Oude dag moeilijk te betalen

Nederland wordt steeds grijzer, met alle gevolgen van dien in de kostensfeer. De last op de actieve beroepsbevolking zal verder toenemen. In de Tweede Kamer wordt daarom volgende week gesproken over de betaalbaarheid van de AOW en de aanvullende pensioenen.

In ras tempo neemt het aandeel ouderen in de bevolking toe, en binnen de groep ouderen is er een relatief sterke toename van ouderen van zeer hoge leeftijd. “Nederland wordt grijs, zelfs dubbelgrijs”, zegt dr. Willem Drees. En worden al die 65-plussers niet te duur voor de verzorgingsstaat, vraagt Drees (69) zich af, om in één adem het antwoord te geven. “Neen.”

Maar dè expert op het gebied van de AOW voegt daar een “niet onbelangrijke” voorwaarde aan toe: politiek Den Haag moet meer aandacht besteden aan de mensen jonger dan 65 jaar. “De actieve beroepsbevolking is het draagvlak voor de AOW en dat moet worden vergroot.” Dus meer mensen aan het werk door onder meer het begrip passende arbeid te verruimen, de arbeidsongeschiktheid opnieuw te definiëren zodat keuringsartsen ermee uit de voeten kunnen, en de vervroegde uittreding (Vut) af te schaffen (in 1985 heeft Drees gebruik gemaakt van de Vut: “Zo'n kans laat je als econoom niet lopen”).

In de Tweede Kamer wordt begin volgende week gesproken over de betaalbaarheid van de AOW en de aanvullende pensioenen. Op de agenda staat de Pensioennota, die staatssecretaris Ter Veld van sociale zaken medio vorig jaar naar de Kamer heeft gestuurd. De nota bevat het standpunt van het kabinet Lubbers-Kok over de aanvullende pensioenen, want door de vergrijzing en de wettelijke plicht om vrouwen en mannen gelijk te behandelen vreest het kabinet dat de aanvullende pensioenen op termijn onbetaalbaar worden.

Nederland wordt "grijs', maar in welk tempo? Uit de meest recente bevolkingsprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat in de afgelopen vijf jaar het aantal 65-plussers met gemiddeld 1,9 procent per jaar is toegenomen. Sinds de AOW van kracht is (1957) is het aantal bejaarden meer dan verdubbeld tot twee miljoen. Na het jaar 2010 zal het aantal 65-plussers met ongeveer twee procent per jaar toenemen; en over vijftig jaar zullen er meer dan 3,8 miljoen 65-plussers zijn, bijna twee keer zoveel als nu.

Binnen de groep 65-plussers neemt het aantal hoogbejaarden de komende twintig jaar het sterkst toe. Het aantal mensen van 80 jaar en ouder stijgt van 400.000 tot 600.000 in het jaar 2010; en over vijftig jaar telt Nederland een miljoen 80-plussers.

Ouderen vragen in vergelijking met jongeren om “een veelvoud van de collectieve voorzieningen”, betoogt dr. G. Kronjee van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. “Als we kijken naar de uitgaven voor sociale zekerheid, onderwijs, gezondheidszorg en andere maatschappelijke dienstverlening, dan blijkt dat de uitgaven voor iemand tussen de 65 en 79 jaar ongeveer ruim 2,5 maal zo hoog zijn als het gemiddelde per hoofd van de bevolking. De uitgaven voor een 80-plusser zijn ongeveer 3,5 maal het gemiddelde.”

Dr. Kronjee vervolgt: “De jongeren van 0 tot 19 jaar kosten minder dan het gemiddelde. Hieruit blijkt dat een stijging van de lasten door de vergrijzing niet wordt gecompenseerd door de daling van de lasten door de ontgroening”.

Het CBS verwacht dat het proces van ontgroening van de bevolking de komende jaren minder zal worden. Het percentage van de bevolking dat jonger is dan twintig jaar is sinds 1970 gedaald van 36 naar 25. Voor de komende vijftien jaar voorspelt het CBS een stabilisatie rondom de 24 procent en daarna daalt het percentage nog naar 22 in het jaar 2025.

De vergrijzing heeft belangrijke consequenties voor de financiering van de verzorgingsstaat. Immers, er is een "sociaal contract' tussen generaties. De actieve beroepsbevolking draagt - via belastingen en sociale premies - inkomen over naar ouderen voor onder meer AOW, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en volkshuisvesting. Het sociaal contract houdt in dat jongeren als zij oud zijn ook weer een beroep kunnen doen op de dan actieve beroepsbevolking.

