Mijn hele leven op schrift; DDR-schrijver Lutz Rathenow

Dat er in de voormalige DDR spionnen werkten was bekend, maar wie had gedacht dat een talentvol dichter intensief voor de inlichtingendienst werkte? Sascha Anderson ("Hij is een epigoon, maar dat geeft niet') blijkt jarenlang gedetailleerde informatie over zijn vrienden en collega's te hebben doorgespeeld aan de Stasi. “Hij streefde naar een absolute macht en niemand in zijn omgeving wilde of kon hem tegenhouden. Dat was zijn grootste talent.” Reinjan Mulder reisde naar Berlijn en sprak met onthutste slachtoffers en collega-schrijvers. Een van hen is Lutz Rathenow, die twee maanden heeft uitgetrokken om zijn eigen Stasi-dossier (16.000 bladzijden) te bestuderen: protocollen van telefoongesprekken, verslagen van dagelijkse ontmoetingen en foto's. “De Stasi was geen gewone geheime dienst, maar iets veel subtielers. Je wilden je labiel maken, je in een isolement drijven, zodat je vatbaar werd voor hun wervingsmethoden.”

“Het zijn hectische tijden.” De Oostberlijnse schrijver Lutz Rathenow (39) komt met een tas vol ochtendkranten zijn woning binnen. Hij heeft het druk. Over twee dagen moet hij een artikel voor de Frankfurter Allgemeine inleveren, waarin hij reageert op de "bekentenis' van de schrijver Rainer Schedlinski, die ook al voor de Stasi blijkt te hebben gewerkt. Maar hij vindt het toch wel prettig om even met een buitenstaander te praten. Hij wordt zo door de gebeurtenissen in beslag genomen dat zijn hoofd dreigt om te lopen.

De afgelopen drie weken heeft Rathenow bijna dagelijks in zijn Stasi-dossiers zitten lezen. Ik kan me voorstellen dat dat geen onverdeeld genoegen is. Een dag voor mijn bezoek heeft het weekblad Die Zeit al passages uit dit dossier geciteerd waarin te lezen is dat Rathenows huwelijk indertijd hevige spanningen kende. Volgens de rapporteur van de geheime dienst, de schrijver Sascha Anderson, zouden deze spanningen "beslist' met andere partners te maken hebben.

Ook over Rathenows karaktereigenschappen is de laatste tijd wellicht meer bekend geworden dan hem lief is. De nu 39-jarige schrijver is, aldus de Stasi-rapportage die in Die Zeit wordt geciteerd, iemand die elk nieuw contact dat hij leggen kan aangrijpt. Ik kan me voorstellen dat die observatie juist is. Rathenow is inderdaad een hartelijke man. Meteen na de begroeting krijg ik van hem een gesigneerd exemplaar van zijn eerste verhalenbundel, Mit dem Schlimmsten wurde schon gerechnet, alsmede een bundeltje recensies van een boek dat hij samen met een fotograaf over de vroegere DDR maakte.

“Het lezen van je eigen dossier is een duel tegen jezelf,” zegt hij als we aan tafel hebben plaatsgenomen. “Een heel vreemde ervaring. Je wordt geconfronteerd met een beeld van jezelf dat anderen hebben, en dat niet altijd zo mooi is als je zou willen. Je wordt met je eigen zwakheden geconfronteerd. Ik las in mijn stukken wat mijn lievelingswijn was, wat ik in mijn vrije tijd deed, ja, zelfs op welk type vrouw ik viel. Het is bijna een literaire ervaring. Je leest over iemand die dezelfde naam heeft als jij, maar die toch niet degene is die je denkt dat je bent.”

Lutz Rathenow beklaagt zich niet. Hij heeft er bewust voor gekozen met zijn verleden te worden geconfronteerd. Toen de archieven op 1 januari van dit jaar opengingen, was hij bezig aan een toneelstuk, Autorenschlachten. Het zou eigenlijk op 1 maart in première gaan, maar dat zal nu wat later worden. “Ik heb eerst twee maanden uitgetrokken om in mijn dossier te lezen. Dan zien we wel wat eruit komt. Ik neem aan dat mijn toneelstuk er door beïnvloed wordt.”

