De vijf jaren van Surplus Surplus 1992/2, ...

De vijf jaren van Surplus Surplus 1992/2, lustrumnummer. 53 blz., ƒ 4,75. 020-6207767.

Kokoskopje en boeman Black Flash 1992/1. 32 blz., ƒ 10, 030-340979.

Een foto op organza en een vlakgom De Zingende Zaag nr.14, 54 blz., ƒ 15. 023-329508.

De vijf jaren van Surplus

Bij het eerste lustrum van het tweemaandelijks tijdschrift over literatuur van vrouwen Surplus wordt een feest gevierd over leesplezier en leesgenot - "Verleidelijke Teksten' - en verschijnt een dubbelnummer waarin balansen worden opgemaakt. Naast gebruikelijke bijdragen, zoals over Janet Frame, Jenny Diski, Doeschka Meijsing, Nina Simone, Ankie Peypers, zwarte schrijfsters, en Elisabeth Eybers, staan er nu overzichten in Surplus van vijf jaar Nederlandse vrouwenliteratuur, vijf jaar feministische literatuurkritiek, en een melig incrowd-stukje over twee lesbische schrijfsters, Jeanette Winterson en Sarah Schulman, waar toch overwogen kritiek in staat.

Hannemieke Stamperius maakt, kort, bestek op van vijf literatuurjaren aan de hand van twéé romans; Stella Klein van Hermine de Graaf (1990) en Connie Palmens De wetten uit 1991. Stamperius bespreekt eens per jaar voor Opzij de oogst aan vrouwenliteratuur, dus een waardige synthese mocht wel verwacht worden. Helaas, ze houdt het bij een heel klein kapstokje, waar ze zomaar twee hele decennia aan ophangt. Net als Carel Peters acht Stamperius de roman van Connie Palmen typisch voor de allermodernste Nederlandse literatuur. Ironie, poststructuralistische speelsheid, en voorzien van "leuke filosofische inzichtjes'. Stamperius erkent dat ze is achtergebleven; zij geeft de voorkeur aan Stella Klein, omdat Palmens hoofdpersoon Marie de Niet individualistisch is en kennis zoekt in plaats van, zoals De Graafs Stella, relaties binnen een kleine kring belangrijker te vinden. Stamperius mist de boodschap bij Palmen. “Stella Klein houdt zich bezig met de vraag hoe men moet leven; De wetten met hoe de wereld in mekaar steekt.” Het lijkt wel of Stamperius veel verder teruggaat dan vijf jaar.

Xandra Schutte van Lust & Gratie en de Groene analyseert recente verschuivingen binnen de feministische literatuurkritiek. In Surplus is geregeld geprobeerd een grootse discussie over dit onderwerp op te zetten, die nooit echt van de grond wilde komen. Schutte spreekt verzoenende woorden om de partijen dichter tot elkaar te brengen: de feministische literatuurwetenschap die in alle droogheid normen en kaders wil scheppen, de verwarde lezeressen die ook graag enige vastigheid wil maar wel leesbare teksten, de critica die geen teugels duldt maar vrij en individueel wil zijn en tenslotte de schrijfster die alleen maar begrepen en gelezen wil worden. Net als Peti Buchel haar "overzicht' van vijf jaar lesbische literatuur goot Schutte haar verslag in de vorm van een fictieve ontmoeting van geletterde dames. De academische legt het in beide gevallen af - Buchel stuurt haar schrijfsters naar de "dorpsput', Schutte wordt het met haar dames eens dat de literaire kritiek impressionistisch en persoonlijk moet zijn.

Op Schrikkelzaterdag 29 februari vierde Surplus het eerste lustrum in de Posthoornkerk in Amsterdam. Toen verscheen een afzonderlijk boekje over de feministische literaire kritiek, Barst in het ijs. Misschien, hopelijk, houdt Surplus het in de toekomst toch bij wat oud-redactrice Lucie Th. Vermij voor ogen stond: gewoon véél, (van) alles bij elkaar, gegarandeerd zonder mánnelijke vooringenomenheid, geen flut en toch niet duur.

Surplus 1992/2, lustrumnummer. 53 blz., ƒ 4,75. 020-6207767.

Kokoskopje en boeman

De Stichting Multiculturele Activiteiten Utrecht SMAU is toe aan het vijfde nummer van Black Flash, een tijdschrift ter bevordering van de belangstelling voor zwarte literatuur en "voorportaal' van de literaire produktie van zwarte schrijvers en dichters in Nederland. En van de onderlinge kritiek.

