Spillebeen

De kamer van Marleen was licht en zonnig. Meneer Ratti trok meteen zijn hoed wat lager en bleef op de drempel staan.

Marleen lag in bed, tussen de kat en de knuffeldieren. Ze draaide haar hoofd opzij en toen ze meneer Ratti zag, zei ze met een stralend gezicht: “O Vosje, kijk eens wie daar is...”

“Kan je staan?” vroeg meneer Ratti.

“Staan?” zei Marleen verbaasd.

“Gewoon, op je voeten.”

“Ja hoor,” zei ze en stak haar benen onder de deken uit.

“Goed,” zei meneer Ratti. “Dan kan ik weer gaan.”

“Wacht meneer Ratti, ik wil u nog iets zeggen... Ik ben heel erg blij met de knuffels, maar het zijn er een heleboel... En ik dacht aan de andere kinderen in de straat... En toen bedacht ik dat ik ze zou kunnen uitdelen... Vindt u dat goed?”

Meneer Ratti stond roerloos op de drempel en zweeg. Het viel hem op hoeveel vogels er kwetterden in de tuin achter het huis. In de schaduw van zijn hoed keek hij naar de besneeuwde takken van een boom en naar een snoer pinda's waar koolmeesjes van snoepten. Hij zag nu ook dat de knuffeldieren niet alleen op het bed zaten, maar ook op de vensterbank, en op een stoel, en op een tafel, en op een stapeltje boeken, en sommige staken eigenwijs hun kopje uit de laden van een kast.

“Wilt u de knuffels misschien... terug?”

Meneer Ratti schudde zijn hoofd.

Het was weer stil in de kamer, tot Marleen ineens vroeg: “Waarom doet u altijd zo boos?”

Als bij een ballon die wordt opgeblazen en direct weer leegloopt, zo voelde meneer Ratti zijn boosheid zwellen en verdwijnen.

“Wat is dat nou voor rare vraag,” bromde hij. “Ben jij dan niet kwaad om... om de kat bij voorbeeld?”

“Nee,” zei Marleen, “ik begrijp wel dat u Vosje aardig vond. En hij u ook, want hij begon meteen te spinnen toen hij u hoorde.”

“Het spijt me van de verf op zijn snoet, al is het er bijna af... En van je knikkers, maar die krijg je niet terug.”

“Ik was ze al vergeten.”

“Nou, ik niet! Ts... wat een ondingen!”

Verbaasd keek Marleen hem aan.

“Die krengen zijn namelijk eh... verdwenen. En ik moet ook verdwijnen, want ik ga op reis.”

“Waar gaat u dan naartoe?”

“Ik ga naar het land van mijn dromen.”

“En hoe heet dat land?”

“Het land van de boze bergen en kwade ravijnen.”

Marleen lachte en zei: “We waren vaak bang voor u.”

“Dat is maar goed ook,” bromde meneer Ratti, en toen liep hij plotseling naar een kast in de hoek van de kamer, greep van de bovenste plank een spaarpot en rammelde ermee.

“Heeft u geld nodig, meneer Ratti? Haalt u het er maar uit, hier, misschien lukt het met de lepel van de hoestdrank.”

“Ts... dat is geen vetpot, daar kan je nog geen hamster van te eten geven.”

“Mijn moeder wil u vast wel geld geven.”

“Hè? Je moeder? Dat is waar ook, ik krijg nog een kop soep van je moeder. Nou, daar ga ik dan... In de gang staat nog een pakketje voor je. Een kleinigheidje. Je moet er maar naar kijken als je beter bent.”

“Ik hoop dat u op een dag terugkomt, meneer Ratti. En anders... anders zal ik u nooit vergeten.”

“Oei oei oei...,” fluisterde meneer Ratti verlegen.

Hij slikte. Hij zuchtte. En toen nam hij twee grote passen naar het bed, gaf de kat een aai, streelde Marleen vluchtig over haar haar en zei: “Dag dappere Spillebeen.”

(volgende week slot)