Willem met een bloemenslinger om de nek; Hawaiianmuziek in Nederland

Lutgard Mutsaers: Haring & Hawaii. Hawaiianmuziek in Nederland 1925-1992. Uitg. Stichting Popmuziek Nederland, 150 blz. Prijs ƒ 24,95.

Begin over Hawaiianmuziek en ik hoor de Kilima Hawaiians, of een van die tientallen andere groepjes die in hun voetspoor een bont bedrukt katoenen overhemd aantrokken en zich een bloemenslinger om de nek hingen: zoet smeltende, zacht wiegende deuntjes met onverstaanbare woorden uit een melodieuze taal en veel glissando in de gitaren, klotsend als de golven van de Zuidzee, wuivend als de palmen aan een Polynesisch strand. Het had - dit is bijna voorgoed verleden tijd - desondanks iets heel vertrouwenwekkends, want boven die exotische klederdracht torenden altijd de blonde hoofden uit van mannen die Jan of Willem heetten en zich als grootste concessie John of Bill hadden genoemd. En voor de vrouwen stond Mary Buysman model, vriendelijk, neigend naar het gezette en voorzien van een huiselijk permanentje.

In het onderhoudende en feestelijk geïllustreerde boek Haring & Hawaii van Lutgard Mutsaers vormen de Kilima's en hun navolgers echter maar één kant van het verhaal. De schrijfster geeft hun het gemeenzame etiket Nederhawaiian (ontleend aan een uit 1968 daterende dialoog van Van Kooten en De Bie) en stelt er een heel ander soort tegenover: de Hawaiian-muziek die hier vooral door Molukkers en Ambonezen als Rudi Wairata en George de Fretes werd gespeeld. Veel feller en ritmischer, veel minder lieflijk, niet vermengd met de invloed van zoetgevooisde Amerikanen die het Hawaiian-genre voor internationaal gebruik hadden aangepast. In de oren van het brede publiek is die commerciële mengvorm allang opzijgedrukt door andere muziek, terwijl de veel authentiekere versie van de Indo's in hun eigen kring nog steeds graag wordt gehoord.

Mutsaers, die eerder de goed geïnformeerde studie Rockin' Ramona publiceerde, kan met smaak vertellen over de schlemielige kanten van het muzikantenvak die in andere publikaties zo vaak verscholen blijven achter de glitter van de buitenkant. Een van haar oudste zegslieden is Toon Reyngoud uit Rotterdam (Katendrecht). Hij speelde gitaar bij de Ancori's (opgericht door Anne, Cor en Rinus) en houdt ook nu nog vol, dat Bill Buysman het eerste contact met de AVRO eigenlijk aan hem te danken heeft. Als het éven anders was gegaan, waren de Ancori's beroemd geworden - in plaats van de concurrerende Kilima's. Snel daarna volgt het verhaal van een Hawaii-concours in de Houtrusthal, dat in 1939 werd gewonnen door de Honolulu Queens, hoewel de Kilauea's veel beter waren. Ook daarover kunnen de betrokkenen zich ruim vijftig jaar na dato nog danig opwinden. Kinnesinne, waaraan menig geschiedschrijver voorbij zou gaan, maar Mutsaers haalt er terecht de neus niet voor op. Ze weet hoe typerend zulke rancunes zijn voor het alledaagse muzikantenbestaan.

Roze sprookje

Het hoogtepunt voor de Nederhawaiian kwam tijdens de bezetting, toen jazz en swing officieel verboden waren en veel musici hun lievelingsritme overplaatsten op de steel guitar - als laatste toevluchtsoord. Voor het publiek waren die zoete klanken een uiterste vlucht uit de werkelijkheid, een roze sprookje in een zwart-witte wereld. “We werden meegezogen in de fake-wereld van de droomindustrie,” zegt een toenmalig toeschouwer. “Als je naar een optreden van de Kilima Hawaiians ging en je hoorde de herkenningstune - gordijn open, spots aan - dan ging er een zucht van geluk door de zaal. Daar stonden ze, met een ukelele, een contrabas, een acoustische gitaar en een steel en ze zongen stokstijf achter de microfoon van onbereikbare Zuidzeeromantiek en zo. Terwijl de echte Hawaiianmuziek sterk ritmisch is met dans als hoofdschotel, maar wist jij veel. Die souplesse misten ze totaal, het was echt Hollands. Ja, wat zag je erin?”

Holland had niets met Hawaii, de Indische archipel wel. Mutsaers maakt duidelijk hoe dicht die eilanden in muzikaal opzicht bij elkaar lagen. “Een Molukker voelt zich op Hawaii een native,” zegt Joop Sahanaya, ex-lid van de Mena Moeria Minstrels. Maar toen de Molukkers en Ambonezen hier in de jaren vijftig kwamen spelen, begon de Nederlandse markt al verzadigd te raken. De muziek was doodgespeeld, schrijft Mutsaers. Nog een paar succesjaren en toen verdween het genre voorgoed in de marge. Ze heeft het met zichtbare toewijding en grote zorg vastgelegd vóór het voorgoed verdwijnt. Laatst mochten de Wahelo's nog komen spelen bij Radio Drenthe - maar pas na twaalf uur 's nachts.

    • Henk van Gelder