Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politie, recht en criminaliteit

De verlossing

Alle mogelijke voorzorgsmaatregelen waren getroffen voordat huisarts H. Hendriks er in toestemde om een 25-jarige patiënte die al zeventien jaar leed aan een ernstige vorm van anorexia nervosa, te helpen bij zelfdoding. Toch begon Justitie een strafzaak. De bedoeling werd pas later duidelijk: de overheid wilde via een proefproces een rechterlijk oordeel krijgen over euthanasie bij een ziekte met psychische aspecten. ""Terwijl wij juist de patiënt centraal stellen, krijg je dit cadeautje: U wordt verdacht van moord. Voor de ouders betekende het proces een ramp. Ikzelf voel me misbruikt door Justitie.''

Op 31 oktober 1990 maakte de 25-jarige Maria de Vries* een einde aan haar leven door een borrelglas secobarbital, een zwaar slaapmiddel, te drinken. Het medicijn was haar aangereikt door haar arts, dr. H. Hendriks. Bij haar dood woog Maria 19 kilo, zij was 1.44 meter lang. Maria had vanaf haar vroege jeugd geleden aan een extreme vorm van anorexia nervosa. In een brief aan haar arts schreef zij op 25 oktober 1990: ""...ik houd het niet langer vol. Ik wil nu de grote verlossing. (...) Alstublieft, help mij.''

Hendriks had, voordat hij inging op het verzoek van zijn patiënte, geprobeerd zoveel mogelijk te voldoen aan alle zorgvuldigheidseisen waaraan medici bij het geven van hulp bij zelfdoding moeten voldoen. Tot zijn verbazing stelde het Openbaar Ministerie vervolging tegen hem in. Voordat het tot een openbare rechtszitting kon komen, diende zijn advocaat, mr. E.Ph.R. Sutorius, een bezwaarschrift in bij de rechtbank omdat er naar zijn mening sprake was van een ""lichtvaardige vervolgingsbeslissing''.

Ruim een jaar na de dood van Maria, op 20 december 1991, stelde de rechtbank in een besloten zitting van de raadkamer Hendriks in het gelijk. Volgens de rechter had hij terecht hulp verleend bij de zelfdoding van Maria. Daarmee deed de rechter voor het eerst een uitspraak over een geval van hulp bij zelfdoding waarbij sprake was van voornamelijk psychisch lijden. Opmerkelijk was bovendien dat de officier van justitie zelf tijdens de rechtzitting in de raadkamer vond dat de verdachte arts buiten vervolging gesteld diende te worden. Daarmee werd duidelijk dat het voor de arts en de nabestaanden van de jonge vrouw uiterst pijnlijke strafproces, voor Justitie slechts een proefproces was, bedoeld om het oordeel van de rechter te krijgen. De euthanasiewetgeving die op 8 november vorig jaar door minister Hirsch Ballin (justitie) en staatssecretaris Simons (volksgezondheid) naar de Tweede Kamer werd gezonden, maakt geen onderscheid tussen lichamelijk en psychisch lijden. Rechterlijke uitspraken in proefprocessen moeten uitwijzen of daartussen onderscheid kan en moet worden gemaakt. Dit is het verhaal achter zo'n proefproces.

Uithongering

Volgens haar ouders, die in het gerechtelijk vooronderzoek tegen Hendriks gehoord werden, beginnen de problemen met Maria tijdens een zomervakantie in 1973 als zij bijna acht jaar oud is. Van de ene op de andere dag weigert ze snoep, frisdrank en voedsel. In korte tijd loopt haar gewicht terug van dertig naar negentien kilo. In januari 1974 wordt zij voor het eerst opgenomen in het ziekenhuis om behandeld te worden voor eetstoornissen. Al spoedig bleek het om een ernstige vorm van anorexia nervosa te gaan. In het ziekenhuis komt zij ook voor het eerst in contact met Hendriks, die kinderarts is, maar die haar blijft behandelen ook wanneer ze volwassen is.

Anorexia nervosa is een psychisch syndroom waaraan voornamelijk jonge vrouwen lijden. Het hardnekkig weigeren van voedsel leidt op den duur tot een toestand van uithongering waarbij lichaamstemperatuur, bloeddruk, stofwisseling en bloedsuikergehalte dalen en de menstruatie achterwege blijft. Opmerkelijk is dat doorgaans de psychische activiteit van de patiënten normaal blijft.

