LEVENDE MONSTERS UIT DE OERTIJD

Living Fossil. The Story of the Coelacanth door Keith S. Thomson 252 blz., Hutchinson Radius 1991, f 60,90 ISBN 0 09 175115 2

On Methuselah's Trail. Living Fossils and the Great Extinctions door Peter Douglas Ward 212 blz., Freeman 1992, f 51,- ISBN 0 7167 2203 8

In de ochtend van 22 december 1938, een warme zomerdag in Zuid-Afrika, liep de trawler Nerine de haven van East London in de Kaapprovincie binnen. Het schip had een rijke oogst vis aan boord. Onder de bijvangst van voornamelijk hondshaaien, roggen en blauwrugzalmen bevond zich ook een vreemde, anderhalve meter lange vis die door geen enkel bemanningslid kon worden thuisgebracht. Het beest was blauwachtig van kleur en had vinnen die verdacht veel leken op pootjes.

De kapitein van de Nerine had een afspraak met de curator van het plaatselijke Museum voor Natuurlijke Historie, mevrouw Marjorie Courtenay-Latimer, om haar een seintje te geven zodra er iets was opgehaald dat haar mogelijk interesseerde. Ook nu kreeg zij een telefoontje. Ze snelde met een taxi richting kade, klom aan boord van de Nerine en inspecteerde de exemplaren die Goosen voor haar opzij had laten leggen. Ze vond niets van haar gading. Ze wilde al naar huis terugkeren, toen ze ineens de blauwe vin zag van wat ze later ""de mooiste vis' zou noemen die ze """ooit had gezien'.

Courtenay-Latimer vervoerde het verse kadaver, dat kort tevoren nog agressief naar Goosens hand had liggen happen, per taxi naar haar museum. Aldaar stond ze voor een lastig probleem: hoe het dier, dat in het warme weer snel dreigde te ontbinden, zo vlak voor Kerstmis te conserveren. Samen met een taxidermist (een opzetter van dieren) omwikkelde ze de vis met in formaline gedrenkte doeken, in de hoop hem in elk geval goed te kunnen houden tot een ichtyoloog (vissendeskundige) hem zou onderzoeken.

Het was duidelijk dat het om een bijzondere soort ging. Het exemplaar zag er, met zijn grove, beenachtige schubben en zijn vinnen op pootachtige stompjes, buitengewoon primitief uit. De curator schreef een brief aan de expert James L. B. Smith uit Grahamstown, meer dan 500 kilometer ver weg. Smith was praktisch de enige competente ichtyoloog op het Afrikaanse continent. Courtenay-Latimer sloot een schets-je bij, vergezeld van een korte beschrijving.

De brief bereikte Smith pas op 3 januari 1939, en intussen was de vis al hopeloos verrot: de formaline was maar nauwelijks doorgedrongen tussen de dikke schubben. Courtenay-Latimer wist alleen de huid en de kop te conserveren, de stinkende rest gooide ze weg. Smith zag op grond van het schetsje niet alleen dat het om een onbekende en uiterst intrigerende vis ging, maar wist hem op grond van zijn kennis van de literatuur ook vrijwel direct te plaatsen. Het beest, besefte hij met kloppend hart, leek als twee druppels water op een vertegenwoordiger van de Coelacanthini, een orde van kwastvinnigen (zo genoemd naar de pootachtige vinnen). En die was voor zover bekend al zo'n zeventig miljoen jaar geleden uitgestorven.

Smith besefte welke sensatie deze vondst in de wetenschappelijke wereld teweeg zou brengen: een uitgestorven gewaande primitieve soort die had weten voort te leven tot de dag van vandaag en al die tijd niet of nauwelijks was geëvolueerd - een levend fossiel kortom.

