Een Romeins fort in Nederland

Het best bewaarde Romeinse fort ligt in Nederland. In het Zuidhollandse Valkenburg begon in de oorlog een langdurige opgravingscampagne. Het park Archeon in Alphen aan de Rijn wil het fort nu op ware grootte reconstrueren.

Een hoge grondwaterstand is het geheim achter de uitmuntende conservering van het Romeinse fort in Valkenburg (ZH), gelegen langs de Oude Rijn, die eeuwen lang de grens van het Romeinse Rijk vormde. Hout en andere organische resten zijn onder in het grondwater negentien eeuwen afgeschermd geweest van zuurstof en zo aan rotting ontkomen. Alsof de tijd had stilgestaan ontdekten archeologen vergankelijk materiaal, waaronder schrijfplankjes met adressering, voedselresten, wijnvaten, vlechtwerkwanden en graszoden van een verdedigingswal.

Recent onderzoek bood de ontknoping van een slepende discussie over de ouderdom van het fort. Uit jaarringenpatronen in hout ("dendrochronologisch onderzoek') bleek dat de weg naar het kamp in het jaar 39 of uiterlijk de zomer van het jaar 40 na Christus is gebouwd, tijdens de regeringsperiode van de beruchte keizer Caligula.

Dat is opmerkelijk omdat de meeste forten langs de Rijn pas onder zijn opvolger Claudius zijn gebouwd. Maar het strookt wel met de vele munten van Caligula die zijn opgegraven en die prof. M.D. de Weerd tot een datering in 39/40 brachten. En het sluit aan bij een ontdekking die in 1962 is gedaan: de bodem van een houten wijnvat met de ingebrande tekst C.CAE.AUG.GER, de naam en titels van keizer Caligula.

De Romeinse auteurs Suetonius en Tacitus suggereren dat Caligula destijds persoonlijk een bezoek bracht aan Zuid-Holland, het woongebied van de Cananefaten. Omdat in Zuid-Holland tot nu toe alleen bij Valkenburg een fort uit die periode is gevonden, is het aannemelijk dat het opgegraven kamp direkt verband houdt met het keizerlijke bezoek. Valkenburg zou een rol gespeeld kunnen hebben in Caligula's bizarre militaire expeditie waar de klassieke auteur Suetonius smalend over schrijft:

""Caligula trok in het jaar 39 naar het noorden om voor zijn keizerlijke lijfwacht mannen te ronselen bij de Bataven, een stam die in Nederland langs de Rijn woonde. Het werd een schertsvertoning met in scene gezette aanvallen over de Rijn die door de keizer triomfantelijk werden afgeslagen, zo vertelt Suetonius. De Romeinse auteur Tacitus schrijft dat de vader van Brinno, leider van de Cananefaten "ongestraft de draak stak met de komedie van de expeditie'.''

Het slot van de veldtocht is in Suetonius verhaal tekenend voor de krankzinnigheid van de keizer:

""Uiteindelijk, alsof hij de oorlog wilde afronden, zette hij een slagorde neer op het strand langs de kust, met ballista's en andere artillerie. Plots gaf Caligula de soldaten opdracht helmen en zakken met schelpen te vullen en riep triomfantelijk: "Ziehier de op de Oceaan veroverde buit'.''

Caligula hield een zegetocht in Rome. Enkele maanden later werd hij vermoord.

Uit de datering van opgegraven voorwerpen blijkt dat het eerste kamp bij Valkenburg slechts zeer kort in gebruik was, gezien de muntvondsten tot kort na het aantreden van de nieuwe keizer Claudius. Dankzij archeologisch onderzoek is de herkomst van deze eerste soldaten bekend.

Op verschillende voorwerpen staat dat een Gallische legereenheid in het kamp gelegerd was: de derde afdeling bereden infanterie van de Galliërs (Cohors III Gallorum equitata). Die naam komt ook voor in de adressering op twee houten schrijfplankjes, waaronder een brief aan soldaat Tigernilus.