Schattingen over het aantal anorexia patiënten in Nederland zijn nauwelijks te doen omdat er nooit een epidemiologisch onderzoek naar dit ziektebeeld is gedaan. Wel is duidelijk dat de ziekte zich niet altijd zo extreem uit als bij Maria.

Over de oorzaken van anorexia nervosa is weinig bekend. De ouders zeggen tegen de rechter-commissaris dat artsen aanvankelijk dachten dat de oorzaak bij hen lag. ""Een arts heeft haar zelfs een weekend naar het eigen huis meegenomen. Al na een dag belde hij ons en bood zijn excuses aan: ook hij kon er geen voedsel in krijgen.''

Na de eerste ziekenhuisopname verblijft Maria tot aan haar dood regelmatig in klinieken en jeugdpsychiatrische inrichtingen. Daar wordt ze telkens via sondevoeding (via een buisje door de neus) op een voor haar aanvaardbaar gewicht gebracht: 25 kilo. Alle mogelijke therapieën worden tevergeefs op haar uitgeprobeerd. Ook gezinstherapie. ""Dat hebben we hier ook gedaan, twee jaar lang'', zegt Hendriks nu. ""Dan zaten vader, moeder, haar jongere broer Ernst en Maria zelf drie kwartier te praten met een psycholoog. Bekeken werd bijvoorbeeld hoe overheersend de beide ouders waren. Hoe grijpen ze in als hun dochter zich misdraagt. Soms werd Maria tijdens die gesprekken geweldig boos en gooide ze de hele rotzooi ondersteboven. Het was allemaal zeer moeizaam.''

""Maria was heel hard voor zichzelf'', zeggen haar ouders tegen de rechter-commissaris. ""Ze was altijd koud maar wilde geen warme kleding. Ze sleepte zich tot op het laatst voort op haar wilskracht, terwijl haar lichaam eigenlijk niet meer kon. Ze liep hele stukken, fietste lange afstanden, ook bij slecht weer. Vaak zijn wij bang geweest dat ze door onderkoeling of door een windvlaag van haar fiets zou vallen. Vanuit een inrichting, waar ze verbleef, werd wel eens gebeld dat ze weg was. Later werd ze dan met een slaapzak om gevonden tegen een boom.''

Angsten

Een belangrijk aangrijpingspunt voor het justitieel onderzoek tegen Hendriks na Maria's dood was de vraag of de patiënte wel over haar volledige geestesvermogens beschikte en of de arts op haar verzoek had mogen ingaan. De aanleiding voor die twijfel was wellicht het feit dat Maria regelmatig klaagde over angsten, dat zij last had van dwangmatig handelen en regressief gedrag. ""Het getal vijf had voor haar een magische betekenis'', herinnert Hendriks zich. ""Dat koppelde ze aan dwangmatige handelingen. Ze moest bijvoorbeeld vijf keer de gang op en neer lopen anders kon ze niet gaan slapen. Bij haar moeder thuis had ze ook altijd de neiging om alles extreem op te ruimen, schoon te maken, te ordenen. Als ze een paar dagen bij haar moeder logeerde, was op een zeker moment de hele diepvries leeg. De inhoud vond haar moeder dan terug in de afvalbak. Alles moest leeg. Ook op haar kamer. Het enige wat ze bezat, was een bed, een stoel en een tafel, een paar studieboeken en een paar sportschoenen. Misschien een heel klein prentje aan de muur. Verder niks.''

Haar moeder vertelt aan de rechter-commissaris: ""Hoewel ze al ruim twintig was en goed begaafd, wilde ze het liefst kind zijn. Baby zelfs. Ze kroop in foetushouding bij mij op de bank. Ze wilde ook graag op schoot zitten. Ze had zelfs een baby-flesje waaruit ze zoog.'' Haar vader: ""Ze wilde zo graag weer baby zijn; helemaal opnieuw beginnen.''

Maar van een ziekelijke geestelijke stoornis was geen sprake, getuige onder meer het rapport van de psychiater die Hendriks een week voor de dood van Maria bij de zaak betrok. ""Bij onderzoek zie ik een klein zeer mager meisje dat met een iel stemmetje spreekt'', schrijft de psychiater. ""Het bewustzijn is helder, de oriëntatie intact.'' Hij concludeert: ""Er is geen actueel psychiatrisch toestandbeeld vast te stellen.''

