W.J. BORGERHOFF MULDER 1914-1992; Oud-rechter

De oud-president van de Amsterdamse rechtbank, mr. Winand Joseph Borgerhoff Mulder, is afgelopen zondag in Arnhem overleden. Borgerhoff Mulder is 78 jaar geworden.

In 1973 werd hij geïnstalleerd als president van de Amsterdamse rechtbank, sinds 1969 was Borgerhoff Mulder president van de rechtbank in Arnhem. Daarvoor was hij drie jaar president in Leeuwarden.

In een vraaggesprek na zijn benoeming in Amsterdam omschreef hij zijn functie als volgt: “De rechter is nooit iemands vriend. Daar moet je je niets, maar dan ook niets van aantrekken. Hoe je het ook doet, je kunt het nooit iedereen naar de zin maken. Een van beide partijen verliest altijd. Veel mensen denken dat je slapeloze nachten hebt. Helemaal niet. Dan was ik allang geen rechter meer.”

Tijdens zijn periode in Amsterdam werd Borgerhoff Mulder bekend door talloze korte gedingen waaronder een aantal zeer opzienbarende. Wanneer De Telegraaf schrijft dat provo Rob Stolk geen uitkering moet krijgen omdat hij in Sinterklaaspak solliciteert naar werk, is het Rob Stolk die wint. Wanneer Hans Knoop een boek op de markt brengt over de oorlogsmisdadiger Pieter Menten die op dat ogenblik nog niet als zodanig is veroordeeld, mag Knoop van Borgerhoff Mulder de naam van Menten toch voluit blijven noemen en het boek hoeft niet uit de handel genomen te worden.

Wanneer de eigenaar van een complex flats aan de Prins Hendrikkade een kort geding aanspant tegen krakers, krijgt de huiseigenaar gelijk, maar wanneer andere huiseigenaren de zogenaamde Huidenstraatformule verzinnen (waarin verplichting jegens een derde partij geïntroduceerd wordt die de huiseigenaar formeel een instrument tot ontruiming in handen geeft) dan oordeelt Borgerhoff Mulder die ontoelaatbaar, zelfs tegen het oordeel van het hof in.

Zelf vond Borgerhoff Mulder dat “aan het vonnis van de rechter in kort geding veel te veel algemene geldigheid wordt verleend, terwijl het bij uitstek om problemen gaat die van geval tot geval anders zijn.” Een vonnis in kort geding was volgens Borgerhoff Mulder een waarde-oordeel over één geval. “Erg zwaar heb ik daar nooit aan getild. Als je dat wel doet ga je er aan ten gronde.”