KANALEN

Een eeuw schipperen. De omstreden kanalisatie van West-Friesland door Herman Lambooij 159 blz., geïll., Pirola 1991, f 32,50 ISBN 90 6455 122 7

In een tijd van stijgende aandacht voor de landschappelijke waarde van waterlopen heeft het woord "kanalisatie' zijn oorspronkelijke betekenis vrijwel verloren (de aanleg of het graven van kanalen in een landstreek). Tegenwoordig denken we vooral aan de negatief beladen tweede betekenis: het beter geschikt maken van rivieren voor de scheepvaart door afsnijding van bochten. Overigens leven vooral bij de Landinrichtingsdienst weer volop plannen beken en riviertjes hun oude loop terug te geven. In West-Friesland heeft men het daar gemakkelijk mee. Daar zijn geen oude waterlopen, alleen maar nieuwe, en hoe moeizaam die tot stand kwamen, is het onderwerp van Een eeuw schipperen. De omstreden kanalisatie van West-Friesland.

West-Friesland, een lappendeken van drooggelegde polders, heeft aan water geen gebrek, maar dat zijn vooral boezemwaters die niet voor scheepvaart van enige tonnage geschikt zijn. De voor droge voeten noodzakelijk geachte Westfriese Omringdijk, die met een lengte van 126 km het hart van Noord-Holland beschermt, was vanouds een belemmering voor de scheepvaart, terwijl de expanderende markten zaten te gillen om aansluiting op het grootscheepvaartwater. In 1824 werd het Noordhollands Kanaal aangelegd buiten de Omringdijk, maar dat bood West-Friesland geen soelaas. Melk, boter en kaas, populair tot op de Londense markt, kon nog steeds niet onbelemmerd en vlot de provincie verlaten.

Vanuit de burgerij werden initiatieven gelanceerd om tot ontsluiting van het gebied te komen (de staat was toen nog niet alomtegenwoordig), en in 1890 gaf een hoofdonderwijzer de stoot tot de oprichting van de Westfriese Kanaalvereniging. Alle eerdere pogingen waren spaak gelopen, maar deze WFK slaagde in haar opzet en kon zich in 1937 opheffen. De kanalisatie-plannen van West-Friesland waren toen overgenomen door de provincie, die zich na de watersnoodramp van 1916 genoodzaakt zag in de waterstaat in te grijpen. Daarin werd zij bijgestaan door ir. Cornelis Lely die juist zijn derde termijn als minister van verkeer en waterstaat vervulde. Was de schatkist tevoren altijd leeg geweest, na de ramp kwamen er ruimere budgetten, niet alleen voor kustverdediging maar ook voor de kanalisatie.

Het gebakkelei had echter zolang geduurd (welgeteld tachtig jaar gingen voorbij voordat de eerste schop in de grond ging), dat de tijd het doel achterhaald had. Het vervoer over de weg nam toe en de binnenscheepvaart boette aan belang in. Het aandeel van het vervoer te water in de goederentrafiek bedroeg in 1880 47,8%, in 1915 zelfs 57,3%, maar in 1938 was dat teruggelopen tot 40,9%. Altijd nog genoeg overigens om in het gehele land kanalen te graven. Een niet voorziene maar aangename bijkomstigheid was dat de aanleg tegen relatief geringe kosten mogelijk was: tijdens de crisisjaren zorgde de werkverschaffing voor goedkope arbeid.

Een drukte van belang is het nooit geworden op de Westfriese kanalen die in 1936 en 1942 opgeleverd werden, maar de verruiming van de boezem was alleszins meegenomen en voor de pleziervaart bleken de kanalen een uitkomst te zijn. De infrastructuur voor de recreatieve exploitatie van de gebieden boven het IJ ligt er tenminste en bovendien zijn de kanalen (met hun bochten!) en sluizen decoratief in het vlakke landschap. Het is een troost voor allen dat hun zweet niet voor niets gegutst heeft.

Herman Lambooij heeft er aan de hand van literatuur- en archiefonderzoek een vlot leesbaar en goed in elkaar stekend boek over geschreven, met een correct notenapparaat, literatuuropgave en register èn een visie op de kanaalaanleg in Nederland, waardoor het boek het lokale belang overstijgt.