Normaal gezin

Als Maria achttien is, in 1983, gaat ze op kamers wonen. Ondanks haar ziekte en de voortdurende opnames in ziekenhuizen maakt ze een jaar later haar VWO-opleiding af en begint ze aan een hogere beroepsopleiding. Maria wordt dan al twee jaar door medici beschouwd als "uitbehandeld'. ""Geen therapieën waren meer mogelijk, niks hielp, het was een verloren zaak'', zegt Hendriks. ""Ik heb de laatste jaren sterk het gevoel gehad dat ik eigenlijk bezig was met stervensbegeleiding.''

In 1984 komt het tussen de ouders van Maria tot een echtscheiding. Vanaf het midden van de jaren tachtig begint het ook mis te lopen met Maria's jongere broer Ernst. Hij krijgt problemen op school en is volgens artsen manisch-depressief. Over de oorzaak daarvan wordt in het duister getast. ""Wellicht kreeg Ernst die problemen doordat altijd alle aandacht gericht was op zijn zusje'', oppert Hendriks. ""Maar het blijft een raadsel waarom het met die twee kinderen zo verkeerd ging. Het was verder een heel normaal gezin. Eigenlijk denk ik dat zij beiden een chemische stoornis hadden in de hersenstof.''

Tegenover de ziekenhuispastor uit Maria in 1985 voor de eerste keer haar wens om te sterven, maar ook bij haar broer blijkt die wens te bestaan. De beide kinderen jagen hun ouders de stuipen op het lijf door, wanneer ze samen thuis zijn, alleen maar te praten over allerlei medicijnen die geschikt zijn om zelfmoord mee te plegen. Zes maanden voor de dood van Maria maakt Ernst een eind aan zijn leven met behulp van een camping-gasflesje en een plastic zak. Dan wordt ook duidelijk dat de kinderen eerder hadden afgesproken samen gelijktijdig zelfmoord te plegen.

Volgens haar vader is de dood van Ernst voor Maria het definitieve keerpunt. ""Ze wilde vanaf dat moment ook niet meer leven.'' Tijdens de plechtigheid bij de crematie van haar broer spreekt Maria in het openbaar haar doodswens uit: ""Ik zal gauw naar Ernst gaan, dat was zijn wens. Hij roept mij.'' Maar ze wil niet sterven als haar broer. Dat leed wil ze haar ouders besparen. Daarom klopt ze aan bij haar arts met wie ze gedurende vijftien jaar een innige band heeft opgebouwd. Ze wilde het zo schoon mogelijk laten gebeuren, verklaart haar moeder later.

Euthanasie

Eind 1990 wil Maria niet meer verder. Inmiddels heeft ze haar studie afgerond en al een jaar gewerkt. Ze meldt zich op 13 oktober bij Hendriks die uitputting constateert, haar lichaamstemperatuur is 35,2 graden Celcius, haar gewicht 20,3 kilo. Hendriks besluit tot opname in het ziekenhuis. Maria stelt via de ziekenhuispastor euthanasie aan de orde. Voor Hendriks kwam dat verzoek niet onverwacht. Zij had ook hem al vaker om hulp gevraagd. ""Zij heeft mij een paar keer verzocht om haar een zakje met tabletten te geven. Maar ik heb steeds tegen haar gezegd dat ik dat niet kon doen. Ik zou niet met dat geheim kunnen blijven rondlopen.''

Hendriks vreest dat de vrouw aan uithongering zal overlijden of op een ongewenste manier zelfmoord zal plegen, tegelijkertijd ziet hij geen mogelijkheden om de patiënte te behandelen, daarom besluit hij ditmaal op het verzoek in te gaan. ""Toen ik weer hetzelfde verzoek van dezelfde patiënt kreeg, en ik hetzelfde rampzalige gevoel had als zij, een machteloos gevoel van niks helpt, besloot ik het te doen. Nadat ik had gezegd dat ik haar zou helpen, ging ik nadenken: wat moet er allemaal gebeuren?''

Samen met zijn patiënte neemt Hendriks de richtlijnen euthanasie door die een jaar eerder door het ziekenhuis met medewerking van de lokale hoofdofficier van justitie waren opgesteld. Wanneer artsen de zorgvuldigheidseisen in acht nemen die in dit protocol worden gesteld, zou de kans op vervolging minimaal zijn. Officieel zijn euthanasie en hulp bij zelfdoding levensdelicten, opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. ""Het was haar wens en ook de wens van haar ouders dat het nooit zover zou mogen komen dat ik voor mijn hulp aan haar problemen met justitie zou krijgen'', verklaart Hendriks later tegen de rechter-commissaris.

