Mitsen en maren

DE EENMANSACTIE in het debat over het verdrag van Schengen van CDA-woordvoerder Gualthérie van Weezel voor een identificatieplicht “zonder mitsen en maren” is door politiek topberaad in het Torentje van de premier geneutraliseerd.

Iedereen feliciteert elkaar met de wijze terughoudendheid die aan de dag is gelegd in een kwestie die volgens de commissie die nieuwe wetgeving moet toetsen “een verregaande ingreep in de vrijheid van de burgers” meebrengt. De deelnemers aan het topberaad zijn echter aan de verkeerde kant begonnen. De vraag is niet of een algemene ID-plicht dient te worden afgezwakt, maar of er eigenlijk wel voldoende argumenten zijn voor invoering van een beperkte legitimatieplicht.

Dit laatste dient te worden betwijfeld, al was het alleen omdat het beperkte karakter van de plicht schijn is. Afgezien van voetbalwedstrijden wordt een legitimatiebewijs voorgeschreven voor iedere werknemer op het werk, iedere klant van de bank en in het hele openbaar vervoer. Allemaal plaatsen waar menigeen een groot deel van zijn tijd doorbrengt. Algemene controles onder het mom van vreemdelingentoezicht vormen nog een bijzonder addertje onder het gras. De beperking zit hem, zoals minister Hirsch Ballin (justitie) het vorig jaar in de Eerste Kamer uitdrukte, in de omstandigheid dat wij in dit land niet tegen de mensen zeggen: “ook als u 's avonds een brief op de bus doet of uw hond uitlaat, is het van groot belang dat u een pasje, de ID-kaart of het paspoort bij u draagt”.

Als die brievenbus bij een bank staat in een grote stad zou dat nog niet eens zo gek zijn, was het weerwoord van senator Schuurman (RPF) die ook al een algemene identificatieplicht bepleitte. En natuurlijk loopt het daarop uit als het plan van Hirsch Ballin doorgaat. Zelf zegt hij nu ook dat de mensen op den duur niet beter zullen weten dan dat ze altijd dat handige plastic pasje bij zich hebben - ook bij het uitlaten van de hond.

WAAROM IS dat toch zo nodig? De voorzitter van de club van politiechefs (CPB) heeft zich uiterst sceptisch betoond over de concrete bijdrage aan de criminaliteitsbestrijding. Wel betekent het “een extra druk op de verhouding tussen politie en burger”. Deze analyse bevestigt de indruk van andere deskundigen dat de ID-plicht slechts een zogenaamde oplossing voor een slecht gedefinieerd probleem is. Op in wezen ideologische gronden - “Nederland is ziek” - wordt de deur geopend voor Kafka. Want de zogeheten beperkte identificatieplicht staat niet op zichzelf. Er is een samenhang met het fouilleren van personen. Er is, via de handterminal van de moderne controlefunctionaris, een verbinding met databestanden. Helemaal makkelijk wordt het met dat handige pasje van Hirsch Ballin; kijk maar eens wat men in een modern bedrijf daar niet allemaal mee kan doen - “de elektronische schaduw” heet dat.

In één ding had Gualthérie van Weezel gelijk, namelijk toen hij zei niets te maken te hebben met “afspraken in Torentjes”. De identificatieplicht verdient evenzeer een kritisch debat op de merites als "Schengen' zelf deze week dan ten slotte in de Kamer kreeg. ("Schengen' behelst de afschaffing van persoonscontroles aan de binnengrenzen van een groeiend aantal geselecteerde EG-landen.) De enige schaduw was dat deze kwestie werd gekoppeld aan de binnenlandse legitimatieplicht. Er is veel mis met "Schengen' maar niet dat Nederland daartoe wordt verplicht.

DE TWEEDE KAMER heeft wat het Schengen-verdrag zelf betreft met reden bezwaar tegen het gebrek aan rechterlijke en democratische controle, met andere woorden: de grote speelruimte die het ambtelijke apparaat voor zichzelf in het uiteindelijke verdrag heeft gereserveerd. Dat is precies het gebrek dat de hele geschiedenis van de totstandkoming van het verdrag kenmerkt. Rechtsgeleerden hebben voorgerekend dat er nog wel iets aan te doen valt. Via het Hof van justitie van de EG kan worden voorzien in rechterlijke toetsing en het Uitvoerend Comité van Schengen kan worden verplicht voorgenomen besluiten eerst te melden bij de parlementen van de deelnemende staten.

Het blijft wel lapwerk, zoals de eis dat alle deelnemende landen dienen te beschikken over een privacywet in verband met het grensoverschrijdende elektronische informatiesysteem waarmee Schengen de politie pleziert. Nederland heeft een speciale wet op de politieregisters. Deze is volgens vakmensen weerbarstig in de praktijk en heeft niet geleid tot een merkbare inperking van snuffelpraktijken. Integendeel, de criminele inlichtingendiensten - een notoir “grijs” circuit - bloeien als nooit te voren. En straks heeft iedere politieman op straat, zoals gezegd, zijn eigen Schengenterminal.

HET SCHENGENPROCES is onomkeerbaar, zo houden ambtenaren nu fijntjes de critici voor nadat ze eerst zelf hun best hebben gedaan het voldongen feit te scheppen. Europa staat inderdaad niet stil, maar dat werkt naar beide kanten. Ook het Europa van de kritiek is in beweging. Er is alle reden vast te houden aan de eis van nadere waarborgen. Het logische alternatief is immers dat een uitvoerende overeenkomst met zulke tekorten als "Schengen' nu vertoont, wordt verworpen.