Amerikanen worden steeds cynischer over hun politici

WASHINGTON, 1 APRIL. In de nieuwe komische Amerikaanse televisie-serie The Powers That Be speelt de lachwekkende senator William Powers de hoofdrol.

Als zijn populariteit op 17 procent staat, wordt hij per ongeluk neergeschoten door een Afgevaardigde, tevens de echtgenoot van zijn matresse. De assistenten van Powers zijn enthousiast, want de senator zou door deze "moordaanslag' weer in de peilingen kunnen stijgen, ware het niet dat hij in zijn achterste was getroffen. Dat staat niet heldhaftig. Norman Lear, de schepper van het legendarische arbeiderstype Archie Bunker, heeft hiermee het televisie-antwoord op de nieuwe tijdgeest gevonden.

De klungelige senator Powers uit The Powers That Be staat ver af van soortgelijke series in de jaren zestig, toen helden nog de toon aangaven. Een heldenrol voor een politicus zou in deze tijd niet goed vallen, of het zou iemand moeten zijn die alle zittende politici opzij schuift en met een schone lei en een Congres in nieuwe samenstelling begint.

Amerikanen zijn zelden zo cynisch geweest over de politiek als nu. En elke dag bevestigen de media het beeld van een door en door verrot Congres en politici die alleen maar op hun eigen voordeel uit zijn. De indruk bestaat ten onrechte dat Amerikaanse politici "vroeger' beter waren. Waarschijnlijk waren ze slechter, omdat er geen ethische codes, wetgeving over ongeoorloofde belangenverstrengeling bestonden en er geen horde journalisten achter hen aan zat. Politici kregen een betere pers, zoveel is zeker.

De politieke pekelzonden van de presidenten Kennedy Johnson en Nixon zijn uitgebreid gedocumenteerd door historici en biografen. Van veel vroegere presidenten is niet alles meer te achterhalen. Pas de door president Nixon bevolen inbraak in Watergate in 1972 leidde tot zijn aftreden en luidde grootscheepse politieke hervormingen in.

Het rood staan van Congresleden op de eigen bank van het Huis van Afgevaardigden is een goed voorbeeld van het huidige moralistische vuur. Twee jaar geleden berichtten sommige kranten al over de nu vaak geciteerde bevinding van de Amerikaanse Rekenkamer dat sommige Congresleden misbruik maakten van de mogelijkheid om rood te staan. Het had geen politieke gevolgen. De Rekenkamer maakt zelfs al sinds 1954 melding van Congresleden die rood staan. Uit de rapporten blijkt dat de excessen in de jaren zestig en zeventig veel groter waren dan nu maar niemand vond het toen de moeite waard. Bij de huidige voorverkiezingen is er al een Afgevaardigde aan gesneuveld en voorspeld wordt dat het er meer worden.

De affaire biedt een welkome afleiding van ernstiger vraagstukken zoals bij voorbeeld het begrotingstekort van 400 miljard dollar, ondervoede kinderen en de AIDS-explosie. Dergelijke vraagstukken zijn minder gemakkelijk dan de hoeveelheid ongedekte cheques die een bepaald Congreslid heeft uitgeschreven en ze vergen moeilijke keuzes, die de belastingbetaler liever ontloopt. Het zijn juist de politieke insiders die dergelijke vuurtjes aanblazen.

Economische stagnatie, erosie van de partijen, afkalving van het Amerikaanse leiderschap en het verlies van een oriëntatie door het einde van de Koude Oorlog hebben bijgedragen aan de malaise. Zowel Jimmy Carter als Ronald Reagan won de verkiezingen van 1976 en 1980 door een kruistocht tegen de gevestigde politieke instellingen en de insiders van Washington. Uiteindelijk heeft al deze anti-overheids-retoriek geleid tot verlamming. De laatste drie jaar maakten de Republikeinen in het Witte Huis van deze verlamming bijna hun ideologie. Onder Reagan zijn de meeste van hun ideeën al uitgevoerd, verder rest er slechts het beheer van de lopende zaken en vertrouwen op de onzichtbare hand van de vrije markt.