De zorgvuldigheidseisen die het ziekenhuisprotocol stelt, zijn vrijwel gelijk aan de lijst waar de vergadering van procureurs-generaal (de hoogste ambtenaren van het Openbaar Ministerie) het op 25 oktober 1990 - precies de dag voordat Maria haar verzoek nog eens schriftelijk aan Hendriks doet - het over eens wordt. Het gaat voornamelijk om eisen die het justitie achteraf mogelijk moeten maken te kunnen toetsen of de arts juist gehandeld heeft. Zo moet de ziektegeschiedenis en de besluitvorming nauwkeurig gedocumenteerd zijn, er moet een schriftelijk of op geluidsband vastgelegd verzoek zijn van de patiënt die zelf vrijwillig en weloverwogen het initiatief moet nemen. De toestand waarin de patiënt verkeert, moet uitzichtloos zijn en de arts moet zijn beslissing nemen in overleg met ten minste één onafhankelijke collega.

Ethisch onverantwoord

Om zich achteraf zo optimaal mogelijk te kunnen verantwoorden, vraagt Hendriks twee collega-artsen in het ziekenhuis om advies, een internist en een psychiater. Maar ook de ziekenhuispastor, een psycholoog verbonden aan het ziekenhuis en de huisarts van Maria worden tevoren van de voorgenomen euthanasie in kennis gesteld. De geconsulteerde collega's delen de mening van Hendriks. ""Niet op haar wens ingaan lijkt me in feite ethisch onverantwoord'', schrijft de ziekenhuispastor. De internist en de psychiater concluderen eveneens dat aan Maria's verzoek tegemoet moet worden gekomen.

Hendriks overlegt tevoren met de gemeentelijke lijkschouwer - een medicus die alle gevallen van overlijden controleert en Justitie moet inlichten bij niet-natuurlijke dood. Deze functionaris adviseert Hendriks om niet zelf euthanasie toe te passen (door middel van een injectie). De lijkschouwer acht het beter wanneer gekozen wordt voor hulp bij zelfdoding.

Maria werkt ondertussen mee om Hendriks zoveel mogelijk te ontlasten. Behalve het officiële formulier voor de "wilsbeschikking' van een patiënt, schrijft zij de brief waarin zij haar wens nog eens formuleert. Zij geeft Hendriks ook een cassettebandje met daarop de toespraak die zij gehouden heeft bij de crematie van haar broer. Bovendien laat zij haar vader kort voor de datum een video-opname maken, waarop zij haar stap uitvoerig toelicht. Daarop zegt zij onder meer: ""Ik ben heel langzaam, in de 25 jaar die ik nu oud ben, naar de dood toegegroeid. Ik zie de dood niet als een straf maar als een verlossing uit mijn lijden. Ik kijk er naar uit zoals je kunt uitkijken naar een groot feest. Sinds ik weet dat de verlossing nabij is, ben ik weer gelukkig. Ik wil graag vredig doodgaan, maar ik wil dat jullie altijd onthouden dat ik er gelukkig mee ben.''

Volgens Hendriks heeft de lijkschouwer de zaak ook nog vooraf informeel en zonder namen te noemen voorgelegd aan het Openbaar Ministerie. De hoofdofficier van justitie in het betreffende arrondissement bevestigt een telefoontje te hebben ontvangen van de lijkschouwer. ""Het was echter zuiver een informatieve mededeling. Wellicht bedoeld om vooraf ons oordeel te horen, maar dat is niet onze taak. Wij toetsen achteraf.'' Op het allerlaatste moment blijkt wel dat de inspecteur van de volksgezondheid het met de voorgenomen zelfdoding niet eens was. Hij vindt dat het niet door mag gaan. Hendriks: ""Dat kon hij wel vinden, maar ik zat al met het flesje secobarbital in mijn hand. Het ging wel door.''