Op een ander schrijfplankje valt te lezen: ""Aan dokter Albanus te Tullum Loucorum''. Het adres slaat op het Gallische plaatsje Tool in Noordoost-Frankrijk. Kennelijk was de arts voor zijn komst naar Valkenburg in Gallië woonachtig en heeft hij het aan hem verzonden schrijfplankje meegenomen. Het illustreert de vele omzwervingen die de Romeinse soldaat maakte. Korte tijd later was Albanus ook weer uit Valkenburg vertrokken.

Na het vertrek van de eerste soldaten kwam een volgende legereenheid die het fort verbouwde om meer ruiters te kunnen herbergen. De vlechtwerktechniek en resten van inheemse potten verraden dat deze soldaten uit de direkte omgeving afkomstig waren, wat pastte bij de strategie in die tijd. Het werd de Romeinen bijna fataal, want de inheemse eenheden deden in het jaar 69 mee aan de Bataafse opstand waarbij verschillende forten in vlammen opgingen en het Romeinse gezag wankelde. In Valkenburg is de strijd herkenbaar aan een dikke brandlaag.

De Romeinen herstelden pas na veel moeite het gezag. De inheemse troepen werden, om herhaling te voorkomen, ver weg gezonden. Er kwamen vreemde eenheden voor terug. In Valkenburg vestigde zich een legeronderdeel van Thraciërs, afkomstig uit de omgeving van Noord-Griekenland.

Blijkens een onlangs gevonden inscriptie is in het jaar 116 of 117 het tot dan houten hoofdgebouw in steen uitgevoerd. In het laatste fort was ook de verdedigingsmuur van steen, maar bleven de barakken van hout.

Het fort is zo tot in de vierde eeuw verschillende malen verbouwd en opgehoogd waardoor uiteindelijk een heuvel van 2 meter hoogte onstond. Na de Romeinse tijd kwam er nog een meter bij waardoor de plaats van het fort, rond de dorpskerk van Valkenburg, nog duidelijk als heuvel herkenbaar is.

De sporen van het oudste kamp liggen het diepst onder het grondwater en zijn daardoor het beste geconserveerd. Het verhaal van Valkenburg is daarom vooral het relaas van de eerste soldaten die onder Caligula in Valkenburg neerstreken, temidden van een woest gebied met moerasbossen en exotische dieren als de kroeskoppelikaan.

Ondanks de korte verblijfsduur had de eerste legereenheid een goed onderkomen. Geen tentenkamp zoals die bekend zijn uit opgravingen in Velsen (en de verhalen van stripheld Asterix), maar een fort met houten barakken waarvan de vijftien centimeter dikke wanden tijdens de opgraving nog gedeeltelijk overeind stonden. Het zijn de best bewaard gebleven houten soldatenbarakken uit de Romeinse tijd in Europa. Ze stonden model voor een maquette in een museum in het Zwitserse Zurzach.

Toen de archeologen de grond hadden verwijderd, zagen ze de oorspronkelijke wanden bestaande uit rechthoekige houten palen met ertussen vertikaal vlechtwerk afgesmeerd met leem. Dankzij een systeem van gaten en pennen waarmee het houtwerk in elkaar werd geschoven, hoefde nauwelijks met spijkers te worden gewerkt.

Zelfs het vlechtwerk zat nog op zijn plaats, evenals de drempels van essenhout met gaten voor de deuren. Die waren niet als tegenwoordig aan scharnieren opgehangen, maar draaiden eenvoudig met een pen in een gat in de drempel en bovendorpel. Details die meestal zijn verdwenen.

De barakken stonden in groepjes van twee bij elkaar. Tussen elk barakkenpaar lag een straat die gezien de resten van drempels aan beide kanten kon worden afgesloten. Zo werd een langwerpige binnenplaats gevormd met aan elk van de twee lange zijden een barak met zuilengalerij.

