Wees gelukiig, drink zo likeuren; Madrid culturele hoofdstad van Europa 1992

Bijna alle Spaanse schrijvers en filosofen hebben zich wel eens zorgen gemaakt over Madrid. Was de stad niet karakterloos, achterlijk en lelijk vergeleken met Londen en Parijs? Toch schaamt niemand zich ervoor om in Madrid te wonen, het wordt door velen zelfs als een voorrecht beschouwd. “Madrileen-zijn is voor de meeste inwoners een soort nevenfunctie, alsof je een tweede paspoort hebt.”

Dit jaar is Madrid culturele hoofdstad van Europa. H.M. van den Brink schetst het portret van een stad waarin niets ouderwets is omdat er nooit iets verandert.

Het café is meestal leeg, al ligt het aan een brede straat en tegenover het hoofdpostkantoor.

Lege tafels, lege stoelen en lege hoedenplanken over de hele lengte van de zaak.

Soms komen de eigenaars er eten. In een hoek bij het raam wordt met linnen gedekt en er is al 's ochtends vroeg een bordje "gereserveerd' neergezet. Een mevrouw in een mantelpak dat veertig jaar geleden modern is geweest en een vriendelijke oude heer, al even keurig. Ze hebben José Antonio, de stichter van de Falange, hier zijn koffie zien drinken terwijl Garcia Lorca een paar meter verder met een paar vrienden over een toneelstuk sprak. Er is een belangrijk tijdschrift, Cruz y Raya, in hun lokaal opgericht en Don Ramon Valle-Inclan, de geniale Galiciër met zijn gevorkte baard, heeft de laatste middagen van zijn leven aan deze marmeren tafeltjes doorgebracht. Boven de toog staat vermeld dat de firma in 1929 is gesticht. De ventilator aan het plafond, de gele muren, de aardappelen met mayonaise onder glas. Er is niets bijzonders aan het café, behalve dat er nooit iets veranderd is.

Achterin de zaak is het aardedonker, want elektriciteit wordt beschouwd als iets om zuinig mee te zijn. Voorin valt een zilverwit licht over het glas-in-lood van de voorzetramen. Het is Velazquez-licht. Een betere omschrijving weet ik niet voor de manier waarop de zon schijnt in Madrid. Ga maar kijken, om de hoek, in het Prado, naar de pakjes van de infanta en haar hofdames op Las Meninas of naar de scheve neus van Filips IV op al zijn portretten, dan zie je dat dat ijle wit er drie eeuwen geleden al net zo was. Of loop naar het Retiro-park met zijn duizend mallotige monumenten en de grote vijver met de marmeren trappen waarvoor kleurige bootjes heen en weer varen en zie dat het licht er in alle seizoenen op dezelfde manier tussen de bomen hangt. In augustus, bij veertig graden in de schaduw en, zoals nu, in januari, bij vijf graden onder nul. Alsof er ieder ogenblik zilverige visjes door de takken kunnen springen.

Velazquez heeft het grootste deel van zijn leven in Madrid gewerkt, maar hij heeft de stad op niet één schilderij vastgelegd. Toch wordt hij, en niet bijvoorbeeld Goya, door veel mensen beschouwd als de schilder die iets zeer wezenlijks uitdrukt over Madrid.

Madrid is een administratief idee uit de zestiende eeuw en dat is niet genoeg om een echte stad te laten ontstaan. Er is nauwelijks een hart, er zijn geen monumenten die het tot wereldwijde bekendheid hebben gebracht, de universiteit moest in de negentiende eeuw uit Alcala de Henares worden gehaald, het heeft zelfs geen kathedraal of grote kerk. Er was alleen het hof, de macht. Alles daaromheen was een plankier waarop de achtereenvolgende machthebbers hun kunsten konden vertonen. Geen wonder dat de stad zo weinig eigen karakter heeft.

