Joodsche Raad was privé-initiatief; Abraham Asscher voelde zich de "burgemeester' van joods Amsterdam

In het vorige week verschenen derde jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie tracht de Israelische historicus van Nederlandse origine, Dan Michman van de Bar Ilan-Universiteit in Tel Aviv, de oprichting in 1941 van de Joodsche Raad voor Amsterdam vanuit een vergelijkend perspectief te benaderen.

Michman vergelijkt de tot standkoming van de verschillende Joodse Raden of soortgelijke organisaties, in Duitsland, Oostenrijk, Polen, Frankrijk en België. Omdat zijn bijdrage als titel “De oprichting van de Joodsche Raad voor Amsterdam vanuit een vergelijkend perspectief” heet, zou men mogen verwachten dat Michman zich daadwerkelijk in die oprichting en alles dat daaraan vooraf ging en/of daarmee samenhing zou hebben verdiept. Niets blijkt echter minder waar.

In het kielzog van Herzberg, De Jong en Presser stelt Michman dat de beide voorzitters van de Joodsche Raad hier te lande, de diamantair Abraham Asscher en de classicus prof. dr. David Cohen, van de Duitsers een “opdracht” kregen om een joodse raad (naar Oosteuropees en niet naar Belgisch of Frans model) op te richten en daar zelf zitting in te nemen. Michman verhaalt hoe Asscher, opperrabbijn Sarlouis, rabbijn Frances (van de Portugese gemeente) en een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur van Amsterdam op 12 februari 1941 hun opwachting dienden te maken bij de vertegenwoordiger van de Reichskommissar in Amsterdam, dr. Boehmcker. Volgens Michman, die zijn illustere collega's blindelings en kennelijk zonder eigen onderzoek volgt, zei Boehmcker “dat het noodzakelijk was een joodse raad op te richten die de joden in Amsterdam moest vertegenwoordigen. Van de joodse aanwezigen verlangde hij dat zij in dit nieuwe orgaan zitting zouden nemen”.

Dat zijn twee volstrekt onjuiste beweringen in een en dezelfde mededeling. Boehmcker droeg de aanwezigen in het geheel niet op een joodse raad te formeren, laat staan daar zelf zitting in te nemen. Hij droeg de aanwezigen slechts op een comité of college te vormen dat de Amsterdamse jodenbuurt zou representeren. In die buurt waren toen dagelijks vechtpartijen van joodse knokploegen met WA-eenheden en de Duitsers vonden dat dit maar eens afgelopen moest zijn. Wat zij wensten was een buurtcomité dat voor de Duitsers als adres en verantwoordelijke instantie kon dienen.

De bewering van Michman en zijn collega's, als zou aan Asscher en de andere aanwezigen een opdracht zijn gegeven tot het formeren van een joodse raad wordt door geen enkel document onderbouwd of gesteund. Sterker nog, voor zover er documenten zijn, bewijzen ze de onjuistheid van deze hardnekkige bewering. Asscher was van mening dat men “de joden toch niet kon laten vertegenwoordigen door de bakker en de slager” en wierp toen zelf als alternatief op een veel gezaghebbender orgaan op te richten, dat geheel joods Amsterdam zou vertegenwoordigen.

Van een dergelijk college wilde hij best het voorzitterschap, al dan niet tezamen met zijn vriend Cohen, aanvaarden. Asscher heeft na de oorlog in tal van verhoren en processen-verbaal bevestigd dat hij de leiding naar zich heeft toegetrokken.

Hij heeft de overige kandidaat-leden van de op te richten joodse raad omstandig uitgelegd dat een “buurt-comité” voor de joden desastreus zou zijn en hen gewonnen voor zijn alternatief. Een alternatief dat hem - Bram Asscher - "burgemeester van joods Amsterdam' zou maken.

Tot het bestuur van de Joodsche Raad traden tal van regenten en standgenoten van beide voorzitters toe. De naam van rabbijn Frances (die bij het gesprek bij Boehmcker aanwezig was) ontbreekt echter, waarmee is bewezen dat de bewering van Michman onjuist is dat hij van de joodse aanwezigen “verlangde dat zij in dit nieuwe orgaan zitting zouden nemen”.

Op zich lijkt het verschil tussen versie A of versie B niet echt belangrijk, maar het is van wezenlijk belang om tot een oordeel over het latere functioneren van dit college te komen. En zeker in een "vergelijkend perspectief' is de ware toedracht van de ontstaansgeschiedenis van de Joodsche Raad voor Amsterdam van fundamenteel belang.

Op grond van de ware toedracht der feiten is namelijk de Joodsche Raad voor Amsterdam de enige in bezet Europa geweest die zichzelf, zonder opdracht van Duitse zijde, heeft geconstitueerd en ook de enige was die voor wat betreft het leiderschap in tact is gebleven tot het moment waarop de Duitsers het gebied “Judenrein” verklaarden.

Nu kan men tegenwerpen dat in latere instantie de Joodsche Raad voor Amsterdam er in opdracht van de Duitsers toch gekomen zou zijn. Het zij zo. Dat neemt echter het feit niet weg dat in "vergelijkend perspectief' alleen al de ontstaansgeschiedenis van de Joodsche Raad in Amsterdam wezenlijk anders was dan elders in bezet Europa.

Het is jammer dat Michman alleen de Duitse politiek tegenover de Nederlandse joden (in vergelijkend perspectief) belicht, maar in zijn vergelijkingen hoe als spiegelbeeld de joodse vertegenwoordigers zich tegenover de bezetter opstelden, historische onjuistheden heeft vermeld.