Geuzen namen Filips II beet met reliek; Komedie met hostie moest vredesonderhandelingen met Spanje saboteren

EL ESCORIAL, 12 FEBR. Pater Teodoro Alonso had altijd wel vermoed, dat er iets niet in orde was, maar toch is hij nog even verbouwereerd. De Sagrada Forma, het bekendste reliek in de kerk van het koningspaleis El Escorial, is een vervalsing. Een grap van de geuzen, die er de op heilige voorwerpen verzotte Filips II flink mee beet hebben gehad.

Dat beweert althans de historicus dr. W. Vroom in de openbare les die hij vanmiddag heeft uitgesproken bij de officiële aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap in de Nederlandse Cultuurgeschiedenis aan de universiteit van Amsterdam. Dat men er in het klooster van El Escorial kapot van zou zijn, is overdreven. Maar er zijn wel een paar eeuwen intense devotie op losse schroeven gezet.

De Sagrada Forma is een geconsacreerde hostie die in juni 1572 te Gorcum bij het plunderen van een katholieke kerk door een watergeus zou zijn vertrapt. Op het moment dat de opstandeling zijn voet op het lichaam van Christus zette, begon de hostie te bloeden. Hevig geschrokken, maar ook onmiddellijk bekeerd, nam de man het heilige stukje brood op en bracht het in veiligheid naar Vlaanderen. Vandaar kwam het via een omweg bij Filips terecht die het aan zijn immense reliekenverzameling toevoegde. Zijn opvolger Carlos II liet de sacristie van het Escorial verbouwen en voorzien van marmeren reliëfs waarop de geschiedenis van de wonderdadige hostie is afgebeeld en van een enorm altaar met een schildering van drie bij vijf meter door de beroemde barokkunstenaar Claudio Coello, waarop de koning met het reliek is afgebeeld. Achter die schildering staat in een gouden monstrans de hostie. Tot op de dag van vandaag zijn op het ronde schijfje duidelijk zichtbaar de drie roodbruine stippen van het bloed dat Christus te Gorcum vergoten heeft.

Pater Teodoro, die al zesenveertig jaar de rijke bibliotheek van het Escorial beheert, herinnert zich nog goed dat tot ver in de jaren zestig de gelovigen van heinde en verre kwamen om de hostie te zien en in haar nabijheid te bidden. De paus had immers toestemming gegeven twee maal per jaar, op 29 september en 28 oktober, het voorwerp speciaal te vereren. Dit soort plechtigheden zijn allemaal wat minder vandaag de dag. Hij sluit ook bepaald niet uit, dat het bij dit reliek inderdaad om een vervalsing gaat, maar hij zou daarvoor dan wel graag de bewijzen zien.

Volgens Vroom bevindt het bewijs voor zijn stelling zich in de archieven van het Escorial die de pater al zesenveertig jaar onder zijn hoede heeft. De heilige hostie kwam namelijk naar Spanje vanuit Praag, via de ambassadeur van keizer Rudolf II, en zonder getuigen van de wonderbaarlijke gebeurtenis maar wel voorzien van een document waarin de toedracht was vastgelegd. Deze akte is bewaard. Daarin wordt verhaald hoe de bekeerde geus samen met de proost van de kathedraal van Gorcum, Jan van der Delft, naar Mechelen is gevlucht en in een klooster ingetreden. Omdat de toestand in Mechelen niet veilig was, werd de hostie naar Antwerpen overgebracht en aan een zekere Jan de Horst in bewaring gegeven. Van der Delft en De Horst doen hun verhaal in bijzijn van twee getuigen, kanunnik Philippus de Halbec van de Sint Bavo te Gent en kanunnink Henricus de Arras uit Brussel, en hun verklaring wordt op 24 augustus 1579 te Antwerpen door alle aanwezigen, behalve De Horst, getekend.