De verhouding tussen 65-plussers en de beroepsbevolking is daarom zeer belangrijk. Het aantal bejaarden ten opzichte van de potentiële beroepsbevolking (15 tot 64 jaar) stijgt volgens het CBS in de periode 1990-2010 van 18,6 procent tot 22 procent, daarna oplopend tot 38 à 41 procent in 2040.

De actieve beroepsbevolking "betaalt' de AOW. Jaarlijks wordt een schatting gemaakt van de totale AOW-uitgaven en die worden dan omgeslagen over de actieve beroepsbevolking - het zogenoemde omslagstelsel. Een toename van het aantal bejaarden in verhouding tot de beroepsbevolking leidt òf tot een hogere AOW-premie, òf tot een lagere AOW-uitkering, òf een combinatie van deze twee.

De AOW is de eerste "trede' van de Nederlandse pensioenladder, doceert de voormalig buitengewoon hoogleraar openbare financiën Drees. De Algemene Ouderdomswet geeft een wettelijk recht op een basispensioen, waarvan het niveau is gerelateerd aan het minimumloon en waarbij de uitkeringshoogte afhankelijk is van de burgerlijke staat of gezinssituatie.

Pag 12:

Nederland wordt dubbelgrijs

De AOW werkt volgens een zogenaamd opbouwsysteem: tussen 15 en 65 jaar wordt het pensioen opgebouwd met twee procent per jaar. Wie tussen zijn 15e en 65e jaar steeds verzekerd is geweest krijgt op 65-jarige leeftijd een volledig AOW-pensioen. De AOW is niet afhankelijk van het vroeger verdiende inkomen en vermogen.

De tweede trede wordt gevormd door de aanvullende pensioenregelingen. Deze regelingen zijn vaak een onderdeel van de arbeidsvoorwaarden en zijn een aanvulling op de AOW.

De derde trede bestaat uit vrijwillige, individuele pensioenverzekeringen.

Bij de tweede en de derde trede wordt het pensioen gefinancierd door het zogenoemd kapitaaldekkingsstelsel: men spaart voor het pensioen. Tachtig procent van het Nederlandse spaargeld is bestemd voor de oude dag. In de traditionele vorm steunden deze pensioenregelingen in sterke mate op de verzorgingsgedachte, betoogt fiscaal hoogleraar dr. L.G.M. Stevens. “Maar in de loop van de tijd heeft het prestatie-element meer gewicht gekregen. Pensioen is uitgesteld loon.” Het systeem van kapitaaldekking is volgens Stevens een “verstandige” keuze. “Kapitaaldekking voorkomt dat in de toekomst een te groot beroep moet worden gedaan op de, in omvang slinkende, groep van economisch actieven.”

Ook het belangrijkste ambtelijke adviesorgaan van de regering, de Centrale Economische Commissie, heeft het kabinet vorig jaar geadviseerd het systeem van kapitaaldekking niet te veranderen. “Voor de financiering van de toekomstige vergrijzing is kapitaaldekking zonder enige twijfel de meest aangewezen weg”, aldus de Commissie.

De omvangrijke, contractuele besparingen hebben de financiering van de staatsschuld in de afgelopen jaren vergemakkelijkt. Maar met "Calimero-ogen' blijft het kabinet Lubbers-Kok kijken naar het vermogen van ongeveer 540 miljard gulden van verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen. Deze institutionele beleggers zouden naar de wens van de CDA-PvdA-coalitie meer in Nederland moeten investeren, onder meer in een verbetering van de infrastructuur en het leefmilieu.

Over de aanvullende pensioenen heeft de Tweede Kamer zich nooit zorgen gemaakt, maar met de AOW ligt dat anders. In 1985 vroeg de Kamer aan minister De Koning van sociale zaken om een studie te laten verrichten naar de betaalbaarheid van de AOW in de toekomst. En met het voorzitterschap van de toen opgerichte Commissie oudedagsvoorziening trad de "jonge' Drees in het voetspoor van zijn vader, die met zijn Noodwet Ouderdomsvoorziening (1947) de grand old man van de Nederlandse verzorgingsstaat werd.

In 1987 publiceerde de commissie de studie "Gespiegeld in de tijd'. “Met dat rapport werd de kou uit de lucht genomen”, zegt commissie-voorzitter Drees nu bijna vijf jaar later. De belangrijkste conclusie was dat ook in de volgende eeuw, als de "vergrijzingsgolf' op zijn hoogtepunt is, de AOW betaalbaar blijft. De AOW-premie (op dit moment 14,4 procent) zal in 2030, afhankelijk van economische groei en demografische ontwikkeling, stijgen tot maximaal 15,3 procent.