Onder het afdak van de zuilengalerij bevonden zich de zes of zeven deuren van de soldatenvertrekken. Wie bij een willekeurige deur naar binnen stapte, kwam uit in een kleine wapenkamer ("arma'). Namen in opgegraven wapens geven aan dat ze persoonlijk bezit waren, maar wel werden overgedragen. Tot de uitrusting behoorden ook leren tenten waarvan grote stukken zijn opgegraven, inclusief tentharingen van lijsterbeshout. In een van de voorkamers werd een leren foedraal voor een schild aangetroffen.

Een volgende deur kwam uit op het eigenlijke slaapvertrek. Daar lag tegen de scheidingswand, onder de nok van het dak, een haardplaats van ongeveer 1 bij 1 meter, gemaakt uit klei met een eikenhouten rand. Omdat vlammen in de houten barakken brandgevaar opleverden, werd geen hout gestookt, maar waarschijnlijk rundermest. Resten van mestkevers duiden daarop. Gloeiend houtskool was ook een mogelijkheid. De haard diende zowel voor verwarming als het bereiden van voedsel.

Volgens de opgravers sliepen in de oudste slaapvertrekken van Valkenburg zes man. Voor dat aantal was er in het vertrek van ruim 3 bij 4 meter weinig ruimte zodat waarschijnlijk stapelbedden zijn gebruikt. In de ongeveer drie meter brede kamer passen de benodigde drie stapelbedden goed naast elkaar.

De opgravers vonden in een jongere barak een houten constructie die mogelijk een kompleet omgevallen wand van de barak is. In dat geval zouden de wanden 2,8 meter hoog zijn geweest, een geloofwaardige maat voor een vertrek met stapelbedden. Op de wanden steunde een zadeldak dat bij dergelijke barakken veelal met hout was bedekt.

Stukken ondoorzichtig blauwgroen vensterglas wijzen erop dat de oudste Valkenburgse barakken al beglazing hadden. Boven de bedden moet aan de achterkant onder de dakrand een raam hebben gezeten, zodanig geplaatst dat het licht optimaal werd benut. Een raam op ongeveer twee meter hoogte zou aansluiten bij vondsten in een fort bij Echzell in Duitsland.

Aan de kop van elke barak lag het onderkomen van een van de twee onderofficieren die over meer oppervlakte beschikten. De hoogste officier van de centuria had een nog grotere ruimte die lag aan het andere uiteinde van een van de barakken: evenveel vloeroppervlak als 30 tot 40 soldaten.

In het toilet vonden de opgravers in 1942 resten van een rijk menu: naast tarwe ""gladde en gerimpelde kersepitten, hazelnoten, maanzaad en pitjes van aardbeien''. Van andere vondsten in Valkenburg is bekend dat ook vijgen, mosselen en oesters op het menu stonden.

Met dertien slaapeenheden bood elk barakkenpaar plaats aan 78 soldaten. Tezamen met twee onderofficieren is dat tachtig man voor een peleton (centuria), een legeronderdeel dat onder leiding stond van een centurion. Dat betekent letterlijk "honderd man' en herinnert aan vroegere tijden toen dergelijke eenheden honderd man sterk waren.

Elk barakkenpaar had een ruimte voor de verwerking van graan, een vertrek dat wellicht in verband met het brandgevaar los stond. Op een vuurkuil in het midden van de ruimte werd het graan waarschijnlijk eerst geroosterd. Vervolgens werd het vermalen op een grote stenen graanmolen. Elke centuria produceerde zo zijn eigen meel. Blijkens gereedschappen werd de werkplaats ook gebruikt voor metaalbewerking, waarbij valt te denken aan reparatie van wapens.

In Valkenburg was ook een apart barakkenpaar voor ruiters met aan de ene kant paardenstallen en aan de andere kant slaapplaats voor ongeveer zestig man. Bij de paardenstallen vonden archeologen een uit planken gemaakte bak voor water of voedsel. Ook stonden er stevige palen in de grond waar de paarden aan vast gebonden konden worden. En er zijn resten gevonden van leren zadels en bronzen paardentuig. De Romeinse ruiter had nog geen stijgbeugels.