Maar Madrid was ook de hoofdstad van een wereldrijk en is nog steeds een plek waarvan miljoenen mensen in Spanje, in Azië, in Zuid-Amerika dromen. De belangrijke toneelstukken gaan er in première, de grote debatten worden er gevoerd, de dikste kranten worden er het beste gelezen. Er valt niets te halen, maar je kunt er je talent heenbrengen en horen en zien wat anderen te bieden hebben. De gesprekken in cafés en restaurants, de namen in het ochtendblad, de wandeling in het park, de toespraak van gisteren in het parlement - daar gaat het om, al dat ongrijpbaars is Madrid.

Een vermoeide ober in een witte tuniek serveert een klein kopje koffie en zet daarnaast een groot glas met drie vingers stroperige coñac. In Madrid beweren ze, dat je daar wakker van wordt.

*

Karel de Vijfde schijnt zijn zoon Filips gewaarschuwd te hebben voor Madrid. Hij ried hem aan een vaste plek te kiezen voor zijn tot dan toe rondtrekkende regeringsapparaat: Lissabon als hij zijn rijk verder zou willen uitbreiden, Toledo als hij de macht wilde consolideren en Madrid alleen maar als hij zowel land als aanzien kwijt zou willen raken. Waarom negeerde de jonge koning goede raad? Omdat het klimaat zo aangenaam was in de heuvels van Madrid, wordt beweerd. Of omdat de straten er breder waren dan in Toledo en dus beter geschikt voor feestelijke intochten. Mischien ook omdat het nauwelijks vijftienduizend zielen tellende stadje geen eigen politieke aspiraties had. Hij is in ieder geval al snel begonnen met de bouw van een heel nieuw, grimmig regeringscentrum, het Escoriaal, vijftig kilometer verder weg, en heeft zich, nadat hij er een eind had gemaakt aan de bloeiende joodse en moorse gemeenschappen, nauwelijks meer met de stad zelf bemoeid.

De edelen die in Madrid een huis lieten bouwen waren grootgrondbezitters zonder belangstelling voor stadse cultuur. Ze wilden een paleisje met een tuin en een goede stalling voor de koetsen en paarden, die hen na een verblijf van een paar weken of maanden weer zo snel mogelijk terugbrachten naar hun eigen streek. De inheemsen mochten documenten overschrijven, stoelen matten en wijn schenken. Iedere week van het jaar kende wel een feestdag of twee, die aanleiding was voor vieringen binnenskamers of in het openbaar, met ketterverbrandingen en stieregevechten. De paus zelf heeft nog eens getracht de kalender op dit punt aan banden te leggen, maar tevergeefs. Dichters aan het hof vergeleken het leven graag met vluchtige zaken als stromend water, de wind of een droom. Dus verbazen buitenlandse reizigers zich nog tot in de negentiende eeuw over het rommelige en dorpse karakter van Madrid, dat geen industrie of handel heeft, geen vuilnisdienst, geen centrale markten, zelfs geen gemeentepolitie. En ze klagen mee met de rest van Spanje over de enorme afstand tussen de hoofdstad en alle echte steden van het land.

Dat nadeel slaat pas in een voordeel om, met de komst van de spoorwegen. Wat eerst "ver van alles' heette wordt nu "centraal' genoemd. De povere plannen om vanuit de Plaza del Sol, waar de kilometerpaal 0 staat voor alle nationale wegen van Spanje, de oude stad opnieuw te ordenen en stukje bij beetje te renoveren worden vergeten. Men begint een kilometer verder helemaal opnieuw, met de aanleg van een grote verkeersader van Europese allure die op den duur het station van het zuiden (Atocha) met dat van het noorden (in Chamartin) zal verbinden. Langs die avenue, die voor een deel Paseo del Prado en voor een ander stuk Castellana heet, ligt niet alleen een van de oudste en rijkste musea van de wereld maar vestigt zich ook de Centrale Bank en in haar voetspoor iedere bank of handelsonderneming die prijs stelt op een eerbiedwaardige adres. Dat zijn er veel. Want Madrid ontdekt aan het eind van de negentiende eeuw het kapitalisme. Dankzij de spoorwegen wordt het een plaats waar niet alleen geconsumeerd, maar ook geproduceerd kan worden. Er komen fabrieken, arbeiders stromen toe en met de arbeiders weer nieuwe directeuren en met de directeuren dienstmeisjes, chauffeurs en kruideniers.

