Vermist

Mijn moeder registreert sterfgevallen, zij verzamelt ze als het ware en rammelt er treurig mee als met de geldstukken in een spaarpot.

- Weet je al dat Petrovic gestorven is? - zegt ze door de telefoon.

- Nee toch?! - zeg ik, ook al heb ik geen flauw idee wie Petrovic is.

- Ja, stel je voor, hij is gestorven aan een hartinfarct, met een bijzondere nadruk op het woord infarct.

- O? - zeg ik.

- Och, die arme man, zucht mijn moeder tot besluit van haar korte, verbale begrafenisritueel. En zij stopt Petrovics dood bij al die andere in haar imaginaire spaarpot.

Moeder vertelt mij zulke dingen. Hiermee verlengt zij voor een kort ogenblik het leven van de anonieme Petrovic, ze brandt een onzichtbare kaars voor hem. Door het tellen - als kleingeld - van al die sterfgevallen die haar niet direct aangaan tracht zij haar eigen angst te verdrijven.

Maar mij interesseert de dood niet. Die is zo heel erg definitief. Interessant vind ik het wanneer er mensen vermist worden.

Ongeveer twintig jaar geleden werd een Joegoslavische acteur vermist. Hij was bij kinderen erg geliefd. Hij speelde een grappige figuur in een televisie-serie, een zekere Sumenko. Na zijn verdwijning stonden de kranten vol met koppen als: "Sumenko verdwenen', "Waar is Sumenko gebleven', "Sumenko - levend of dood?' Ze hebben hem nimmer gevonden, dood of levend.

Een aantal jaren geleden verdween op dezelfde wijze mijn Zagrebse vriend Knaflec. Men zei dat hij naar Amerika was vertrokken. Toen ik de eerste keer naar Amerika ging gaf iemand mij zijn nummer. Ik draaide dat nummer, ergens in Texas. Hij nam op. Maar het was niet meer mijn vriend Knaflec. Nu zou ik het niet meer in mijn hoofd halen hem op te bellen. Want hij wordt vermist.

Een paar jaar later verdiepte een journalist zich in het onderwerp "vermiste personen' en schreef er een artikel over. Het bleek dat er dat jaar in Joegoslavië 2847 mensen waren verdwenen. Kijk eens aan, ik kan me het getal zelfs nog herinneren. Dat jaar waren er 2847 Joegoslaven spoorloos verdwenen en niet meer te vinden, noch onder de doden, noch onder de levenden.

Knolselderij

Het meest verwarrend vind ik New York.

Als ik in New York op straat loop krijg ik vaak een nachtmerrie-achtig gevoel. Daar komt iemand met een boodschappentas, uit de tas steken de bladeren van een Amerikaanse knolselderij. En wat zie ik: dat is mijn vriend Ante. Hé, Ante - roep ik. Hé, hoe kom jij hier? Hij kijkt me aan, maar herkent me niet. Mijn God . . . - mompel ik, totaal in de war. Maar hij haalt zijn schouders op loopt mij voorbij, met die knolselderij in zijn tas . . .

Er passeert een taxi. In die taxi zit mijn vriend Berti. Hallo! Taxi! De taxi stopt bij een kruispunt, het licht staat op rood. Ik loop erheen, bons met mijn vuist op de autoruit. Hé! Berti kijkt me aan van achter het raampje, glimlacht, maar herkent mij niet. Hoe bestaat het dat hij hier is, denk ik, hij zou me dan toch wel hebben opgebeld, denk ik, maar ik ben er niet meer helemaal zeker van.

In het park kijk ik naar de man die de droge herfstbladeren opruimt. Met een soort stofzuiger blaast hij ze op enorme hopen. Als een goochelaar. En dan herken ik ineens het profiel van mijn vriend Pavle. - Hé, Pavle, wat doe jij hier? - roep ik - hoe gaat het - ik loop naar hem toe en tik hem op de schouder. Hij draait zich om en zegt in accentloos Engels: - Mevrouw, wilt u dat laten, anders roep ik de politie . . .