Rathenow heeft zich voorgenomen zo veel mogelijk met zijn bevindingen te doen. “Het stuk waaraan ik werk gaat over de literaire situatie in de DDR. Oorspronkelijk kwam er een auteur in voor die voor de Stasi werkte zonder dat zelf te weten. Dat komt dus goed uit. Omdat hij zelf niets meer kan, doodt hij een andere schrijver om zijn manuscripten te kunnen gebruiken.” Rathenow lacht: “Ook dat is misschien wel heel vooruitziend. Het is een gerucht dat nu over Anderson de ronde doet. Ik kijk nergens meer van op.”

Voorrangsregeling

De schrijver heeft het geluk dat hij een van de eersten is die zijn dossier mag inzien. Omdat de Stasi in de DDR vier miljoen mensen in de gaten hield en daarnaast nog eens twee miljoen mensen in de Bondsrepubliek, is er een voorrangsregeling gemaakt. Een belangrijk criterium om snel toegang tot de leeszaal te krijgen is de dikte van je dossier. Wie de meeste akten heeft, mag het eerst naar binnen. Rathenow behoort duidelijk tot de top. Hij geldt sinds jaar en dag als een uitgesproken dissident. Volgens een ruwe schatting zijn er 16.000 bladzijden over hem zijn volgeschreven. “Als ik alles goed wil lezen ben ik zeker tien jaar bezig.” In het Berlijnse archief liggen vijftien mappen, met ieder ongeveer 350 bladzijden. Daarnaast zijn er de protocollen van telefoongesprekken en mappen over zijn jongere jaren, in het archief in Gera. Ten slotte is er beeldmateriaal van hem verzameld. In zijn dossier vond hij stapels foto's van zichzelf, vaak series. Wanneer hij iemand op straat ontmoette kon de hele scène op film worden vastgelegd.

“Het lijkt of ik mijn hele leven nu op schrift heb,” zegt Rathenow. Toch is die indruk bedrieglijk. Naast de stukken die achterhaald zijn, zijn er ongeveer 6.000 bladzijden die vernietigd zijn. Toen de Stasi zag aankomen dat de dossiers in vreemde handen zouden kunnen vallen, is systematisch alles verwijderd wat voor medewerkers gevaarlijk zou kunnen worden. “Ze waren kennelijk zeer goed op de hoogte van wat strafbaar was. Wat voor 1984 is gebeurd, is nu verjaard. De dossiers uit die tijd zijn dan ook vrijwel compleet.” Een troost is al dat ook de vernietigingen keurig op schrift zijn gesteld. In zijn dossier vond Rathenow een officieel "vernietigingsprotocol' uit november 1990.

Rathenow beseft dat hij zijn voorrangsbehandeling bij het archief voor een deel te danken heeft aan zijn coöperatieve houding. Zo heeft hij er, evenals de schrijvers Wolf Biermann en Jürgen Fuchs, in toegestemd zijn bevindingen openbaar te maken. De Gauck Behörde, het bureau dat de Stasi-archieven beheert, had dringend behoefte aan mensen zoals ik. “Mijn zaak moet dienst doen als breekijzer. De laatste maanden is er veel oppositie geweest, ook van bekende schrijvers als Stephan Heym, tegen het openen van de archieven. Aan de hand van mijn geval kan nu hopelijk worden duidelijk gemaakt hoe noodzakelijk het is dat er snel volledige openbaarheid komt.” In deze fase gaat het vooral om de feiten. “Later zal er veel intensiever naar het materiaal gekeken moeten worden. Er zullen dan nog wel meer verrassingen volgen, maar dan gaat het eerder om de achtergronden. Er zal taalkundig, politicolisch en sociologisch onderzoek moeten komen naar het verschijnsel.”

Voor Rathenow is pas met het lezen van zijn dossiers het definitieve einde van de DDR aangebroken. De bezwaren die andere schrijvers tegen de openbaarmaking hadden, ziet hij als een teken van kwade trouw. “Of deze mensen werkten zelf voor de Stasi, of ze hebben in de tijd van de DDR veel te veel compromissen gesloten. Alle angst voor openbaarmaking blijkt nu misplaatst. Er is indertijd gezegd dat er heksenjachten zouden plaatsvinden, als de dossiers open zouden gaan, er zou moord en doodslag volgen, maar tot nu toe is daarvan niets uitgekomen. De namen van spionnen zijn bekend geworden, hun woningen en hun inkomsten, maar wat er is gebeurd, heeft alleen plaatsgevonden in het bewustzijn.”

