Het Megalo McGuggenheim; De wereldwijde expansie van een Newyorks Museum

Het kan nog maanden duren voor het gerenoveerde Guggenheim Museum in New York weer opengaat. Actiegroepen staan al in de startblokken om het openingsfeest van het "koffiezetapparaat' en een nieuw filiaal in SoHo passende luister bij te zetten. Directeur Thomas Krens bouwt intussen voort aan het Guggenheim-imperium door het opzetten van filialen in Bilbao, Varese, Salzburg en misschien ook Tokio. Bij de voormalige "Temple of Spirit' in New York geldt volgens de adjunct-directeur nu de “mooie wet dat de musea met de grootste en beste collecties vaak ook de beste donaties krijgen”.

door Lien Heyting

In mei 1990 ging het Newyorkse Solomon R. Guggenheim Museum dicht.

De nieuwe directeur van het museum, Thomas Krens, had grootse plannen. Het ronde spiraal-gebouw van Frank Lloyd Wright zou gerenoveerd worden en het vier verdiepingen hoge bijgebouw (de "Annex') zou plaats maken voor een nieuwbouw van tien verdiepingen, waardoor de expositieruimte met tweederde zou toenemen. Bovendien zou in SoHo een filiaal van het Guggenheim worden ingericht met nog eens drieduizend m² expositieruimte: het Guggenheim Downtown. Opslagplaatsen en restauratie-ateliers zouden van het oude Guggenheim Museum naar een voormalig pakhuis elders op Manhattan worden overgebracht.

De opening van het gerenoveerde Guggenheim Uptown en van het filiaal Downtown zou vorig jaar oktober plaatsvinden. Maar de verbouwing was toen nog niet klaar en de feestelijkheden werden uitgesteld tot februari van dit jaar, daarna tot mei, vervolgens tot eind juni en kwade tongen spreken nu zelfs al over september.

Aan de vertragingen in de bouw kan het niet meer liggen: de renovaties en nieuwbouw zijn nagenoeg voltooid. De schepping van Frank Lloyd Wright uit 1959, die talloze bijnamen had (variërend van "bloempot', tot "omgekeerde theeketel' en "wasmachine') heeft er al weer een bij: het koffiezetapparaat. Het nieuwe hoge bijgebouw is het waterreservoir, in de ronde vorm daarvoor (de witte "bloempot') druipt de koffie door.

Ook de reusachtige vestiging in SoHo is klaar voor de eerste expositie, getiteld "Artists in Depth', een confrontatie van twee avantgardekunstenaars uit de eerste helft van de eeuw - Kandinsky en Brancusi - met twee hedendaagse kunstenaars uit New York, de minimalist Carl André en de "fundamentele' schilder Robert Ryman.

Maar het ziet er niet naar uit dat deze tentoonstelling ooit zal doorgaan.

Twee Newyorkse vrouwengroepen, de Guerilla Girls en de Women Action Coalition, zijn in opstand gekomen tegen het expositiebeleid van het Guggenheim Museum of, zoals zij het noemen, "The White Boys Museum'. In New York circuleren nu duizenden roze briefkaarten met de tekst: “Dear Mr. Krens. Wellcome to Downtown. We have been hearing all about your Opening Show: Four White Boys at The White Boys Museum. Lots of Luck.”

De vrouwen voeren "fax-acties' (door het sturen van honderden faxen naar het Guggenheim zijn de fax-apparaten hier permanent verstopt) en de Guerilla Girls ("Conscience of the Art World'), die de afgelopen jaren vermomd als harige gorilla's in New York de strijd aanbonden tegen de door blanke mannen gedomineerde kunstwereld, hebben al aangekondigd bij de opening prominent aanwezig te zullen zijn.

Het Guggenheim Museum heeft nu laten weten dat de opening verdaagd wordt tot eind juni en dat de expositie wordt aangepast. De titel blijft hetzefde - Artists in Depth -, Kandinsky en Brancusi blijven meedoen, maar verder, aldus het Guggenheim, “valt er nog niets met zekerheid te zeggen”. De naam van Carl André lijkt in elk geval van het lijstje geschrapt. Behalve de vrouwengroepen heeft ook de Community Board van SoHo zich tegen zijn deelname gekeerd. André is in SoHo een controversieel kunstenaar sinds hij enkele jaren geleden moest voorkomen wegens verdenking van moord op zijn vrouw. Hij werd vrijgesproken, maar in SoHo (waar hij woont) zijn nog altijd twee kampen: sprong zijn vrouw uit het raam of duwde hij haar eruit? Die controverse was voor de wijkraad voldoende reden voor protest tegen de Guggenheim-expositie van Carl André.