“Met uitzondering van Zijne Majesteit,” schreef de negentiende-eeuwse chroniqueur Mesonero Romanos, “is er in de hele stad nauwelijks iemand die in Madrid geboren is. Zelfs in het congres en de senaat zijn de Madrilenen altijd, met een hoogste enkele uitzondering, vertegenwoordigd door mensen geboortig uit andere provincies. De artsen en de zakenlieden komen uit Catalonië, de redenaars uit Andalusië, de dichters uit alle windstreken, de schilders uit de Levant, de dienstmeisjes uit Asturië, de kleermakers, kappers, modistes, handschoenenmakers en bakkers uit Frankrijk, de kroegbazen uit La Mancha, de winkeliers uit Castilië, de boekhandelaars uit de Alcarria, de straatverkopers uit Valencia en Aragon en de werkzoekenden uit alle steden, dorpen, vlekken en gehuchten van het koninkrijk.”

In de tijd dat dit geschreven werd, omstreeks 1850, had Madrid 250.000 inwoners, een eeuw later waren het er één miljoen, nu zijn het er bijna vier. "Madrid' werd in de Spaanstalige wereld synoniem voor: de grote stad. Er is zelfs een vorm van muziektheater, de zarzuela, op die gedachte gebaseerd. Die mengvorm van revue, cabaret en operette ontstond uit het idee om de massa het theater binnen te lokken met verschillende korte voorstellingen per avond waarin steeds dezelfde types een rol speelden in steeds hetzelfde, herkenbare decor: de straten en pleinen van Madrid.

*

Mijn ober komt uit de buurt van Toledo, maar woont al veertig jaar in Madrid. Hij leest de krant. Of La prensa de Madrid al is aangekomen, vraag je elders in Spanje als je een landelijk dagblad wilt kopen. Overal ter wereld geldt het adagium dat alle nieuws lokaal is, maar nergens praat en leest men zoveel over zichzelf als in Madrid en de rest van het land wordt wel gedwongen daaraan mee te doen. De Italiaanse reiziger Edmondo de Amicis verbaast zich al aan het eind van de vorige eeuw over de "armen vol' kranten met al hun bijlagen die Madrileense heren het café binnendragen.

In die kranten stond helemaal niet zoveel nieuws maar er werd fraai in geschreven over kleine gebeurtenissen en op hoog academisch en literair niveau over politiek gedebatteerd, want in Madrid bekijkt men de zaken eerder fundamenteel dan praktisch. Nog steeds. Bijna alle befaamde literatoren en filosofen van voor en na de eeuwwisseling publiceerden hun opvattingen in de dagbladen. Wie schreef, schreef in de krant. Over "het probleem Spanje' bijvoorbeeld of over "het probleem Madrid'. Want of de auteur nu Ortega y Gasset heette of Manuel Azaña, de latere president van de Republiek, iedere bereisde, Europees-georiënteerde intellectueel vond dat Madrid een stad was om je zorgen over te maken. Zo achterlijk en lelijk was ze, vergeleken met echte wereldsteden als Londen en Parijs. Zo zonder karakter of eigen gezicht.

