Adolf Hitler als handelswaar

De film Schtonk, die zichzelf omschrijft als "de ultieme Duitse komedie van na de oorlog', kan inderdaad niet anders dan een daverend succes worden.

Hij gaat over de dagboeken van Adolf Hitler. Een dankbaarder cinematografisch gegeven is nauwelijks voorhanden, de Watergate-zaak en de ondergang van het Romeinse Rijk niet te na gesproken. In elk geval was het de spectaculairste canard sinds mensenheugenis, met het Duitse massablad Stern als voornaamste slachtoffer. Op de voet gevolgd door de experts in de Hitlerkunde, aangevoerd door de Britse historicus Hugh Trevor-Roper, die de verzameling keukentafelvervalsingen zijn nihil obstat verleende en sedertdien door geen mens meer serieus wordt genomen.

De Stern-affaire had niets te maken met ideologie, journalistiek of geschied(her)schrijving. Het was pure handel, aangezwengeld door een geniale zwendelaar bij wie je desgewenst ook Hitlers gebitsprothese of sokophouder kon bestellen. Voordat de vervalser aan Hitlers dagboeken begon had hij reeds een paar van des Führers waterverfjes bijeen gepenseeld, een genre waarvoor nog steeds een levendige belangstelling bestaat, met name in de regio München, Hauptstadt der Bewegung.

Ja, Hitler is handel. Zo weet men inmiddels niet alleen ter redactie van het weekblad uit Hamburg, maar evenals ter redactie van Het Nieuwsblad, Dagblad voor Midden-Brabant, dat enige dagen geleden het verhaal bracht over de Eindhovense zakenman M. Korenman, die sinds enige tijd met eenenveertig, met A. Hitler gesigneerde aquarellen in zijn maag zit. Het verhaal over de herkomst van de collecte “is fantastisch”, meldt Het Nieuwsblad. Te fantastisch om wáár te zijn, dunkt mij. De zakenman kocht de kunstwerken in 1985 in het Belgische plaatsje Huy van een man die zei de zoon van de schilder-staatsman te zijn en, gekweld door plaatsvervangend schuldgevoel, geen geld aan de transactie wilde verdienen. Als "zoon van een misdadige vader' verzocht hij daarom de vraagprijs - ƒ 34.000,- - op de girorekening van een klooster in Frankrijk over te maken.

Zo belandden de kunstwerken in Eindhoven, waar zich inmiddels al menige koper-in spé heeft aangediend. Ook allemaal idealisten, vanzelfsprekend. Zo probeerde iemand de collectie voor het Yad Vashem-museum in Tel Aviv te verwerven, met de bedoeling de kunstwerken diep in de kelder op te bergen, om te voorkomen dat de wereld er alsnog van zou worden overtuigd, thans via de wegen van kunst en cultuur, dat de oplossing van het joodse vraagstuk een goede, rechtvaardige zaak is geweest. Helaas, Yad Vashem bleek niet kapitaalkrachtig genoeg. “Als het even kan wil ik ze aan joodse mensen verkopen”, aldus M. Korenman, zakenman te Eindhoven. “Maar laten wij wel zijn, ik bèn zakenman. Als er morgen een willekeurig iemand voor de deur staat die direct twee miljoen dollar betaalt, dan zijn ze verkocht.” Niettemin is ook hij, op zijn eigen wijze, een soort idealist. “Als iemand bewijst dat ze nep zijn, dan kieper ik ze zo in de Dommel.”

Natuurlijk zijn ze nep, dat voel je met je Brabantse klompen aan. Ondanks de expertises van de diverse experts, die voor véél geld hebben verklaard, dat het best eens waar zou kunnen zijn dat de werkjes wel degelijk door de jonge Hitler geschilderd zijn. Zo heeft de Belgische historicus Paul de Saint-Hilaire desgevraagd enig onderzoek verricht naar de authenticiteit van het geportretteerde Noordfranse landschap. Tweeëndertig van de eenenveertig dorpsgezichten bleken te zijn gesitueerd in Le Quesnoy, een streek waar Hitler in de periode 1916-1918 enige tijd heeft doorgebracht. Dat zegt niets, heren experts, dit soort dorpsgezichten valt aan de hand van wat oude prentbriefkaarten of vergelijkbare picturale documentatie moeiteloos na te bootsen.

Ook Nieuwe Revu heeft zich inmiddels op de affaire gestort. Twee verslaggevers begaven zich, in de beste traditie van het blad, undercover in het milieu van kopers en verkopers en zagen menig dollarteken oplichten. In de ogen van de advocaat B. (“Zeg maar Bram”) Zeegers. In de ogen van mede-eigenaar A. (“Zeg maar Ad”) Braspenning, die de Hitler-aquarellen, geassisteerd door de locale ABN-AMRO-directeur H. (“Zeg maar Hans') de Jong, vèr boven een miljoen dollar taxeren, maar er tot dusverre niet in zijn geslaagd om ook maar één waterverfje aan de man te brengen.

filet Want er is iets raars met die schilderijen. Zij zijn, aldus de belanghebbenden, gevonden in een koffer die sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog niet open is geweest. Een krant (uit 1916) diende als verpakkingsmateriaal. Verder zaten er wat beschimmelde bankbiljetten in het zijvak, merkwaardigerwijze van een serie die niet eerder dan in 1935 blijkt te zijn uitgegeven. En ook Nieuwe Revu heeft een expert opgedoken, een èchte expert: de inmiddels vierentachtigjarige prof. August Priesack, die in 1938 in Hitlers opdracht het schilderwerk catalogiseerde. Hij zegt: “Ik heb in de loop der jaren zoveel vervalsingen gezien... Het bevreemdt mij ook dat er zo'n grote partij schilderijen tegelijkertijd wordt aangeboden. Waarom verkopen ze ze niet per stuk? Bovendien is de prijs belachelijk hoog. In München worden gegarandeerd èchte werken van Hitler al voor negenduizend dollar aangeboden.'

Het heeft er dus alle schijn van dat M. Korenman, zakenman te Eindhoven, een kat in de zak heeft gekocht. Hij heeft allang geen dollartekens meer achter de brilleglazen. Zijn ogen stralen voornamelijk doffe berusting uit. “Ik zal blij zijn als ik nog quitte kan spelen. Ik ben het meer dan zat.” Deponeer die rommel dan toch, zoals beloofd, in de Dommel, man, dan ben je ervan af!