De uitgaven voor AOW - uitgedrukt als percentage van het nationaal inkomen - zouden volgens Drees cum suis stijgen tot maximaal 8,3 procent in 2030. Uit de meest recente berekening van het ministerie van sociale zaken blijkt dat dit verhoudingsgetal tot maximaal negen procent in 2030 kan stijgen. “De AOW-uitgavendruk zal op lange termijn weliswaar een stijging te zien geven, maar van een verdubbeling zal geen sprake zijn”, schrijft staatssecretaris Ter Veld in de nota Sociale Zekerheid 1992.

Mochten zich in de toekomst tegenvallers voordoen dan moet volgens de commissie-Drees de pensioengerechtigde leeftijd met bijvoorbeeld een jaar worden verhoogd. Dit heeft twee voordelen. De beroepsbevolking, die AOW-premie moet betalen, wordt uitgebreid met 65-jarigen en het aantal mensen dat een AOW-uitkering ontvangt neemt met 6 à 7 procent af.

De meest spraakmakende aanbeveling van de commissie was de verlaging van de AOW-uitkering voor alleenstaanden naar vijftig procent van het sociaal minimum en de volledige individualisering van de AOW. Hier zou in het begin van de jaren negentig een begin mee moeten worden gemaakt. Nu dus, maar anno 1992 heeft de overheid nog niet veel vorderingen gemaakt, meent Drees. “We hebben echter de tijd tot het jaar 2010. In 2011 wordt Nederland namelijk overspoeld door de "grijze golf'. De generatie die in 1946 is geboren wordt dan 65 jaar. Voor 2010 moeten dus de nodige maatregelen worden genomen. Maar de financiering van de AOW blijft natuurlijk een politieke keuze.”

PvdA-leider Wim Kok heeft de AOW "heilig' verklaard. Het is volgens Kok een “volstrekt verkeerd argument” als mensen beweren dat de aanvullende pensioenen in Nederland zo hoog zijn dat het wel wat minder kan met de AOW. Ruim tachtig procent van de actieve beroepsbevolking tussen 25 en 65 jaar (25 jaar is de toetredingsgrens, daaronder betaalt men geen premie en worden ook geen rechten opgebouwd) heeft een aanvullend pensioen.

Honderdduizenden ouderen zijn aangewezen op vrijwel uitsluitend de AOW. Daarom moeten we knokken om deze voorziening in stand te houden. Ik kan geen “goudgerande garantie” geven, maar wel de verzekering dat dit voor mij “de allerhoogste prioriteit” heeft, zei Kok na de publikatie van het PvdA-rapport van de commissie-Wolfson over de toekomst van de verzorgingsstaat.

Over de betaalbaarheid van de AOW en de aanvullende pensioenen wordt maandag in het parlement gesproken. Staatssecretaris Ter Veld van sociale zaken heeft medio vorig jaar de zogeheten Pensioennota naar de Kamer gestuurd: het standpunt van het kabinet Lubbers-Kok over de aanvullende pensioenen.

Door de vergrijzing en de wettelijke plicht vrouwen en mannen gelijk te behandelen vreest het kabinet dat de aanvullende pensioenen op termijn onbetaalbaar worden. De Centrale Economische Commissie heeft het kabinet geadviseerd bejaarden over hun aanvullend pensioen AOW-premie te laten betalen. De topambtenaren wijzen erop dat het relatief lage tarief in de belastingheffing tot gevolg heeft dat bij een volledige pensioenopbouw het netto pensioen relatief hoog is: circa 90 procent van het netto verdiende inkomen in plaats van de beoogde 80 procent. “Aan deze onrechtvaardigheid moet terstond een einde worden gemaakt”, meent een van de ambtelijke adviseurs, “maar bejaarden zijn politiek bijna heilig verklaard.”

Om de kosten te drukken wil het kabinet onder meer dat het pensioen in de toekomst wordt gebaseerd op het gemiddelde loon dat tijdens de loopbaan is verdiend en niet, zoals nu het geval is, op het loon dat wordt verdiend in de laatste drie jaar waarin wordt gewerkt. “Onrechtvaardig” oordeelt PvdA-leider Kok dat het inkomen van sommige “carrière-makers” vlak voordat zij met pensioen gaan nog even fors wordt verhoogd om zo een mooi pensioen in de wacht te slepen.