Zakenman

Guggenheim-directeur Thomas Krens wordt niet alleen door Newyorkse vrouwengroepen en wijkraden aangevallen, zijn beleid is ook onderhevig aan kritiek van kunsthistorici en -recensenten. Krens wordt verweten dat hij meer een manager is dan een kunstexpert, zijn "business-school-jargon' wekt irritatie in de kunstwereld, hij zou een harde zakenman zijn die niet terugdeinst voor dubieuze financieringstechnieken en riskante methoden van fondswerving. Hij wordt beschuldigd van "Empirebuilding', van het eerbiedwaardige Guggenheim zou hij een "multinational' willen maken, een McGuggenheim.

De plannen van Thomas Krens zijn inderdaad verbluffend.

Toen hij in 1988 aantrad, stond het Guggenheim Museum er slecht voor: de exposities waren beneden de maat, de donateurs lieten het steeds meer afweten, het gebouw was toe aan restauratie en er waren financiële problemen. Krens ging frontaal in de aanval.

Naast de Newyorkse uitbreidingen ontwikkelde hij plannen voor een Guggenheim Museum in North Adams (Massachusetts). Hier zal een oud fabriekscomplex onderdak bieden aan het grootste museum ter wereld (vloeroppervlak vijftigduizend m²): het Mass MoCa (Massachusetts Museum of Contemporary Art), dat speciaal bedoeld is voor grootschalige kunstwerken uit de jaren zestig en zeventig. Ook voor dit museum is al een bijnaam verzonnen, het Megalo MoCa.

En dan komen er verschillende vestigingen in Europa. In 1994 opent in het hart van de Spaanse stad Bilbao een Guggenheim Museum, ontworpen door de Amerikaanse architect Frank Gehry. (Expositieruimte: dertigduizend m²). De oude havenstad Bilbao wil een financieel centrum worden en daarbij hoort natuurlijk (kijk naar Frankfurt) een museum voor moderne kunst. Maar Bilbao bezit nauwelijks moderne kunst. Het Guggenheim daarentegen kan maar een fractie van zijn enorme collectie in de eigen gebouwen exposeren. De deal was dus snel gesloten: Bilbao bouwt een museum, het Guggenheim vult het met kunst.

In Italië (Venetië) beschikt het Guggenheim al over het voormalige museum van Peggy Guggenheim dat na haar dood in 1979 overging naar de door haar oom in 1937 opgerichte Solomon R. Guggenheim Foundation. Al is in Venetië nu nog de door Peggy verzamelde kubistische, surrealistische en abstract-expressionistiche kunst te zien, haar museum maakt deel uit van de Guggenheimketen en daarmee ook haar collectie, waaruit naar believen geput kan worden voor het maken van exposities in andere filialen. Want het lijstje is nog niet volledig. Over enkele jaren opent het Guggenheim een tweede museum in Italië: de Villa Panza di Buomo in Varese bij Milaan. Hier wordt een derde deel (110 werken) van de Panza-collectie ondergebracht, een verzameling Amerikaanse Minimal-Art uit de jaren zestig en zeventig, bijeengebracht door graaf Giuseppe Panza. Thomas Krens kocht deze collectie in 1990 met de opbrengst (47 miljoen dollar) van drie schilderijen uit het Guggenheim-bezit die hij op de veiling bracht: een Kandinsky, een Chagall en een Modigliani.

Het was een omstreden verkoop die in de Verenigde Staten op veel kritiek stuitte, vooral omdat de drie doeken niet bij andere musea terechtkwamen, maar in particuliere collecties.

Volgens de adjunct-directeur van het Guggenheim, Michael Govan, die ik in november in New York sprak, was deze verkoop een "uitzondering op de regel': “Die drie schilderijen werden zelden getoond en we hadden nu de gelegenheid om de schitterende Panza-collectie te kopen. Door deze aanschaf zou onze naoorlogse verzameling die van voor de oorlog evenaren.”