Sinds het begin, een jaar geleden, is de samenstelling van de redactie geheel gewijzigd en gebruikt men een wat minder luxueus papier - bijzaak. Igma van Putte-de Windt opent dit nummer met een artikel over verbale rebellie in de Caribische poëzie. Het gaat haar om Afro-Antilliaanse gedichten, zoals de "poésie de la négritude' van Aimé Césare, die onder zwarte Parijse studenten bloeide in de jaren dertig, ook ongeveer in die tijd in het Spaans en Engels in het Caribisch gebied, twintig jaar later op de Benedenwindse en pas eind jaren zestig op de Bovenwindse Nederlandse Antillen, in het Engels en het Papiamentoe. Van Putte-de Windt citeert een flink aantal gedichten ter illustratie van de vaste strijdlustige thema's, vreemd genoeg zonder ze te dateren. Bij deze gedichten kan de ritmische voordracht nauwelijks gemist worden - el a hocha / el a baba / el a guli / keresentenchi / keresentenchi.

Dit prachtige wiegeliedje uit Uruguay begint zo: "Kinde, kinde, kindje, / wat ben je klein, / mijn zwart jongetje, / dat niet slapen wil. // Kokoskopje / koffieboontje / lekkere kroeskop / met je ronde ogen / als twee grote ramen / die uitzien op de zee. // Nu oogjes toe, / bang zwart jongetje; / de witte boeman / eet je anders op."

Hein Eersel en Herman Wekker publiceren in dit nummer van Black Flash een taalwetenschappelijk artikel over creolistiek van eind 1990, zes pagina's met een bibliografie van 49 titels. Relexificatietheorie? Baby-talktheorie? Language Bioprogram Hypothesis? Wat een vreemde manier om belangstelling voor zwarte literatuur te wekken of het schrijven ervan te stimuleren.

Twee prozateksten zijn van Sonja Sanchez en Bookerprizewinnaar Ben Okri. Sanchez beschrijft met veel overtuiging een mislukkende afkickpoging van een jonge man in de behulpzame armen van zijn vrouw. Van Okri is er het beklemmende verhaal "In de schaduw van de oorlog' uit De roodbestoven weg waarin het zo warm is dat zelfs de nieuwslezer tijdens de oorlogsberichten gapen moet.

Black Flash 1992/1. 32 blz., ƒ 10, 030-340979.

Een foto op organza en een vlakgom

Niet omdat het een belangrijke nieuwe dichtersgeneratie bindt, maar omdat het met zo'n tomeloos enthousiasme telkens mooi wordt gemaakt, en verrast. Het kleine handgemaakte blaadje voor poëzie, beeldende kunst en brieven De Zingende Zaag (nu toch al achthonderd exemplaren) zégt niet alleen dat het poëzie en kunst in elkaar op wil laten gaan, het brengt dit beter dan welk ander blad ook in praktijk. Elk nummer heeft een eigen thema, waar de vormgeving nadrukkelijk bij wordt aangepast. Weliswaar meet het tijdschrift steeds 15 x 21 centimeter, maar nu eens hangen er kanten konijneoren aan, dan zit er een gesigneerd kunstwerkje van Phil Bloom of Jeroen Kee in, een andere keer een doorschijnend vogelveertje als eerbetoon aan Chris van Geel.

Het vlakgom op het jongste nummer zit er ongetwijfeld ook niet zomaar. Binnenin plakte Kees Oosterbaan achthonderd keer een potloodtekening op ansichtkaartformaat. De bedoeling is nu dat lezers "naar hartelust" in de tekeningen gummen, ze dan naar de kunstenaar opsturen; die "restaureert" en stuurt terug, de lezer mag weer gummen, en zo verder. Eerdere pogingen van Oosterbaan om het publiek of andere kunstenaars in zijn werk te laten gummen, mislukten. Misschien dat zich onbespied voelende lezers meer durven.

Gummetje, vogelveertje, een foto op organza: De Zingende Zaag wil daar wel meer mee dan lollig zijn.

Proza wordt alleen opgenomen in de vorm van brieven. Dit nummer bevat er geen, wel veel gedichten. Koos Schuur, Hans Vlek, Jan Kostwinder, oprichter George Moormann, Nachoem M. Wijnberg, Bernlef, Rimbaud, Craig Raine, Pierre Boskma - de Zingende Zaag wil niet eenkennig zijn. Wat een vlakgom met het heelal te maken heeft is wat ingewikkeld om hier even uit te leggen, maar "de ruimte' is het thema van dit geslaagde winternummer. Relativerende geluiden van Schuur (1915): "geen gesprekken, hoogstens met mijzelf / vogels converseren niet, zij vluchten / voor de boze diersoort die ik ben; / bomen staan wat, merken mij wel op / maar ik heb alleen een camera / in de hand, geen mes of zaag of bijl - / de insekten? in hun grote ogen / ben ik enkel een geducht obstakel / onopvallend in de wijde ruimte'.

Bij het weidse van het thema valt de "aardsheid' van de gedichten op. Zelfs Hans R. Vlek is minder kosmisch geworden: "ruimte, oh ruimte, wat raast daar voorbij / over de eindeloze grijze lijn van de snelweg? / De populaire presentator van de beeldschermcursus / "Ruimte, waarvan en waarom?' - / Bij "n onvoorzien bochtje krom // knalt hij tegen 'n boom / en uit is z'n droom.'

De Zingende Zaag nr.14, 54 blz., ƒ 15. 023-329508.