Ik blijf staan. De krantenverkoopster op de hoek is mijn Zagrebse kennis Vilma. Iedere dag koop ik daar mijn krant, op de hoek van Eighth Street en University Street. Ik kijk haar lang aan, stop het geld met een veelbetekenende blik in haar hand en pak mijn "New York Times'. Ik zeg niets, ik dring niet aan, ik doe net alsof ik niet weet dat zij Vilma is. Thank you, have a nice day.

Hier, in Middletown, is het allemaal heel anders. Het is een klein plaatsje, ik ken er niemand. Ik ben een buitenlandse, zij komen allemaal hier vandaan, het is hun omgeving, veilig en vertrouwd. Maar toch onthoud ik, uit een soort waakzaamheid, elk gezicht. De verkoopster in Bob's, de cassière in Waldbaum's, de kelner in het Opera House, de agent voor de Clock Tower. Ik laat mijn blik gaan langs de namen in het plaatselijke telefoonboek. Bright Gloria, Kilby Peter, Hills Karen . . . Ik ken niemand. Ik voel me veilig en op mijn gemak. Alles is zoals het moet zijn. Ik ben een buitenlandse, zij komen allemaal hier vandaan.

Veilig

Iedere dag wordt hier de post bezorgd. Ik sla een Zagrebse krant open, van 29 november 1991. Ik zie een artikel over . . . vermiste personen. In Kroatië zijn 30.000 mensen als vermist opgegeven. Er wordt gezocht naar broers, mannen, vrouwen, kinderen, ouders . . . Er zijn niet alleen een paar dorpen en steden verdwenen, maar ook nog deze 30.000 mensen. Ze zijn nergens te vinden, noch onder de doden, noch onder de levenden . . .

Verschrikkelijk, denk ik, en ik ben blij dat ik hier ben, op veilig terrein, hier ben ik een buitenlandse, een vreemde, zij komen allemaal hier vandaan, alles is zoals het moet zijn. naast mij woont een zekere Peter of een zekere Gloria en een zekere Karen. Ik voel me veilig en beschermd, mij kan niets gebeuren.

Plotseling gaat de bel, ik loop naar de deur en doe open. Een enorme menigte onbekende mensen baant zich een weg naar binnen, een niet aflatende stroom van vrouwen, kinderen, bejaarden, gewonden, soldaten . . . Ik ben Zeljko, stelt een jonge man zich voor, Ik ben twee maanden geleden verdwenen bij Pirot, mijn zuster, Ljubica Oreski, is naar mij op zoek. Ik ben een moeder, zegt een vrouw, ik ben verdwenen in september, ergens in de buurt van Drnis, ik word gezocht door mijn zoon, Rade Brakus . . .

Ik begrijp het, hier zijn ze, alle 30.000, kom binnen, mompel ik, zoek een plaatsje, installeer je, dat zal wel lukken. Zij zoeken zwijgend een plaats, wat zijn het er veel, denk ik, maar ze vinden allemaal een plekje in mijn kleine woning. Ze zoeken zwijgend een plaats, alsof ze doorzichtig zijn, alsof het kaarten zijn, de ene vouw bedekt de andere. Daarom zijn ze verdwenen, denk ik, omdat ze . . . zo goed op te vouwen zijn.

En terwijl ik iets te eten voor ze klaar maak, denk ik aan de aardbol alsof het een zandloper is, twee communicerende vaten, de vermisten verdwijnen in feite niet, maar komen ergens anders te voorschijn, op een andere plaats, zoals hier, in mijn woning, en het is goed zo, alles is in orde, er is geen reden tot bezorgdheid, ik zal wel voor je broer zorgen, Ljubica Oreski . . .

De telefoon gaat. Mijn moeder belt me vanuit Zagreb.

- Weet je . . . - begint mijn moeder en ik meen in de hoorn reeds het welbekende zachte gerinkel te horen.

- Ik weet het, mama, je hoeft me niets te vertellen. Ze zijn hier. We zijn allemaal hier - zeg ik en ik hoor een helder, welluidend gerinkel, alsof er uit een speelautomaat een enorme hoop geldstukken rolt . . .

Vertaling Roel Schuyt