Dubbelrol

Op een oude foto van de fotografe Helga Paris zit Lutz Rathenow broederlijk naast Sacha Anderson, luisterend naar een van de half illegale poëzievoordrachten op de Prenzlauer Berg. De spion en zijn niets vermoedende slachtoffer. Is Rathenow verbaasd over de dubbelrol die zijn makker van weleer heeft gespeeld?

“Gelukkig heeft Anderson nooit tot mijn allerbeste vrienden behoord. Ik had zeven of acht echte vrienden, en daar was hij niet bij. In het begin van de jaren tachtig ging ik vriendschappelijk met hem om, tot onze relatie plotseling werd geblokkeerd. Achteraf weet ik natuurlijk waardoor dat kwam, maar toen dacht iedereen dat het om literaire geschillen ging. Er ontwikkelde zich tussen ons een discrete vijandschap. Voor buitenstaanders leek het of wij concurrenten waren. Zelf dacht ik dat het om karakterverschillen ging.

“Vanaf het midden van de jaren tachtig wilde ik al niets meer met hem te maken hebben. Juist tegen die achtergrond is het verbazingwekkend, en ook heel interessant, hoeveel iemand die je niet goed kent toch nog over je weet te melden. Hij moet heel veel hebben gehoord van andere mensen die bij me over de vloer kwamen.”

In november van het vorige jaar verschenen de eerste stukken in de pers over de zaak-Anderson. Sinds wanneer wist Rathenow dat er iets aan de hand was? “In het voorjaar van 1991 deed het eerste gerucht de ronde. Andersons naam kwam voor in de marge van een telefoonprotocol. Daarna werden de geruchten sterker. We hoorden dat hij geen slachtofferdossier had. Dat is heel verdacht. Ieder fatsoenlijk mens heeft zoiets, of anders tenminste een voorbereidend dossier. Toen bleek dat hij in de kaartenbak met onofficiële Stasi-medewerkers voorkwam, besloot Wolf Biermann iets naar buiten te brengen. Later kwamen de stukken van Fuchs. Ook Biermann wist het fijne niet, maar uit het feit dat Anderson geen proces begon kon je afleiden dat hij fout zat.”

Mensen die het voor Anderson hebben opgenomen hebben aangevoerd dat hij met zijn spionage weinig onheil heeft aangericht. Rathenow is het daar niet mee eens. “De Stasi was er niet zozeer op uit iemand strafrechtelijk te vervolgen. Dat zou de DDR te veel problemen geven met het Westen. Ze probeerden je privéleven te verstoren, je relaties, je huwelijk, je vriendschappen. In die zin was de Stasi geen gewone geheime dienst, maar iets veel subtielers. Ze wilden je labiel maken, je in een isolement drijven, zodat je vatbaar werd voor hun wervingsmethoden.”

Hij vindt het vooral kwalijk dat Anderson informatie doorgaf over mensen die manuscripten naar het Westen smokkelden. “Voor een schrijver is het vinden van een uitgever en lezers van essentieel belang. Als boeken hier niet verschijnen konden, moesten ze het Westen bereikten via diplomaten en journalisten. Als zij met een manuscript aan de grens werden gepakt was dat het einde van een verbinding.”

Ik vraag of Anderson een spion was die dichter werd of een dichter die spion werd. Rathenow legt uit dat je dat zo niet zeggen kunt. Zijn beide functies liepen in elkaar over. De dichter hielp de spion en de spion de dichter. “Hij gebruikte de Stasi om mensen naar voren te halen die hem goed lagen en om mensen die hem onwelgevallig waren lastig te vallen.”

Legendebouwer

Rathenow heeft de indruk dat Anderson het niet verdragen kon dat iemand in het Westen meer succes kreeg dan hij. “De literatuur van de Prenzlauer Berg zou volgens hem het voorbeeld moeten worden voor de DDR-literatuur van de toekomst. Anderson was een legendebouwer. Ik gold jarenlang als zijn voornaamste tegenspeler. Hij streefde naar een absolute macht en niemand in zijn omgeving wilde of kon hem tegenhouden. Dat was zijn grootste talent. Toen het me allemaal te dwaas werd heb ik me teruggetrokken. Ik had nog andere kringen. Dat was wel mijn grootste ontdekking: dat er nog meer was dan de Prenzlauer Berg.”