De vondst van opvallend veel botten van jonge paarden wijst op paardenfokkers, wat niet vreemd is met een afdeling cavalerie in de buurt. De paarden hadden in de Romeinse tijd vaak het formaat van een pony, zoals de skeletten uit Valkenburg bevestigen.

Zeker met de paarden erbij was de behuizing niet ruim, een eigenschap die het moderne leger ook niet vreemd is. In het oudste fort stonden in totaal vier barakkenparen voor infanteristen (320 man) en twee barraken voor ruiters (60 man), totaal 380 man. Deze moesten samen met de zestig paarden leven binnen een rechthoekige omwalling van 108 bij 132 meter (1,4 hectare).

Het eten van de soldaten werd gedomineerd door granen. Onderzoek van de dierlijke botten leert dat de soldaten wat betreft hun portie vlees een sterke voorkeur voor rundvlees hadden (tweederde van alle botten), gevolgd door varkensvlees. Omdat alle onderdelen van de skeletten tevoorschijn kwamen, werden de dieren kennelijk levend ("op de hoef') aangevoerd en pas in het kamp geslacht. Een deel werd ter conservering gerookt, wat sporen achterliet op de botten. Ook vis stond op het menu, vooral karper- en zalmachtigen.

In het hart van het kamp stond het hoofdgebouw met een grote binnenplaats. Hier vonden plechtigheden plaats, stonden in het heiligdom de vaandels en werd ook de legerkas bewaard. In twee gebouwtjes bij de ingang van het hoofdgebouw van het oudste fort werden gezien de concentratie van leerafval schoenen gemaakt of gerepareerd.

Raadselachtig is een groot gebouw in dit eerste fort. Het heeft de kenmerkende vorm van een luxueuze Romeinse woning met de vertrekken gegroepeerd rond een met zuilen omgeven binnenhof, het perystilium dat teruggaat tot de Griekse tijd. In het midden hiervan lag een houten bak van elzenhout voor opvang van regenwater. Evenals de centurionwoningen was het gebouw keurig aangeveegd. De schedel van een lynx was mogelijk een trofee.

Aanvankelijk is het gebouw door de opgravers geinterpreteerd als woning van de legercommandant. Maar daar is het in vergelijking met andere forten van dit formaat erg groot voor. De waterbak komt veel voor bij militaire werkplaatsen ("fabricae') zodat ook wel is gesuggereerd dat het gebouw die functie had. Vreemd is dan wel dat ondanks de goede conservering van de sporen niet, zoals in andere plaatsen in het kamp, duidelijke resten van metaal- en leerbewerking zijn aangetroffen.

Er is nog niet gedacht aan de mogelijkheid dat het gaat om een tijdelijk onderkomen voor keizer Caligula zelf, een soort luxe versie van de tent voor de veldheer. Opvallend is dat juist in dit gebouw het wijnvat met de naam van de keizer is gevonden. Als dit inderdaad het onderkomen van Caligula is geweest, zal het weinig indruk hebben gemaakt op de keizer die volgens Suetonius ""alle verkwistingen overtrof''.

Het rechthoekige kamp ("castellum') was aanvankelijk omgeven met een wal uit graszoden die nog tot 1,4 meter hoogte bewaard is gebleven bij een oorspronkelijke hoogte van naar schatting 1,8 meter (zie kader). Buiten de wal lagen volgens opgraver Van Giffen drie spitsvormige grachten.

Op de wal en boven de poorten stonden eigenaardige rechthoekige torens, bestaand uit een verhoogd platform op vier of zes palen. Het merkwaardige uiterlijk hiervan is bekend dankzij afbeeldingen van houten kampen op de zuil van Trajanus in Rome. Opmerkelijk is het ontbreken van kantelen: op de Romeinse afbeelding is een eenvoudig hekwerk weergegeven. De torens hadden kennelijk vooral een uitkijkfunctie. Een langdurige belegering was niet het uitgangspunt.