*

Niemand schaamt zich er voor, om in Madrid te wonen. Het wordt door velen zelfs als een voorrecht beschouwd. Maar Madrileen-zijn is voor het gevoel van de meeste inwoners toch een soort nevenfunctie, alsof je een tweede paspoort hebt. Nog in de tweede en derde generatie noemen de mensen zich er naar de plaats van herkomst van hun ouders of grootouders "Asturiër', "Cubaan' of "Catalaan'. Er zijn decennia van industriële vervreemding nodig om die band definitief te verbreken en dan pas ontstaan er nieuwe kleine verbanden, rond een plein of een kerk, met eigen buurtheiligen en eigen feesten. Er zijn geen getto's of wijken met een exotisch accent, zoals in New York of Barcelona. Maar in iedere straat zijn dorpscafés te vinden, slagers die worst uit hun geboortestreek verkopen, bakkers die het geheim kennen van een heel bijzondere pastei, kruideniers gespecialiseerd in stokvis, witte bonen of maté. Die adressen moet je kennen. Door de stad lopen verbanden en betrekkingen die niet meteen zichtbaar zijn en daardoor heeft een Noord-Europeaan er weleens de indruk dat hij niet erg welkom is. Dat is niet zo, maar er zit ook niemand op hem te wachten zolang hij zijn eigen plattegrond niet heeft gemaakt. Madrid heeft in de laatste honderd jaar wel degelijk allerlei voorzieningen gekregen die bij een grote stad horen, maar is tegelijkertijd een verzameling dorpen gebleven. Het is een smeltkroes waarin de elementen geen volledige verbinding aangaan.

Iets dergelijks is met de geschiedenis van de stad aan de hand. Je kunt in Madrid een hoek omslaan en opeens in een straat uit de jaren dertig zijn, een deur opendoen en een winkel van honderd jaar geleden of een werkplaats uit de achttiende eeuw binnenkomen. Het is niet omdat "de tijd er heeft stilgestaan' en zeker niet omdat een of andere overheidsinstantie moeite heeft gedaan om een pittoresk gebruik te conserveren, want die neiging is in Spanje nog betrekkelijk pril. Het komt gewoon omdat de mensen die op zo'n plek wonen en werken al heel lang de noodzaak van bepaalde veranderingen niet zien en zijn blijven doen wat ze altijd al deden. Of omdat ze helemaal niets hebben gedaan. Er zijn natuurlijk in de hoofdstad van Spanje minstens zoveel nieuwigheden geïntroduceerd als in de rest van Europa, en in de laatste jaren vermoedelijk méér, maar er is ook minder verdwenen. Hele tijdperken schuiven in de geografie van de stad langs en over elkaar heen en ook - verbeeld ik me dat? - in de gezichten, de houding en de kleding van de mensen met hun onverstoorbare gewoontes, hun op eten en drinken en praten ingerichte indeling van de dag.

Er is een beroemde foto die de reportagefotograaf Alfonso in januari 1928 heeft gemaakt op de Gran Via, de drukke winkelstraat die de Paseo del Prado met de Plaza de España verbindt. Een kolossale stier ligt met zijn snuit op het plaveisel. Daarachter een groepje mannen waarin zich de diestro Diego Mazquiaran moet bevinden, die toevallig in de buurt was toen het dier losbrak en het met behulp van een regenmantel eerst stijlvol bevocht en daarna pas volgens de regelen der kunst doodde. Wie de held precies is, valt op de foto niet te zien want alle mannen kijken even trots en genieten nog na van de sensatie - maar daar gaat het ook niet om. Het gaat erom, dat er niets is in de reactie op het losbreken van de stier, in de houding van de omstanders en in de afloop van het verhaal dat mij ouderwets voorkomt. Als dezelfde foto - jassen iets moderner van snit, asfalt in plaats van keien - morgen in El Pais of ABC zou staan, zou ik geamuseerd zijn maar niet verbaasd. Terwijl ik mij dezelfde gebeurtenis in de Kalverstraat onmogelijk voor kan stellen.

Met foto's en verhalen uit de Burgeroorlog gebeurt hetzelfde. Madrid is tweeënhalf jaar belegerd, beschoten en uitgehongerd geweest. Het was geen kwestie van afgesneden aanvoerlijnen of aanvliegende bommenwerpers, het front lag in de stad. Aan het eind van de Gran Via en op het terrein van de Ciudad Universitaria is bijvoorbeeld lang gevochten, je kunt er nog de heuvels en de schuttersputjes zien. Vrijwilligers namen na hun werk de tram naar het front om nog een paar uur te gaan schieten en toen de nationalisten eindelijk het pleit gewonnen hadden stuurden ze een deel van hun troepen met de metro naar de Castellana toe. Tot op het laatst waren er in de stad kranten gedrukt en cafés opengebleven. Uit de honderden verslagen van buitenlandse correspondenten en andere bezoekers, komt steeds weer de verbazing naar voren over een bevolking die weigert zich in oorlogstijd haar vaste gewoontes en haar plezier in het sociale leven te laten ontnemen. Octavio Paz heeft geschreven dat hij nooit zoveel heeft horen zingen en lachen als voor en na de bombardementen van 1937.

