering van infrastructuurprojecten is volgens minister Kok een “interessante mogelijkheid tot diversificatie van de beleggingsportefeuilles van pensioenfondsen”. Maar ook gaf Kok toe dat de mede-financiering door pensioenfondsen een “interessante optie” is, omdat dit “de rijksbegroting ontlast”.

Met dit laatste is tevens een knelpunt voor de pensioenfondsen aangegeven. Pensioenfondsen hebben natuurlijk niet tot doel te voorzien in de financieringsbehoefte van het rijk, maar dienen te waarborgen dat de pensioenen, ook op lange termijn, kunnen worden betaald. Alleen daarom al zal omzichtigheid zijn geboden bij het financieren van infrastructuurprojecten.

Het is in ieder geval van belang zorgvuldig na te gaan of de infrastructuurprojecten een voldoende rendement opleveren. Het zal dan om concrete projecten moeten gaan die geschikt zijn voor commerciële exploitatie en die zich lenen voor toepassing van het profijtbeginsel. Concrete projecten die in dit verband wel worden genoemd zijn de Betuwe-lijn (de goederenspoorlijn tussen de Rotterdamse haven en Duitsland) en de Hogesnelheidslijn (TGV).

In het verleden is de mogelijkheid van mede-financiering van de Betuwe-lijn door het Spoorwegpensioenfonds al eens ter sprake gebracht. Omdat voor pensioenfondsen rendement op lange termijn essentieel is, dient er bij de infrastructuurprojecten een waarborg voor exploitatie op langere termijn te zijn. Daarom zullen goede afspraken moeten worden gemaakt over de consistentie van het overheidsbeleid, over het niet-ontwikkelen van concurrerende infrastructuurvoorzieningen en dergelijke. Hieraan gekoppeld kan worden een heronderhandelingsclausule ingeval van ingrijpende wijzigingen in het verkeers- en vervoersbeleid van de overheid. Uitgangspunt daarbij zou kunnen zijn dat politieke risico's - dus niet de zuiver commerciële risico's - op de overheid afgewenteld kunnen worden.

Een ander aspect betreft de bestuurlijke en planologische procedures die moeten worden doorlopen. Bij de aanleg van bij voorbeeld een spoorlijn dienen tal van ruimtelijke ordeningsprocedures te worden afgewikkeld en dient in het algemeen een veelheid van gemeenten mee te werken. Minister Kok kondigde tijdens de VB-vergadering aan dat er twee wetsvoorstellen in voorbereiding zijn om de besluitvormingsprocedures te verkorten. Dit betreft onder andere het "not in my backyard'-voorstel, dat het mogelijk maakt gemeenten die een infrastructuurvoorziening niet "in hun achtertuin' willen, tot medewerking te dwingen.

Voordat de door de pensioenfondsen gesponsorde Betuwe-lijn er ligt, dienen er dus nog heel wat juridische hobbels genomen te worden. Maar indien een verantwoord evenwicht tussen rendement en risico kan worden bereikt, kan belegging in de infrastructuur voor pensioenfondsen zeker de moeite waard zijn, waarmee zij ook hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nader gestalte kunnen geven.