Gifbeker

Op 1 november 1990 maken twee rijkspolitiemensen proces-verbaal op. Hendriks verklaart: ""Op 29 oktober 1990 is Maria naar de woning van haar moeder gebracht, daar zij te kennen had gegeven, daar te willen overlijden. Op 31 oktober 1990 heb ik Maria 6 tot 8 gram secobarbital gegeven, wat ze zelf heeft opgedronken. Hierna is zij in slaap gevallen. Na ongeveer een uur is de dood ingetreden.''

Tegenover de rechter-commissaris verklaart de vader van Maria: ""'s Middags ben ik naar het huis van mijn ex-vrouw gegaan waar mijn dochter verbleef. Dr. Hendriks en de pastor kwamen ook. Tevoren wilde Maria volledig schoon zijn. Ze had niets gegeten en alleen maar water gedronken. Dr. Hendriks heeft nog wat gezegd en wat uitgelegd. De pastor heeft volgens mij niet zoveel gezegd. Tot het laatst toe heeft Maria volledig vertrouwen in dr. Hendriks getoond. Ze heeft het drankje ingenomen en heeft iedereen, ook dr. Hendriks, ter afscheid gezoend. Ze was tot het laatst toe helder van geest. We hadden gedacht dat het nog wel even zou duren voor het middel effect zou hebben. Het bleek echter allemaal razendsnel te gaan: ze sliep snel in en overleed kort daarna.''

Hendriks is er vast van overtuigd juist gehandeld te hebben. Toch was het moment zelf voor hem niet makkelijk. ""Het is heel emotioneel om iemand, met wie je bovendien jarenlang contact hebt gehad, een gifbeker voor te zetten. Dat druist ontzettend in tegen je gebruikelijke op genezing gerichte medische optreden. Ik heb Maria twee dagen te voren verteld hoe het zou gaan: geen injectie maar een drankje. Ik had wel een spuitje bij me, voor het geval dat ik het flesje zou laten vallen. Dat zou rampzalig geweest zijn. Daar kan ik nog van wakker liggen.''

Strafzaak

Justitie stelt in het voorjaar van 1991 een onderzoek in naar de omstandigheden waaronder Maria is overleden. ""Omdat het ging om zo'n jonge patiënte die bovendien leed aan een ziekte met psychische aspecten, was dit een zaak die ik grondig wilde bekijken'', zegt de hoofdofficier van justitie. Tegelijkertijd dient zich ook de geneeskundig-inspecteur aan bij Hendriks. Behalve een strafzaak dreigt nu ook een medische tuchtzaak. Op advies van zijn advocaat, mr. Sutorius, houdt Hendriks een gesprek met de inspecteur af.

""Ik was er niet zo voor om mijn cliënt in die fase met de inspectie te laten spreken'', zegt Sutorius. ""In tegenstelling tot het meer met waarborgen omklede strafrecht, is het de gewoonte van de geneeskundige inspectie om een dokter gewoon alles te laten verklaren wat eventueel ook tegen hem gebruikt kan worden. Zonder enige check gaat zo'n dossier meteen door van de burelen van de inspectie naar het Openbaar Ministerie. Daar kan dan worden vastgesteld dat het bewijs rond is. Procedureel is dat allemaal niet erg fraai.''

Met de geneeskundige inspectie op afstand, verhoort Justitie als getuigen de collega's van Hendriks, de pastor, de lijkschouwer en de huisarts. Later, in het najaar als het gerechtelijk vooronderzoek formeel eigenlijk al is gesloten, worden ook nog de ouders gehoord. In bedekte termen geeft de rechter-commissaris, die de ouders hoort, aan dat de zaak hem tegen de borst stuit. In het proces-verbaal van het getuigenverhoor noteert hij: ""Onbegrijpelijk is het voor de ouders dat de handelwijze van deze arts nu in een soort proefproces omtrent de toelaatbaarheid en strafbaarheid van het wellicht grensverleggend handelen aan het oordeel van de strafrechter moet worden onderworpen.''

In het vooronderzoek wordt ook de mening gevraagd van drie getuigen-deskundigen: de internist prof.dr. C. van der Meer, drs. H. van Agteren, het hoofd van de Ursula-kliniek in Wassenaar, en de ethicus dr. H.M. Kuitert. Justitie lijkt vooral geïnteresseerd in de vraag of het lijden van Maria wel zo ernstig was dat hulp bij zelfdoding de aangewezen weg was, maar twijfelt ook aan de wilsbekwaamheid van de patiënt en wil weten of Hendriks als kinderarts wel bevoegd was om deze 25-jarige vrouw te behandelen.