Mijn café moet vol gezeten hebben in die tijd.

*

Veertig jaar dictatuur met de bijbehorende culturele en sociale repressie zijn een voordehandliggende verklaring voor het voortbestaan van zoveel oude vormen en gedachten. Wat nieuw was, was lange tijd verdacht. Het lijkt er bovendien op, dat Franco bang was voor de stad. Net als Filips II ging hij er buiten wonen. Zijn stedebouwkundigen planden uitgebreide satellietsteden die de arbeiders buiten Madrid zouden moeten houden en ze legden parken en andere groenvoorzieningen aan die het centrum afschermden van de rode wijken aan de buitenkant. De belangrijkste straten werden naar dode generaals genoemd en de belangrijkste burgers konden tevreden zijn met een stad waar het wel iedere dag zondag leek. Ook zij vormen nu een levende laag in de geschiedenis van Madrid: de onberispelijk geklede heren met hele kleine snorretjes en hun ontevreden vrouwen in grote bontjassen die ervan overtuigd zijn dat alles beter was toen Franco nog leefde en de taxichauffeur opdragen naar "Generaal Mola' te rijden als ze "Principe de Vergara' bedoelen. Niemand zal proberen hen op andere gedachten te brengen, zij horen er gewoon bij, hun tijd bestaat óók nog.

De linkse auteur Manuel Vazquez Montalban schrijft in het tijdschrift dat ter gelegenheid van de benoeming tot "culturele hoofdstad van Europa' is uitgegeven, dat Madrid van alle Spaanse steden op cultureel gebied het grondigst werd gezuiverd door de dictatuur. Het had de etalage van Franco's nationalistische renaissance moeten worden, maar werd in de praktijk een stille, onvruchtbare stad. De politieke omwenteling na Franco's dood heeft zich in de eerste plaats in Madrid voltrokken en in de jaren tachtig leek het of er ook iets heel nieuws zou ontstaan op het gebied van de cultuur. Er was veel beweging, die "de beweging'(La Movida) werd genoemd. “Madrid deed een geweldige culturele stap voorwaarts (-) waardoor de stad een solide basis schiep voor culturele vraag en cultureel aanbod,” schrijft Vazquez Montalban. En: “het meest positieve aspect van de culturele wedergeboorte was het spectaculaire aandeel dat de burgers er zelf in hebben gehad. Net alsof ze destijds probeerden de honger te stillen die was opgebouwd tijdens veertig jaar dictatuur, om niet zeggen honderd jaar eenzaamheid en slecht gezelschap.”

Achteraf blijkt er vooral op het gebied van de meest vluchtige kunsten, van de mode, de dagbladstrip, de column en de film iets te zijn gepresteerd. En wie nu naar de produkten van destijds kijkt, schrikt ervan hoe gedateerd en kinderachtig ze al lijken. Een recente poging om de movida in boekvorm te documenteren is blijven steken in een lange reeks vraaggesprekken met de betrokkenen van destijds, die weer herinneringen ophalen aan andere gesprekken, die van toen, aan de drank, de doorwaakte nachten.

Welke honger probeerden de burgers van Madrid eigenlijk te stillen? Die van altijd. Naar nieuwigheden, conversatie, kranten, tijdschriften, amusement. Net als in de jaren twintig is het nachtleven er weer het drukste van Europa, ver na middernacht staan er files in het centrum van de stad. Er zijn meer cafés en restaurants dan in de rest van Spanje samen en Spanje, zegt men, heeft er weer meer dan de rest van de EG. Het officiële programma van het hoofdstedelijk feestcomité wordt intussen door vrijwel iedereen in Madrid genegeerd. Bij de eerste prachtconcerten kwamen de zalen nog niet voor de helft vol. Culturele honger? Misschien is het beter om van ordinaire dorst te spreken.

