Op een keer 9

Op een ochtend liep de mier door het bos. Wat is mijn hoofd toch zwaar, dacht hij. Hij moest tijdens het lopen zijn hoofd met zijn rechter voorpoot ondersteunen. Maar daardoor kon hij niet goed lopen.

Onder de wilg bleef hij staan en zuchtte.

Er lag daar een steen. Daar ging hij op zitten. Hij ondersteunde zijn hoofd met zijn beide voorpoten. Wat s het zwaar, dacht hij.

Ik weet wel hoe dat komt, dacht hij. Dat komt omdat ik alles weet. En dat weegt heel zwaar.

Het was een sombere dag. Af en toe regende het even. Zwarte wolken joegen door de lucht. De bomen kraakten en kreunden in de wind.

Het is maar goed dat ik alles weet, dacht de mier. Want als ik nóg meer zou weten dan zou ik mijn hoofd helemaal niet meer kunnen tillen.

Met enige moeite schudde hij zijn hoofd en zag in zijn gedachten al voor zich hoe zijn hoofd door zijn voorpoten zou zakken en met een dreun op de grond zou vallen. Dan, dacht de mier, ben ik verloren.

Het komt natuurlijk, dacht hij, omdat ik zo verschrikkelijk veel denk. Ik denk ook over alles. Over honing, over stoffigheid, over de oceaan, over achterdocht, over regenflarden, over zoet hout, noem maar op. En dat zit nu allemaal in mijn hoofd.

Zijn ellebogen werden moe en langzaam gleed hij van de steen af. Hij lag ten slotte op zijn buik met zijn kin op de grond. Zijn hoofd was nog iets zwaarder geworden. Ik weet nu dus blijkbaar iets wat ik daarnet nog niet wist, dacht hij. Maar nu weet ik dan toch ook echt alles, hoop ik.

Hij merkte dat hij zijn hoofd niet meer kon schudden en ook niet meer kon knikken. Zou ik nog kunnen glimlachen, dacht hij. Hij probeerde het en hij voelde een flauwe glimlach op zijn lippen verschijnen. Maar geeuwen kon hij niet meer, en ook niet fronsen en zijn tong uitsteken.

Zo lag hij daar in het midden van het bos op een sombere dag in de herfst.

Omdat hij alles wist wist hij ook dat de eekhoorn die middag toevallig langs zou komen.

“Mier!” zei de eekhoorn verbaasd toen hij hem daar zo zag liggen. “Wat doe jij daar?”

“Ik kan mijn hoofd niet meer bewegen,” zei de mier.

“Waarom niet?” vroeg de eekhoorn.

“Ik weet te veel,” zei de mier. Zijn stem klonk ernstig en bedrukt.

“Wat weet je dan te veel?” vroeg de eekhoorn.

“Ik weet alles,” zei de mier.

De eekhoorn keek hem met grote ogen aan. Hij wist zelf wel iets, meende hij. maar hij had zo'n vermoeden dat hij veel meer niet wist dan wel wist. Daarom is mijn hoofd natuurlijk zo licht, dacht hij en zwaaide het moeiteloos heen en weer.

“Wat nu?” vroeg hij.

“Ik vrees,” zei de mier, “dat ik iets moet vergeten.”

Dat leek de eekhoorn ook het beste. Maar wat moest de mier vergeten? De zon? De smaak van honingtaart? De verjaardag van de walvis? Zijn winterjas? De mier probeerde al die dingen te vergeten. Maar het maakte weinig verschil.

“Misschien moet je mij maar vergeten,” zei de eekhoorn ten slotte, heel voorzichtig.

“Jou?” zei de mier.

“Dat kan toch?”

De mier knikte. Hij sloot zijn ogen. En plotseling vloog hij omhoog, alsof hij een veertje was in een vliegende storm.

De eekhoorn deinsde achteruit. De mier verdween bijna uit het gezicht, boven de bomen. Toen viel hij weer op de grond.

“Ik was je echt vergeten, eekhoorn,” zei hij, terwijl hij met een pijnlijk gezicht over zijn achterhoofd wreef. “Maar opeens dacht ik weer aan je.”

De eekhoorn keek naar de grond en zei:

“Het was ook maar een voorstel.”

“Ja,” zei de mier.

Hij zat op de grond. Maar door de klap was hij vergeten dat hij alles wist. En tot zijn verbazing stond hij plotseling op.

Even later liepen zij samen door het bos. Zij zwegen een tijd lang. Toen zei de eekhoorn:

“Ik heb thuis nog een pot beukenhoning.”

“Ach,” zei de mier. “Dát wist ik niet!” Hij maakte een sprong in de lucht van plezier en holde alvast vooruit naar de beuk.