Een hoge, federale ambtenaar schreef deze week in The New York Times hoe demoraliserend zo'n status van nachtwaker werkt. “Het is het waard om in herinnering te houden dat ons nationale wegensysteem niet werd gebouwd door de Rotary club”, verzuchtte hij. “De Kamer van Koophandel zond geen astronauten naar de maan. De AOW was geen buurtproject. In tegenstelling tot de folklore bereikte de nu in grote moeilijkheden verkerende Amerikaanse computer-industrie niet haar leidende positie in iemands garage maar in het Pentagon.”

De huidige verlamming maakt de bitterheid in het land en de weerzin tegen overheidsoplossingen alleen maar groter. Het is een neerwaartse spiraal. Het Democratische Congres en het Republikeinse Witte Huis zijn in een patstelling geraakt. In dit verkiezingsjaar komt er niets groots meer tot stand. De wetgevende en uitvoerende macht gedragen zich als oude echtgenoten. Het Congres neemt een begrotingswet aan met een belastingverlaging, waarvan ze zeker weten dat president Bush er een veto op uit brengt. Dan kunnen zowel de Democratische Congresleden als de president uitvaren tegen "Washington' en daarbij bedoelen ze elkaar.

De vooraanstaande Republikeinse senator Warren Rudman bedankte vorige week na twee termijnen voor de eer van herkiezing. “Ik vraag me af of het de moeite waard is om aan de macht te blijven als we Amerika bankroet laten gaan”, zei hij verbitterd. Zijn Republikeinse collega John Danforth viel hem bij en noemde een aantal illusies die normaal aan kiezers worden voorgehouden. “Als er maar geen corrupte mensen zouden zijn, zou dit probleem verdwijnen. Als we de Congresleden niet zoveel betaalden, zouden we geld kunnen besparen en zouden we alles kunnen hebben. Als we geen buitenlandse hulp hadden, zouden we dat geld voor andere doeleinden kunnen uitgeven.”

Congresleden zijn freelance-politici, die de partij nauwelijks nog nodig hebben. Ze hebben hun eigen verkiezingskassen en bevoordelen zoveel mogelijk hun eigen district. Per slot van rekening kiezen de meeste Amerikanen een Republikeinse president om te bezuinigen en een Democratisch Congreslid om het overheidsgeld aan hun district uit te geven. Voor de kiezers komt de verspilling in "Washington' dus neer op de uitgaven voor andermans district.

Het vergt een getalenteerd politicus om dergelijke kloven te overbruggen. Bush is echter een ervaren bestuurder die politiek als een bijkomende zaak ziet die moet worden uitbesteed aan de "pitbulls' van de campagne-organisatie. Bush is geen voorzitter van de Amerikaanse samenleving, zoals zijn voorganger Reagan. Beleid en politiek liggen voor hem niet in elkaars verlengde.

Bij de huidige voorverkiezingen voor presidentskandidaten zoeken de partijleden wanhopig naar een cowboy met een witte hoed, misschien wel iemand met het geruststellende voorkomen van oud-president Reagan. De dagelijkse "onthullingen' over zonden van de huidige kandidaten bevestigen dat zij de witte hoed niet op hebben. Clinton is te glad, Bush te passief. De kiezers meanderen uit protest van teleurstelling naar teleurstelling.

Bij de Republikeinen was het eerst Pat Buchanan maar nu stemmen ze in toenemende mate blanco. Bij de Democraten is anti-kandidaat Jerry Brown opgestaan, voormalig gouverneur van Californië. Een andere anti-kandidaat aan het firmament is een miljardair uit Texas, Ross Perot. Hij ziet het verdienen van miljarden als voldoende kwalificatie om als onafhankelijk kandidaat in het najaar de verkiezingen te kunnen winnen. Bush vreest dat Perot hem in het najaar stemmen kan ontnemen. Perot heeft als voordeel op de andere kandidaten dat hij geen politicus is. Maar ook daar zullen de Amerikanen snel genoeg van krijgen.