De houtsamenstelling van een overbeschoeiing illustreert dat het milieu in de omgeving werd belast. Rond het jaar 100 groeiden in de bossen nog volop de es. Een eeuw later is deze boomsoort door ontbossing een stuk zeldzamer geworden en moest het inferieure hout van de els worden gebruikt.

Onthullend is het grafveld. Geen grote bouwwerken zoals die bekend zijn uit plaatsen als Nijmegen en Maastricht, maar bescheiden monumenten in de vorm van bijvoorbeeld een aarden heuveltje. Wie geluk had kreeg een kleine grafgift mee zoals het zuigflesje bij een babygraf, een kralenketting, een gesleten munt of glaswerk. De dode kreeg ook wel voedsel mee, waaronder linzen en gerst.

De begravenen zijn naar Romeinse maatstaven lang. Acht mannen hadden een gemiddelde lengte van 177,9 centimeter. Bij de gebitten valt op dat ze sterker gesleten zijn dan tegenwoordig doordat het voedsel destijds veel grovere bestanddelen bevatte. De Romeinen kende geen suiker en maakte schaars gebruik van honing. Van 475 onderzochte kiezen en tanden bevatte slechts 8,2 procent gaatjes ("caries').

Opvallend is het grote aantal begraven zuigelingen en kinderen. Dat lijkt opmerkelijk, maar strookt met de demografische opbouw. De kindersterfte was hoog waardoor de gemiddelde levensverwachting van een pasgeborenen rond de 20 jaar lag. Veel soldaten lieten tijdens hun 25 jarige diensttijd in Valkenburg het leven, vaak niet door oorlogsgeweld maar als gevolg van een natuurlijke dood.

Uit microscopisch kleine schelpdiertjes wijzen erop dat de bewoners veel last hadden van de Rijn met de fluctuerende waterstanden van eb en vloed. In het jaar 123 of 124 moest de weg door het dorp zelfs worden verlegd, zo blijkt uit de datering van het gebruikte hout.

De Romeinen verweerden zich nog niet met dijken, maar er is in Valkenburg wel een sluis gevonden van essenhout die moest voorkomen dat het water bij vloed de sloten instroomde. Daartoe werd op het punt waar een sloot op de rivier uitkwam een dam gebouwd met een holle boomstam er doorheen. Een eikenhouten klep die draaide om een houten as, zorgde ervoor dat het slootwater bij eb de rivier kon instromen, terwijl de klep bij vloed sloot en het rivierwater tegenhield.

De Romeinse auteur Tacitus schrijft klagend over het ""onplezierig klimaat'' in een landschap dat ""een gruwelijke aanblik biedt aan ieder die er niet is geboren en getogen''.

Voor de archeologen kan het daarentegen niet vochtig genoeg zijn. Het drassige fort Valkenburg biedt hen een unieke kijk op het leven in en rond een Romeins fort in de eerste eeuwen van onze jaartelling.

E. Bult en D. Hallewas: Graven in Valkenburg, deel I, II en III, Eburon, Delft.

Kader 1:

Het fort bij Valkenburg is tot nu toe het enige Romeinse fort waarvan de omwalling volledig valt te reconstrueren. De opgravingen geven ook interessante inzichten in de overgang naar de latere stenen ommuring.

De wal van het oudste fort voldoet bijna volledig aan de Romeinse voorschriften. De wal was gefundeerd op een dubbele laag liggende stammetjes. Aan voor- en achterzijde waren van graszoden twee voet (60 centimeter) brede muurtjes opgebouwd met aarde ertussen. Een laddervormig houten raamwerk zorgde voor dwarsverbanden.

De aarden wal stond nog tot 1,4 meter hoogte overeind, waarschijnlijk zo'n driekwart van de oorspronkelijke maat. De onderkant van een greppel, waarin waarschijnlijk de houten borstwering stond, was nog net zichtbaar. De wal kan dan zes voet (1,8 meter) hoog zijn geweest, een hoogte die de tweede-eeuwse auteur Hyginius adviseert.