De critici van Krens zijn er niet gerust op dat dit de laatste kunstverkoop van het Guggenheim is: als bij de financiering van de huidige projecten iets misloopt, zou het Guggenheim er niet aan ontkomen nog meer kunst te laten veilen. Krens houdt vol dat dit niet nodig zal zijn, maar tegenover The New York Times gaf hij toe dat in zijn onderhandelingen met de Swiss Bank Cooperation (die hem krediet verschaft heeft voor de diverse verbouwingen) de waarde van bepaalde kunstwerken wel ter sprake is gekomen.

Terug naar de Guggenheim-keten. Net als Bilbao ontbeert de Oostenrijkse stad Salzburg een museum voor moderne kunst. Ook hier zijn plannen voor een nieuw (door Hans Hollein ontworpen, door Oostenrijk te financieren) museum, dat het Guggenheim van kunst wil voorzien. Over het Salzburgse Guggenheim is in Oostenrijk een discussie losgebarsten (zie kader) en de totstandkoming is dan ook niet zeker. Als laatste in de rij wordt Tokio genoemd. Twee jaar geleden schonk de Japanse fabrikant Aikira Tobishima (lid van de Raad van Commissarissen van het Guggenheim) vijf miljoen dollar aan de Foundation. Hiermee wilde hij het Guggenheim stimuleren om “als onderdeel van de wereldwijde expansie ook in Tokio een museum te starten”.

Michael Govan, op mijn vraag naar de motieven achter het kunstimperialisme van het Guggenheim: “De traditie in de Verenigde Staten was altijd: verkoop kunst die nooit getoond wordt en schaf daarvoor beter werk aan. Wij hebben een andere benadering: zorg voor meer museumruimte, zodat je meer kunt laten zien. Door al die verschillende vestigingen kunnen we onze exposities over de hele wereld tonen.”

De critici tekenen ook hierbij bezwaar aan: de kunstwerken zullen voortdurend van hot naar her worden getransporteerd en dat brengt risico's met zich mee. Govan: “Die kritiek is onzin. Wij hebben straks ons eigen, internationale netwerk waarbinnen onze eigen exposities circuleren. We willen minder aan andere musea uitlenen dan we tot nu toe deden en al het vervoer zal gebeuren onder onze, strenge, supervisie.”

Hogere sferen

Hoe kwam de Guggenheimcollectie tot stand?

In de negentiende eeuw was de Guggenheim-familie rijk geworden in de Amerikaanse mijnbouw. Solomon R. Guggenheim (1861-1949) begon omstreeks 1895 kunst te verzamelen, oude Vlaamse meesters, Amerikaanse landschappen en doeken uit de school van Barbizon. In 1927 leerden Solomon en zijn vrouw Irene Guggenheim de Duitse barones Hilla Rebay von Ehrenwiesen kennen, een theosofische dame die meende dat de abstracte kunst (door haar aangeduid met "gegenstandslos' of "non-objective') de mens van het materialisme zou kunnen bevrijden en in hogere, spirituele sferen zou kunnen leiden. Ze was diep onder de indruk van Kandinsky's essay Über das geistige in der Kunst (1911), ze zag zichzelf als een missionaris van de nieuwe kunst en ze spoorde de Guggenheims aan een geheel 'gegenstandslose' schilderijenverzameling aan te leggen. Ze trad hierbij op als adviseur en ze ontwikkelde ideeën voor een door Guggenheim op te richten Museum of Non-Objective Painting. (Sculpturen vielen bij de barones niet in de smaak: ze zijn immers tastbaar en stoffelijk). Dit museum ging in 1939 open in een gebouw aan de 54ste Straat op Manhattan. De barones werd aangesteld als directrice.

Het was een tijdelijk onderkomen, want intussen droomde Hilla Rebay al over een "Temple of Spirit', een gewijde plek voor de "gedematerialiseerde kunst'. Ze raakte begeesterd door Frank Lloyd Wright's "organische architectuur' en het werd dan ook Wright die in 1943 de opdracht kreeg een museumgebouw te ontwerpen.

