Terugkeerprojecten blijken geen succes

ROTTERDAM, 31 JAN. Veel allochtonen doen aan remigratieprojecten mee om hun kansen op de Nederlandse arbeidsmarkt te verbeteren. Slechts een kleine minderheid onder Marokkaanse en Turkse jongeren noemt terugkeer naar het land van herkomst als motief voor deelname aan zo'n cursus.

Dit blijkt uit onderzoeken van het ministerie van sociale zaken, die gisteren naar de Tweede Kamer zijn gezonden. Daarin worden onder meer twee projecten besproken; een horecaproject in Turkije en een hotelproject op Aruba.

De cursisten hebben eerst een praktijkopleiding van vijf maanden in Nederland gevolgd. Daarna zijn ze vertrokken naar een stageplaats in Turkije, Marokko of Aruba. De deelnemers die bij terugkomst na de stage in Nederland hun opleiding voltooien, kunnen een gegarandeerde arbeidsplaats in het land van herkomst krijgen. Zij kunnen deze arbeidsplaats weigeren.

De resultaten van de Turkse en Arubaanse projecten wijken sterk van elkaar af. Van de 53 deelnemers aan het experiment "Bouwen aan een toekomst in Turkije' hebben negentien het hele project afgemaakt. Slechts vier deelnemers zijn van plan binnen een jaar werkelijk naar Turkije terug te keren. Uit het onderzoek blijkt dat vooral de stage in Turkije van doorslaggevend belang was. “Hier zagen de deelnemers zowel de voordelen als de nadelen van het werken en leven in Turkije”, aldus de onderzoekers in hun rapport. Ruim 43 procent van de Turkse jongeren haakte tijdens de stage af, een deel verliet reeds de opleiding in Nederland.

Van de 40 Arubaanse cursisten hebben er 35 de opleiding met succes afgerond. Inmiddels hebben 24 deelnemers een vaste betrekking op Aruba aanvaard, terwijl de onderzoekers verwachten dat de overige cursisten ook op het eiland aan de slag kunnen. Een woordvoerster van het ministerie van sociale zaken zei vanochtend dat nog wordt onderzocht waaraan het grote verschil tussen het Turkse en Arubaanse project te wijten is. Minister De Vries (Sociale Zaken) heeft aangekondigd dit onderzoek te willen afwachten voordat hij besluit de experimentele projecten te continueren.

Het experiment "Bouwen aan een toekomst in Turkije' heeft ongeveer 1,5 miljoen gulden gekost. Daarvan werd een groot deel gedragen door Sociale Zaken en de Gewestelijke Arbeidsbureaus. Het Arubaanse hotelproject kostte ruim een miljoen gulden, waaraan - naast het ministerie van Sociale Zaken - ook de Arubaanse overheid en het lokale bedrijfsleven meebetaalden.

Voor Marokkaanse jongeren startte de Stichting Bijzonder Jeugdwerk in 1990 een remigratie-project. Hier worden de jongeren gedurende een jaar opgeleid als monteur voor naaimachines. Aangezien het veelal om Marokkanen van de tweede generatie gaat, worden ze ook in de taal en culturele en sociale vaardigheden van Marokko onderwezen.

Het project dat is ondergebracht in de Stichting Jongerenplan Marokko, kost 1,5 miljoen gulden. Daarvan brengt het ministerie van WVC ongeveer 8 ton op en het ministerie van sociale zaken 2,5 ton. Het bedrijfsleven spekt het project met 3 ton.

Volgens de voorzitter van de stichting, A.H. van Fessem, besloten van de twintig deelnemers er 12 naar een stageplaats in Marokko te vertrekken. Dat uiteindelijk maar zes Marokkaanse jongeren daadwerkelijk op het vliegtuig stapten, wijt hij aan het feit dat de cursisten bij vertrek hun gele verblijfskaart moesten inleveren. “Op dat moment sloeg bij een aantal Marokkanen de schrik om het hart. Van tevoren was immers verzekerd dat de deelnemers hun verblijfsvergunning mochten houden. Ik heb zelf nog voorgesteld het inleveren van de kaart te "vergeten'. Maar bij de jongeren is het wantrouwen tegenover de Nederlandse overheid groot, zodat ze dit niet aandurven”, aldus Van Fessem.