De tweede wal die bij een verbouwing werd aangelegd, is zo goed bewaard gebleven dat het om het enige volledig reconstrueerbare voorbeeld uit de Romeinse tijd gaat.

Binnen een bekisting van horizontale planken van iepenhout werd tot 2 meter hoogte aarde gestort. Deze bekisting werd vanachter gesteund door schuine stutten die tijdens de opgraving nog aanwezig waren. De 2,3 meter brede weergang werd beschermd door een houten borstwering met 1,4 meter brede kantelen.

Eind tweede eeuw werd een stenen muur aangelegd. Een deel daarvan is in de gracht gevallen en daardoor redelijk intakt gebleven. Hoewel het materiaal van de omwalling van het fort in de loop der eeuwen veranderde, bleef de hoogte vrij constant. De verandering in materiaalkeuze weerspiegelde niet zozeer een streven naar grotere verdedigingskracht, maar veeleer een behoefte aan grote duurzaamheid.

Kader2:

Vijftig jaar later

Prof.dr H. Brunsting (89) blijft plotseling staan, aarzelt even en tikt dan met zijn wandelstok op de grond. ""Hier vonden we het stenen altaar van het hoofdgebouw, het was meteen raak''. Na vijftig jaar kan hij zich nog goed herinneren hoe het Romeinse fort bij Valkenburg werd ontdekt. Hij herkent nog verschillende plekken op de dorpsheuvel, hoewel veel is veranderd:

""Het dorp was mei 1940 tijdens de gevechten om het vliegveld vooral in het centrum bij de kerk verwoest''. Dat bood de Groningse hoogleraar prof.dr. A.E. van Giffen de gelegenheid in 1941 een archeologisch onderzoek in te stellen naar de geheimen van de dorpsheuvel, bekend om zijn oude Romeinse vondsten. Prof. Brunsting, de assistent van Van Giffen, had de eerste drie weken de dagelijkse leiding en ontdekte in die tijd een kompleet Romeins fort dat nu nog tot ver over de grenzen bij archeologen beroemd is.

Brunsting promoveerde in 1937 op Romeins aardewerk uit een Nijmeegs grafveld en introduceerde in zijn proefschrift een aardewerktypologie die nog steeds wordt gebruikt - een Romeinse scherf "van Brunsting type 1' is een begrip voor Nederlandse archeologen. Vier jaar later mocht Brunsting in Valkenburg aan de slag.

""Het was een chaotisch begin, alleen de burgemeester wist ervan'', herinnert hij zich de eerte dag. ""Ik kwam 12 juni aan en zwierf eerst wat door het dorp. Het opgravingsmateriaal moest nog komen, want het vervoer was traag, het was immers oorlog''. Maar dezelfde oorlog had ook voordelen: ""In Den Haag waren goed gezinde ambtenaren geneigd werklozen in het kader van de werkverschaffing beschikbaar te stellen om ze zo uit Duitsland te houden''.

Het was bij het eerste onderzoek al snel ""honderd procent raak''. Brunsting, staand bij de plaats waar het stenen altaar tevoorschijn kwam, vertelt: ""Een vergelijkbaar altaar was al gevonden in het hoofdgebouw van het Romeinse fort in Utrecht. Aan beide kanten van het Valkenburgse altaar vonden we een paar muursporen, een prachtige symmetrie. Ik dacht onmiddelijk aan de zijgebouwtjes van het militaire hoofdgebouw en heb snel Van Giffen gebeld''. Hij moest de hoogleraar elke dag telefonisch op de hoogte houden, wat in die tijd niet altijd even makkelijk was. ""Soms was je wel een uur bezig om verbinding te krijgen''.

Brunsting loopt via een schoolplein naar een sloot die bij een bruggetje een rare kronkel maakt en er vijftig jaar geleden ook zo bijlag. ""Daar zie je een ronde hoek zoals alle Romeinse vestingen die hadden, precies op de plek waar je de hoek kan verwachten''. Met de ontdekking van het hoofdgebouw en een hoek van de meestal rechthoekige ommuring, liet de plattegrond zich snel reconstrueren.