Toch nam de ichtyoloog uit Grahams-town pas vrij laat, in februari, zelf in East London poolshoogte. Eerzuchtig als hij was, wilde hij de vis koste wat kost zelf beschrijven en van een wetenschappelijke naam voorzien. Hij troggelde de resten af van Courtenay-Latimer en nam ze mee terug naar huis ter bestudering. Op 18 maart verscheen zijn eerste beschrijving van de vis in het vooraanstaande wetenschappelijke tijdschrift Nature. In het korte artikeltje, getiteld "A living fish of mesozoic type', lanceerde Smith de wetenschappelijke naam: Latimeria chalumnae Smith 1939. De genusnaam Latimeria was een eerbetoon aan Courtenay-Latimer, het soorts-epitheton chalumnae was afgeleid van de rivier de Chalumna, bij de monding waarvan de vis op circa acht kilometer buiten de kust was opgehaald (van een diepte van ongeveer 70 meter).

BEZETEN

De toevallige vondst van de eerste coelacanth vormde de aanzet tot een adembenemende wetenschappelijke speurtocht naar dit "levende fossiel', een speurtocht die tot op de dag van vandaag voortduurt en die in het boek Living Fossil van Keith Thomson voorbeeldig is beschreven.

Thomson is een in de Verenigde Staten werkzame Britse bioloog die zich sinds 1965 heeft ontwikkeld tot coelacanth-expert. Hij verhaalt uitvoerig hoe Smith in 1952, na een bezeten jacht van veertien jaar, uiteindelijk een tweede exemplaar van Latimeria wist op te sporen. Ditmaal werd de vondst niet voor de kust van Zuid-Afrika gedaan maar bij de veel noordelijker gelegen Comoren, een groep vulkanische eilanden ten noordwesten van Madagascar. Het dier was 's nachts gevangen door lokale visserslui, die het herkenden van een door Smith verspreid pamflet waarin hij een beloning van 100 pond uitloofde voor de vinder van een nieuw exemplaar.

Ook deze vondst zorgde wereldwijd voor grote sensatie. Dat blijkt wel uit het sonnet "Ichtyologie' van Gerrit Achterberg in diens bundel Cenotaaf uit 1953: ""Er is in zee een coelacanth gevonden,/ de missing link tussen twee vissen in. / De vinder weende van verwondering. ... . Met ""de missing link' verwijst Achterberg mogelijk naar de toentertijd wel gehoorde hypothese dat de coelacanth, met zijn vinnen die al bijna pootjes zijn, de ontbrekende schakel zou zijn tussen de vissen en de eerste amfibieën die het land veroverden. Die hypothese is inmiddels verlaten: men denkt nu dat deze ontbrekende schakel niet de coelacanth, maar een andere, onbekende kwastvinnige is geweest.

Thomson beschrijft in zijn boek hoe het onderzoek naar de coelacanth zich in de jaren vijftig en zestig ontwikkelde; hoe en door wie de eerste vers gevangen exemplaren werden geconserveerd en ontleed; hoe de Fransen (aan wie de Comoren toebehoorden) het onderzoek, tot grote frustratie van Smith en andere niet-Franse biologen, lange tijd compleet wisten te monopoliseren; en hoe vrijwel elk zichzelf respecterend natuurhistorisch museum ter wereld er uiteindelijk een op de kop wist te tikken. In de halve eeuw sinds de ontdekking door Courtenay-Latimer zijn er in totaal ruim tweehonderd exemplaren gevangen, op de eerste na allemaal in hetzelfde gebied.

Na zijn historische relaas, dat leest als een avonturenroman, vat Thomson in het tweede deel van zijn boek (getiteld "Vragen en antwoorden') samen wat de wetenschap over de biologie van de coelacanth inmiddels weet, en wat niet. Voor zover bekend, leeft de coelacanth alleen rond de Comoren, op een diepte van twee- tot driehonderd meter. Het dier is pas recent in zijn natuurlijke habitat gefilmd, door de Duitse diergedragskundige dr. Hans Fricke vanuit diens diepzeeduikbootje Geo. Het blijkt een nogal slome zwemmer, die zich niet lang achtereen kan inspannen als gevolg van onder meer de vrij primitieve bouw van het hart en de lage zuurstoftransport-capaciteit van het bloed.