De verklaringen van alle getuigen wijzen in dezelfde richting: Hendriks valt niets te verwijten. Het feit dat hij als kinderarts betrokken bleef bij zijn patiënt is volgens de deskundigen niet relevant, integendeel, op dit punt wordt hem zelfs lof toegezwaaid. Van Agteren van de Ursula-kliniek schrijft: ""Hij was behandelaar en heeft de morele moed opgebracht de gegroeide therapeutische relatie als behandelaar consequent en consistent te vervolgen.''

Handelingsbekwaam

De toestand waarin Maria verkeerde toen zij haar laatste verzoek deed, wordt omschreven als "erbarmelijk' (Van der Meer) en als een van een ""ver voortgeschreden ontluistering van haar persoon'' (Kuitert). Maar over de "handelingsbekwaamheid' van Maria bestaat bij de deskundigen geen twijfel: die blijkt volgens Van Agteren uit ""de overtuigende en consistente wijze waarop mevrouw De Vries hulp bij haar overlijden heeft gezocht''. Volgens Kuitert was Maria blijkens de rapportage van de psychiater ""wilsbekwaam en bovendien intelligent genoeg om te weten waar ze aan toe was en wat ze vroeg''. Een bewijs daarvoor is volgens Kuitert de videoband: ""De wil (en de moed) om die band te maken laat zien dat ze compos mentis was ten tijde van haar verzoek''. De ethicus concludeert: ""Mijns inziens was dit de weg voor dr. Hendriks om tegenover zijn patiënte onbarmhartigheid te vermijden.''

Wanneer het gerechtelijk vooronderzoek wordt afgesloten, acht de hoofdofficier van justitie het verantwoord de zaak te seponeren. De vergadering van procureurs-generaal, aan wie alle gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding dienen te worden voorgelegd, beslist echter anders. Minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Simons beraden zich in deze periode over een wettelijke regeling die neerkomt op een voorwaardelijke legalisatie van euthanasie en hulp bij zelfdoding. In de brief die de bewindslieden begin november naar de Tweede Kamer sturen, wordt echter expliciet gesteld dat zij het ""gewenst achten dat de rechter zich nader uitspreekt'' over (onder meer) gevallen waarbij de patiënt geestelijk gestoord is en er dus twijfel is aan de waarde van zijn ""uitdrukkelijk verzoek'' tot levensbeëindiging.

Terwijl de hoofdofficier zelf op het standpunt staat dat de zaak geseponeerd dient te worden, krijgt hij van de procureurs-generaal de opdracht om te vervolgen. De twijfel aan de geestelijke vermogens van Maria en daarmee aan het feit of haar verzoek inderdaad ""weloverwogen'' was, wordt door het Openbaar Ministerie aangegrepen om verdere vervolging in te stellen. Maar tijdens de rechtszitting concludeert de officier tot buiten-vervolgingstelling van de verdachte. ""De PG's namen die beslissing niet omdat ze een afkeurend oordeel wilden geven over wat Hendriks had gedaan'', zegt de hoofdofficier. ""Het was zuiver de bedoeling een rechterlijk oordeel te krijgen over het grensverleggend handelen van deze arts.'' En hij voegt er aan toe: ""Zelf had ik moeite met de vervolgingsbeslissing omdat het zo'n gevoelige zaak is waarachter veel menselijk leed schuil gaat. Daar zou je ook rekening mee moeten houden. Aan de andere kant had ik ook respect voor de zienswijze van de procureurs-generaal: dat zijn de regels van het spel. Maar je doet het met verdriet in je hart omdat je weet dat je iemand die het zeker niet verdient in moeilijkheden brengt.''

Sutorius vindt het optreden van Justitie aanvechtbaar: ""Je gaat toch geen mensen vervolgen die niet strafbaar zijn, wat is dat nou? Omdat ik me kan voorstellen dat het OM in voorkomende gevallen het oordeel van de rechter wil horen, zou het beter zijn om het proefproces als aparte vorm te introduceren in het strafrecht. Iedereen weet dan op voorhand dat de "verdachte' geen kwaje boef is. Bovendien zou de overheid alle proceskosten moeten betalen. Zoals het nu gegaan is, heeft de officier van justitie zijn bevoegdheden op een oneigenlijke manier gebruikt.''