*

De ober in het witte tuniek komt naast me staan. Of ik nog iets anders wil gebruiken. Ik reken af en loop naar buiten, dat licht in. Langs het postkantoor met zijn kathedraalachtige torens en de twintig koperen brievenbussen (Madrid Capital, Madrid Provincia, Toledo, Malaga, Cordoba en zo verder en allemaal gepoetst). Over het plein van Cybeles in haar stenen kar met de bruisende fonteinen. Langs het paleis der Schone Kunsten met zijn vele verdiepingen en gebouw Metropolis dat aan het begin van de Gran Via staat. Rechtsaf een kleine zijstraat in, voorbij de morsige parochiekerk van San José waarop reclame wordt gemaakt voor het sacrament der zieken en weer naar links, zodat ik parallel aan de Grote Weg loop. In deze buurt worden waren verkocht waarvan je het bestaan niet meer vermoedde. Chicorei, boorwater, darmen. Achter gepolitoerde toonbanken biedt men passementen en manufacturen aan, die ten tijde van de Republiek vervaardigd zijn. Midden op straat een scène uit de Burgeroorlog. Een groep arbeiders in donkerblauwe overalls heeft zich rond een kruiwagen met brandende kolen geschaard. Over de kolen is een stuk gaas gelegd. Op het gaas geen stukken olifant en zeeleeuw uit de dierentuin, maar worsten en koteletten en ribstukken, want het is 1992 en Madrid is culturele hoofdstad.

Op nummer 13 heeft zich in 1920 de Beurs der Likeuren gevestigd en uiteraard is die er nu nog steeds. Het onberispelijke interieur bevat duizenden flessen die in kunstige formaties gerangschikt staan en her en der hangen beleefd geformuleerde stellingen die langs een omweg de kooplust trachten op te wekken, zoals: “Ook wanneer u hier binnengaat en niet tot een aankoop kunt besluiten, zult u deze winkel verlaten met de gedachte dat wij uitsluitend waren van de eerste kwaliteit in voorraad hebben.”

Het is alleen om te vragen of zijn etablissement een visitekaartje heeft, zeg ik tegen de meneer achter de toonbank. Hij knikt, maakt een buiging en verdwijnt onder een boog in de winkel naar een daarachter gelegen gedeelte dat kennelijk dienst doet als kantoor en magazijn en via een open deur weer uitzicht op een volgende opslagplaats heeft. Er klinkt geruis. De man passeert van links naar rechts mijn boogvormige uitzicht en daarna van rechts naar links, maar nu met een zaklantaren in zijn hand. Las Meninas als toneelstuk voor één winkelier. Meer geruis. Gekraak. Het geluid van scheurend papier. De winkelier keert weer en terwijl hij op mij toeloopt blaast hij het stof van het kaartje. Hij overhandigt het alsof mijn verzoek de gewoonste zaak van de wereld is geweest.

Buiten bekijk ik het stukje karton. Het is in rood en blauw bedrukt met een tekst die op de veeleisende toerist is afgestemd. Aan de ene kant staat een plattegrond waarop de Gran Via nog gewoon Avenida José Antonio heet. Aan de andere zijde legt de Beurs der Likeuren uit dat er geen plek ter wereld is waar zoveel verschillende dranken uit Spanje en uit den vreemde bijeengebracht zijn. (Sherry! Port! Malaga! Bordeaux! Rijn!). En alsof dat niet genoeg is, kent men bij de Beurs der Likeuren ook het geheim van het reizen door ruimte en tijd. Wanneer wij hier onze bestelling opgeven, zo belooft het kaartje, kunnen wij ons "licht en gelukkig' huiswaarts begeven, want bij aankomst staan alle dranken van onze keuze daar reeds voor ons klaar.

Het lijkt me de vervulling van alles wat een mens zich kan wensen in het leven. Licht en gelukkig loop ik huiswaarts door Madrid.