De coelacanth is ovovivipaar, dat wil zeggen: de eieren worden inwendig uitgebroed en de jonge vissen ontwikkelen zich geruime tijd in het voortplantingskanaal van de moeder alvorens zelfstandig uit te zwemmen. Evolutionair gezien is de coelacanth sterk verwant met, maar niet identiek aan, fossiele soorten uit de orde der Coelacanthini. De soort is ook verwant met de longvissen (de enige andere nog bestaande kwastvinnigen, eveneens "levende fossielen'), en met de voorouder van de amfibieën.

De term "levend fossiel' werd overigens al door Darwin gesmeed. Ofschoon een contradictio in terminis, blijkt hij erg bruikbaar voor soorten die in een ver geologisch verleden wijdverspreid waren en zich nadien, sterk uitgedund, op een marginaal plekje in leven hebben weten te houden. Levende fossielen vormen de beste benadering van een tijdmachine waarop paleontologen ooit mogen hopen: ze bieden immers de mogelijkheid om conclusies die op grond van de incomplete fossiele resten van hun uitgestorven naaste verwanten waren getrokken, direct te controleren. Helaas is het onderzoek aan Latimeria niet zo compleet als zou kunnen. De anatomie en de fysiologie van het dier worden nauwelijks meer bestudeerd, terwijl nog steeds onduidelijk is hoe groot de populatie is en waarom de soort zich uitsluitend bij de Comoren lijkt op te houden. Sinds een paar jaar is de coelacanth beschermd, maar ironisch genoeg vormen vooral de gretig vissende onderzoekers zelf de grootste bedreiging voor zijn voortbestaan.

REIS DOOR HET VERLEDEN

Living Fossil is een opmerkelijk boek over een unieke vis; de tekst is wetenschappelijk accuraat en tegelijk, door de sappigheid van het onderwerp, boeiende kost voor een breed publiek. Wie echter 250 bladzijden over één vis wat te veel van het goede vindt, kan zich wenden tot het laatste hoofdstuk van het boek On Methuselah's Trail van Peter Doug-las Ward, een jonge hoogleraar geologie uit Seattle. Het verhaal van de coelacanth wordt daarin in tien maal korter bestek eveneens uitstekend weergegeven.

Ward heeft zijn boek opgezet als een reis door het geologisch verleden, doorspekt met beschrijvingen van zijn eigen onderzoek. Die opzet wordt al wel vaker door andere populair-wetenschappelijke auteurs gebezigd, (onder meer door Wards collega-paleontoloog Niles Eldredge), maar in Wards geval is het resultaat wel uitzonderlijk goed geslaagd.

On Methuselah's Trail bespreekt behalve de coelacanth nog een hele dierentuin van andere levende fossielen. De kracht van het boek ligt in de evocatie van belangrijke episodes uit het evolutionaire verleden die daar kunstig doorheen zijn gevlochten: de verovering van het land door de planten, de massa-uitstervingen, de explosies van nieuwe vormen waardoor deze werden gevolgd.

Daarbij komt dat de auteur niet alleen reist door de tijd, maar ook langs de formaties in de Verenigde Staten, Azië en Europa die hij de afgelopen twintig jaar als geoloog bezocht. Ward weet zeer pakkend over zijn veldwerk te schrijven, nu eens te midden van eenzame formaties in de staat Washington, dan weer als diepzeeduiker bij een eiland in de Stille Zuidzee of, nog exotischer, hakkend in de Krijt-Tertiair grenslaag bij een homo-naaktstrand in Biarritz.

Hij is er in geslaagd om een boek te schrijven dat zich maar heel moeilijk laat wegleggen en dat bij de lezer voortdurend de vraag opwerpt: ""Stom, waarom ben ik eigenlijk geen geoloog geworden?'