""Het lijkt wel of Justitie geen oog heeft voor het geval'', zegt Hendriks. ""Terwijl wij juist de patiënt centraal stellen, waar je het hartstikke moeilijk mee hebt, ook emotioneel, krijg je dit cadeautje: U wordt verdacht van moord. Voor de ouders betekende het proces een ramp. Ikzelf voel me misbruikt door Justitie. Maar toch zal ik het in een soortgelijke situatie weer doen.''

Lieve Dirk,

Het is nu precies 15 jaar geleden dat wij met elkaar in contact kwamen. Sindsdien is er veel gebeurd. De eerste jaren was ik op uw afdeling in het ziekenhuis. Daar was ik al kind aan huis. 's Nachts sondevoeding en overdags naar school. Zo hebt u het mij mogelijk gemaakt mijn studie af te maken. Ook toen al vond ik het heel moeilijk. Iedereen vond mij eigenwijs, maar in werkelijkheid wilde ik wel, maar ik kon niet. Ik moest mezelf alles ontzeggen: ik mocht niet eten, ik mocht geen dingen hebben, en ik mocht geen leuke dingen doen. Zo gingen er jaren voorbij: Sondevoeding en studie. Ik voelde me eenzaam en leeg. Ik kon alles krijgen wat ik maar wilde, maar iets dreef me ertoe mezelf heel langzaam dood te hongeren: een lange strijd tegen mezelf.

Overal werd ik heen gebracht om te "genezen': ziekenhuizen, inrichtingen, psychiaters, teveel om op te noemen. Overal werd ik behandeld, soms op een manier die zeer sterk tegen mijn "ik' inwerkte, zodat ik mezelf nog erger moest straffen: mezelf totaal uitputten, lopen en fietsen, door regen en sneeuw, soms op blote voeten, zonder eten en drinken. Het was een uitzichtloze marteling, maar helaas was mijn lichaam (of geest?) te sterk en overleefde ik alles.

Ik heb veel mensen gezien die werden verlost uit hun lijden. In de inrichtingen was dat door zelfmoord, bv. door pillen te slikken, polsen doorsnijden, of zichzelf ophangen. Ook in de ziekenhuizen werd ik ermee geconfronteerd: ik vergeet nooit die nacht dat ik ziek was, terwijl ik sliep onder een flinke dosis nitrazepam is een jongen (M.) naast mij gestorven. Dit is mij nooit verteld, maar ik wist dat hij was verlost. A. was daarbij en alsof de duivel ermee speelt: ook haar trof hetzelfde lot. Sindsdien wacht ik tot ik verlost wordt, met veel geduld en uiterlijk heel rustig. Maar van binnen voel ik me wanhopig en ellendig. Vaak als ik alleen was dacht ik aan u: als ik alleen was want u kwam bij me - als ik verdrietig was, want u wist me op te vrolijken - als ik honger had, want u gaf mij voedsel.

Als ik ziek was, was u mijn dokter. Als ik gezond was, was u mijn vriend. Nu bent u mijn vriend en dokter.

Er is maar één iemand op deze wereld die ik nog meer liefheb en dat is mijn moeder. Onze band is de afgelopen jaren steeds sterker en beter geworden. Toen Ernst stierf wist ik dat ik nu eindelijk ook mocht, maar ik zag mamma's verdriet. Een herhaling daarvan wilde ik haar niet aandoen.

Maar ik houd het niet langer vol. Ik wil nu de grote verlossing. Daarom vraag ik u, als vriend, om mij te helpen. Ik hoef er niet mee verder, maar mijn moeder (en vader) wel. Alstublieft, help mij.

Zelf probeer ik ze zo goed mogelijk voor te bereiden, in de hoop dat ze er snel weer overheen komen en weer een beetje kunnen genieten van het leven.

Lieve Dirk, ondanks alle nare perioden, ik zal altijd van u blijven houden, altijd en eeuwig, u bevrijdt mijn lichaam, maar mijn geest is sterk genoeg om te weten dat dit de beste weg is, die we kunnen bewandelen.

Deze brief werd huilend geschreven: Huilend van verdriet, omdat ik mijn vrienden verlaat. Huilend van vreugde, omdat de verlossing nabij is.

M.d.V.

(Brief die Maria de Vries op 26 oktober 1990 schreef aan haar arts.)

*Om redenen van privacy zijn de namen van de patiënte, van haar broer en van de arts in dit artikel gefingeerd.