Uit Rathenows dossier wordt duidelijk dat Anderson mede bepaalde welke buitenlandse journalisten in de DDR werden toegelaten. Hij vertelt hoe de Nederlandse journalist John Albert Jansen indertijd het voorwerp van Andersons inlichtingenwerk was. Na een interview bij Rathenow thuis had de Nederlander aan Sascha Anderson verteld wat hij van de dissidente schrijver te horen had gekregen. Het resultaat is terug te vinden in het dossier. Daar staat welke positie Jansen tegenover de DDR innam en hoe zijn publikatie vermoedelijk uit zou vallen. Anderson adviseerde de Stasi in dit geval eerst af te wachten wat er in de krant kwam, en daarna te beslissen of de Nederlander in de toekomst een inreisverbod moest krijgen. Het leek Anderson niet uitgesloten dat John Albert Jansen in de toekomst nog problemen zou kunnen opleveren.

Onontwarbaar web

De vraag die nog onbeantwoord is, is of de Stasi Anderson ook gebruikte om meningen over literatuur te verspreiden. Nog niet zo lang geleden betoogde de dichter in een artikel in de Frankfurter Allgemeine dat de tijd voor dissidente literatuur in de DDR voorbij was. Anderson pleitte voor een poëzie die zich van de politiek niets aantrok. De poëzie dus zoals die bloeide op de Prenzlauer Berg. Rathenow sluit niet uit dat een dergelijk standpunt door de DDR-officials is aangedragen: “Ik moet daar nog over nadenken. Wat is het verband tussen hermetische poëzie en spionage? Het is voor mij een onontwarbaar web. Natuurlijk waren de dichters van de Prenzlauer Berg geen marionetten van de Stasi. Dat zou niet kunnen. De Stasi had geen enkel benul van literatuur. Maar de dichters hadden wel het vreemde gevoel dat ze de staat overwonnen hadden. Ze keerden zich tegen schrijvers zoals ik die zich nog wel met politiek bezig hielden.

“Ik sluit ook niet uit dat de gemaniëreerdheid van sommige dichters van de Prenzlauer Berg een reactie was, een uitvlucht na het verlies van hun individualiteit. Anderson was zeer getalenteerd in zijn eerste boek, er stonden hulpkreten in die we nu pas kunnen begrijpen. In zijn latere werk zie je hoe hij afglijdt in het niets. Hij wordt een walkman van de poëzie. De woorden gaan door zonder dat hij er zelf nog bij is.”

Rathenow vergelijkt de richting die de dichters van de Prenzlauer Berg zijn ingeslagen met een totalitaire ideologie: "ze zijn gericht op het verlies van het ik.' Hij zet nu ook vraagtekens bij hun streven af te zien van het grote publiek. “Het is toch eigenlijk grotesk dat ze in die tijd boekjes maakten die speciaal bedoeld waren voor een paar verzamelaars in de Bondsrepubliek. Ze maakten opzettelijk kleine oplagen en ze verkochten deze exclusiviteit met goedvinden van de Stasi als de samizdat van de jaren tachtig.

“Veel vragen komen de laatste dagen bij me op. Waarom kijken de dichters van de Prenzlauer Berg zo neer op de journalistiek? Waarom wilden ze zelf afzien van elke openbaarheid? Wat je in ieder geval kunt zeggen is dat de Stasi mensen als Anderson en Schedlinski nodig had. Individualisten die zeiden dat in de DDR alles kon. Hun optreden voorkwam dat er een werkelijk subversieve underground in de DRR ontstond. Ze distantieerden zich nadrukkelijk van politieke conflicten. Hun leus was: ons interesseert de DDR niet. De smerigheid uit de alledaagse realiteit werd onzichtbaar gemaakt. Wie daar over schreef werd voorgesteld als ouderwets.”

Wat zal er volgens Rathenow nu van Anderson worden? “Hij gaat waarschijnlijk een mooie toekomst tegemoet. Hij zal wel door allerlei DDR-germanisten en Goethe Instituten worden uitgenodigd om dramatische lezingen te houden over zijn leven als Stasi-spion.” Wolf Biermann zei het al: de daders zullen meer aandacht krijgen dan de slachtoffers.