Vroom denkt, dat zelfs plaats en datum deel uitmaken van de grap. Vanaf het voorjaar van 1579 hadden de calvinisten het immers voor het zeggen in Antwerpen en had vrijwel de hele katholieke geestelijkheid de wijk genomen; Mechelen stond echter al vanaf 1572 aan de Spaanse kant en was door en door katholiek. Ook de status van Jan van der Delft had argwaan moeten wekken. Gorcum is immers geen bisschopsstad en heeft dus ook nooit een kathedraal bezeten; in de archieven van de Sint Maartenskerk komt zijn naam niet voor. In Gent en Brussel is evenmin een spoor van Halbec en Arras te vinden, hoewel de kapittelarchieven er zo compleet bewaard zijn dat hun namen niet verloren hebben kunnen gaan. Conclusie: het gaat hier om gefingeerde personen die als getuigen optreden voor een verzonnen gebeurtenis.

Vroom wijst er op, dat die gebeurtenis wel heel slim is geconstrueerd. Gorcum was tot ver buiten de Nederlanden bekend geraakt door de moord op achttien uit dit stadje afkomstige kloosterlingen in Den Briel. Mirakelen met hosties waren bovendien tijdens de contrareformatie zeer in de mode. De protestanten ontkenden de transsubstantiatie, de verandering van brood en wijn in lichaam en bloed van Jezus Christus tijdens de eucharistie. Tijdens de beeldenstorm werden dan ook met voorliefde hosties ontheiligd. Katholieken vonden dit erger dan het vernielen van beelden en schilderijen. De met een mes doorstoken hostie werd door de opstandelingen als symbool gebruikt.

Maar waartoe diende de ingewikkelde komedie met de hostie en de vervalste getuigenverklaring? Vroom ontvouwt als theorie, dat de vervalsing een rol moest spelen bij het saboteren van de vredesonderhandelingen tussen de Nederlanden en Filips II te Keulen, waarin keizer Rudolf en de paus een bemiddelende rol trachtten te spelen. Op weg van Praag naar Madrid deed zijn de ambassadeur van de keizer immers noodzakelijkerwijs de Domstad aan: het verhaal van de hostie die hij bij zich had, zou verwarring zaaien onder de Nederlanders en verontwaardiging wekken bij de aanhangers van de koning, de keizer en de paus. Vervalsingen waren in deze tijd geen ongebruikelijk middel om de meningen te beïnvloeden. De vredesbesprekingen zijn uiteindelijk inderdaad afgeketst op godsdienstige tegenstellingen tussen fanatieke calvinisten en even fanatieke katholieken. Als de hostie een rol heeft gespeeld bij het verscherpen van de standpunten, is de enige keer in de geschiedenis van de opstand dat een reliek als politiek drukmiddel is gebruikt.

Pater Teodoro denkt, dat de bevindingen van de Amsterdamse hoogleraar aanleiding zouden moeten zijn voor een grondig onderzoek van de hostie. Is het ding eigenlijk wel van deeg gemaakt? En zijn de drie stippen bloed? Hij wijst erop, dat de hevige verering van de hostie pas een eeuw na ontvangst begonnen is. Hij sluit niet uit, dat de paters Augustijnen die tegenwoordig het klooster van het Escorial beheren op grond van de resultaten van een dergelijk onderzoek een einde aan zullen maken aan de plechtigheid die tweemaal per jaar rond de Sagrada Forma wordt opgevoerd. Maar daarover moet de prior beslissen. Hij ligt er niet wakker van. Al zou de aanleiding niet gedeugd hebben, al die missen zijn heus niet voor niets geweest.

Vroom, die conservator van het Rijksmuseum is en zich als hoogleraar in het bijzonder zal bezighouden met “de studie der voorwerpen”, zegt in zijn oratie dat de Republiek na het wegvallen van de katholieke devotie al snel haar eigen relieken begon voort te brengen. Hij legt uit, dat relieken een bijzonder kwetsbare categorie voorwerpen vormen. Ze worden niet vanwege hun intrinsieke of kunstzinnige waarde maar om hun maatschappelijke betekenis vereerd. Valt die weg, dan ziet niemand er meer de waarde van.

Pater Teodoro Alonso is het daar niet helemaal mee eens. “Het is niet zoiets als een heiligenbeeld, dat door de gebeden van de gelovigen op den duur een bijzondere betekenis krijgt,” zegt hij, wanneer hij zijn bezoek aan de kloosterpoort uitgeleide doet. “Als het vals is, wordt het door miljoenen gebeden nog niet echt.”. En als ze niet echt zijn, moeten de wonderen de wereld uit.