GERRIT SCHULTE (1916-1992); Le fou pédalant

In 1936 gaf de gisteren op 76-jarige leeftijd overleden Gerrit Schulte als amateur in het internationale criterium van de Parijse Tuileriën een geweldige demonstratie van zijn mogelijkheden als wielrenner. De Franse journalist Gaston Bénac was er zo van onder de indruk dat hij de Nederlander omschreef als le fou pédalant. Die bijnaam, de fietsende dwaas, zou Schulte nooit meer kwijt raken.

Schulte, op 7 januari 1916 in Amsterdam geboren, leek als baan- en wegrenner over onuitputtelijke krachten te beschikken. Henri Desgrange, de stichter van de Tour de France, schreef aan het einde van de jaren dertig dat “de natuur Schulte van hoofd tot voeten met enorme talenten had begiftigd. Het verschil tussen Schulte op de fiets en Schulte gewoon is bijna niet onder woorden te brengen.”

Schulte behaalde ruim honderd overwinningen op de weg, op de piste passeerde hij de 200. Met Theo Middelkamp, Gerrit Boeyen, Gerard Peters, Jan Plantaz en ten slotte Peter Post als bekende koppelgenoten heerste hij op de Europese banen, waar tienduizenden enthousiaste bezoekers kwamen kijken.

Onvergetelijk was zijn optreden in 1948 in het Olympisch Stadion, waar hij de legendarische Fausto Coppi versloeg in de bloedstollende finale om de wereldtitel achtervolging. Samen met Peters vestigde hij in 1954 een wereldrecord op de 100 kilometer: 1.56.04,6. De brutale tempobeul Schulte zorgde zeventien jaar eerder, in 1937, op het Vekabaantje bij Duivendrecht reeds voor een stunt door op een wegfiets niemand minder dan de al wereldberoemde Jan Pijnenburg te verslaan. Van Pijnenburg leerde Schulte later de kneepjes van het vak. De zeer geroutineerde Brabander was ook zijn partner in de zesdaagsen, waarvan hij er zeventien won. De laatste op 44-jarige leeftijd, in 1960, samen met Post. Schulte, in de oorlogsjaren grootverdiener op de Duitse banen, was een zeer geziene vechtjas, die altijd voor spektakel zorgde.

In 1938 debuteerde hij in de Tour de France. Hij won de etappe naar Nantes, maar in de Pyreneeën staakte hij de strijd, nadat hij was getroffen door veel materiaalpech. Hij klaagde dat de Fransen hem tegenwerkten bij het snel aanleveren van nieuwe banden en keerde nimmer in La Grande Boucle terug. De Tour was ook niet het geschikte terrein voor de 85 kilo zware, 1.90 meter lange renner. In de hoogste cols kwam hij te kort, hoewel zijn vele fanatieke supporters bleven geloven dat hun favoriet ook daar kon uitblinken. De begeerde wereldtitel liep hij herhaaldelijk mis: In 1956 kwam hij als nummer drie op het podium naast de twee Belgische Rikken, Van Steenbergen en Van Looy. Op de weg was Schulte ijzersterk in de nationale kampioenschappen (vier keer eerste), in (kleinere) eendaagse wedstrijden en vooral in rondjes rondom de kerk. Dat hij een wielerlegende werd dankte hij aan zijn fantastische successen op de baan, met name op de achtervolging en in de koppelkoersen.

Schulte werd toen hij al 42 was nog uitgeroepen tot Nederlands renner van het jaar. Na zijn loopbaan ging hij aan het werk als beheerder van het restaurant van De Vliert, het tehuis van de voetbalclub BVV Den Bosch. Daar wordt sinds 1955 na elk seizoen de “Gerrit Schulte-trofee” uitgereikt aan de beste Nederlandse prof. Bij de laatste huldiging, in december, was de oud-renner, die aan een hartstilstand overleed, nog van de partij.