Wright liet zich inspireren door de spiraalvorm van Mesopotamische ziggurats. In zijn ontwerp keerde de cirkel tot in de kleinste details terug. Van beneden naar het hoge, ronde daklicht liet hij aan de binnenzijde van de ronde wanden een pad als een spiraal omhoog lopen. Tegen de naar buiten hellende muren moesten de schilderijen hangen, eveneens licht hellend, alsof ze deel uitmaakten van de architectuur. Wright zag “het gebouw en de schilderijen als een ononderbroken, schitterende symfonie, zoals die nooit eerder in de wereld der kunsten bestaan heeft.”

Toen in de jaren vijftig eindelijk met de bouw begonnen werd, was de barones van het toneel verdwenen. Na de oorlog kwam er steeds meer kritiek op haar zweverige ideeën. In 1951 beschreef de New York Times het Guggenheim (dat toen nog aan de 54ste Straat bivakkeerde) als een “esoterische, occulte plek waar een mystieke taal wordt gesproken” en de krant vroeg zich af of het museum zijn "tax-free'-status wel verdiende. Hilla Rebay werd in 1952 uit haar functie ontheven, de naam van het museum was toen al veranderd van Museum of Non-Objective Painting in het Solomon R. Guggenheim Museum.

Rebay's opvolger, James Johnson Sweeney had een minder occulte kijk op de kunst en op de functie van een museum en hij raakte dan ook steeds weer in aanvaring met Frank Lloyd Wright. Ze twistten over de kleur van de muren (Sweeney wilde witte, Wright ivoorkleurige wanden), over kunstmatig licht (Sweeney) of daglicht (Wright), over het met de muur meehellend (Wright) of het rechtstandig bevestigen van de schilderijen (Sweeney). Volgens het Guggenheim Museum wordt met de nu voltooide verbouwing “Wright's visie in ere hersteld”, maar Sweeney heeft toch tenminste op één punt gezegevierd: de schilderijen worden opgehangen zoals hij dat wilde, rechtstandig.

Als er al schilderijen hangen, want het spiraalgebouw zal regelmatig ter beschikking worden gesteld aan één enkele kunstenaar die het naar eigen goeddunken mag inrichten. Zo zal bij de opening, als een "hommage aan Frank Lloyd Wright', een lichtinstallatie van Dan Flavin alle ruimte in beslag nemen. In het nieuwe bijgebouw wordt als openingsexpositie een selectie uit de verzameling getoond en in de kleine rotonde, de "Monitorbuilding' is de collectie impressionistische schilderijen van de kunsthandelaar Justin K. Thannhauser te zien, die het Guggenheim Museum in de jaren zestig verwierf.

De Guggenheim-verzameling is niet meer het "gegenstandslose' loflied op de onstoffelijkheid dat de barones voor ogen stond. Haar opvolger Sweeney begon meteen met de aankoop van sculpturen en in de loop der jaren is de verzameling onder meer door schenkingen aangevuld met kunst uit alle stromingen van deze eeuw. Alleen de vooroorlogse Amerikaanse kunst is nauwelijks vertegenwoordigd in de Guggenheim-collectie.

Lenin

Wie nu een bezoek brengt aan het Director's Office van het Guggenheim, bevindt zich in het ultieme "keurige kantoor', met een imponerend glanzende balie, zwartleren designfauteuils en vrouwen in volmaakte pakjes die haastig door de gangen draven.

Adjunct-directeur Michael Govan praat niet over een "Temple of Spirit', zoals Solomon R. Guggenheim en zijn adviseuse deden, hij spreekt in de geest van zijn baas Thomas Krens over een "verantwoorde exploitatie', een "toonaangevende collectie' en over de “mooie wet dat de musea met de grootste en beste collecties vaak ook de beste donaties krijgen”. Het valt me op dat nergens een schilderij te bekennen is, maar op de vensterbank van Govan staat wel een klein borstbeeldje van Lenin. Govan: “Dat beeldje is een grapje. Het heeft te maken met de tentoonstelling "Russische Avantgardekunst 1915-1932' die we hier in New York, verspreid over Guggenheim Uptown en Downtown na de openingsexpositie zullen tonen.”

De tentoonstelling van de Russische avantgarde is nu in de Schirn Kunsthalle te Frankfurt te zien. Wanneer ze naar het Guggenheim komt, is door het herhaalde uitstel van de opening onzeker geworden.