Brunsting rekende uit waar een belangrijke poort zou moeten liggen en stak met succes de spade in de grond, een plek die hij zich vijftig jaar later nog herkent. Na wat rondneuzen loopt de archeoloog over het dorpsplein naar een rechthoek die enkele jaren geleden bij de kerk is opgemetseld uit tijdens de opgraving gevonden Romeins tufsteen. ""Hier vonden we het stenen poortgebouw. Ik kwam op dit punt terecht door op basis van de gebruikelijke symmetrie de plattegrond van het fort naar de andere kant om te klappen''.

Een andere hoek van het fort was herkenbaar als een kleine hoogte in het terrein, en daarmee was het plaatje kompleet. Brunsting: ""Zo hadden we in drie weken de contouren van het castellum en de ligging van het hoofdgebouw vastgesteld''. Ook was duidelijk geworden dat het fort ten minste twee keer was herbouwd. Het aanvankelijk geheel houten fort had in een later stadium een hoofdgebouw en verdedigingsmuur uit steen gekregen.

De contouren van Romeinse muren zijn gedeeltelijk met gele stenen in de bestrating aangegeven, maar verder is van het fort niet veel meer te zien dan een bult en wat losse restanten. Een grindpad van een tuin is opgesierd met stukken tufsteen en in een berg aarde ligt een stuk antiek beton, een van de weinige Romeinse uitvindingen.

Brunsting vindt het jammer dat tijdens de verdere opgraving veel van dergelijke bouwmaterialen niet bewaard zijn. Zo stuitte hij bij het eerste onderzoek van het hoofdgebouw op cilindervormige stukken stuc, de bekleding van zuilen. ""Bij het op grote schaal graven mis je dat soort dingen''. Van Giffen liet wel op nauwkeurige wijze de sporen intekenen.

Brunsting heeft Van Giffen acht jaar van dichtbij meegemaakt: ""Hij was bioloog en van begin af aan geinteresseerd in oudheden en wist dat te combineren. In Groningen begon Van Giffen het Biologisch Archeologisch Instituut (BAI). Hij wist via verschillende kanalen geld bijeen te brengen en was goed thuis in de Haagse wereld waar hij regelmatig ging anti-chambreren. Ook had hij vrienden in besturen van verenigingen die subsidie gaven''.

Bij opgravingen van terpen in Noord-Nederland verdiende Van Giffen geld met het na de opgraving verkopen van terpaarde. Brunsting: ""Aanvankelijk ging dat moeilijk omdat de aarde door afnemers besmet werd verklaard. Maar dat was op een gegeven moment over. Bij zijn afgraving bij Ezinge hield hij na aftrek van de opgravingskosten zelfs geld over''.

Na drie weken vooronderzoek werd Brunsting door Van Giffen uit Valkenburg naar Groningen teruggeroepen. Wel kwam Brunsting af en toe nog kijken als bij de grootscheepse opgraving iets bijzonders werd gevonden: ""Ik was er onder meer bij dat ze het toilet vonden in de centurionwoning: een eenvoudig plankier met een gat en een afvoer naar een beerput buiten de woning''.

Brunsting bezocht ook de bij de kerk gevonden resten van de stenen muur van het laatste Romeinse fort, en zag zo met eigen ogen hoe het castellum aan zijn einde was gekomen: ""Van de muur stonden nog een paar lagen tufsteen overeind. Daarboven kon je duidelijk een sleuf zien die naar onze mening was ontstaan doordat er met stormrammen op de muur was gebeukt, waarna de muur in de gracht was gevallen. Je kon duidelijk zien dat het bovenste deel van de muur bij het vallen de hoogste snelheid kreeg enop de grond in stukjes uiteen viel''.

Tekening: Tekening van het poortgebouw. Het gebouw is van het 14-paaltype met flankerende torens. Onder: plaatsing van de palen, de wal en de sloot.

6-10 Handbal EK-kwalificatieronde (met Nederland) vrouwen