Kippeborst contra kunstgebit

Maarten 't Hart noemt hem, in het laatste nummer van het maandblad Maatstaf, “een gnoom” met een “grauw muizesmoeltje” respectievelijk een “grauwwit wezelgezichtje”, waarin “een kunstgebit dat maar niet goed passen wil”.

Waar heb ik dat eerder gelezen?

In Folia Civitatis, weekblad van de Universiteit van Amsterdam. Bij monde van Boudewijn Büch, die gewaagde van een “naar mannetje” met een “klein muizesmoeltje” waarin “een loshangend kunstgebit”. Bovendien was de betreffende persoon zijns inziens een “plakkerig mispunt”, een “laffe schriep”, een “stiekeme lul”, een “literaire zielepoot” en een “onbetrouwbaar letterensujet”, de eerste onder de “figuurzagende miezemuizers” met een ongezond prominente positie “in het poldereske letterenland”.

De heren 't Hart en Büch doelen vanzelfsprekend op Carel Peeters, literatuurcriticus bij het weekblad Vrij Nederland en inmiddels één der meest uitgescholden inwoners van het Koninkrijk der Nederlanden

Renate Dorrestein noemde hem een “vuilspuiter”.

Jan Wolkers noemde hem een “warhoofd” met “de ogen van een uilskuiken”.

Theodor Holman vindt hem “volstrekt uitgeblust” en het vleesgeworden bewijs “hoe verrot het Nederlandse recensentendom werkelijk is”.

Piet Grijs sprak, in nota bene Peeters' eigen weekblad, over “de grootste ouwehoer onder de recensenten”, een man met een “bord voor zijn kop”, zonder “gevoel voor stijl, voor vorm, voor schrijfplezier, voor zinsconstructie, voor woordvondsten”.

Peeters is altijd een man met vijanden geweest. Dat kan niet anders. Het is zijn professie niet bij iedereen even geliefd te zijn. Hij beheert de boekenkast van een invloedrijk weekblad, schrijft kritieken, laat kritieken schrijven en is dus een factor bij de publieke appreciatie of disappreciatie van de te bespreken publikatie.

Een boek van Maarten 't Hart bespreekt hij bij voorkeur zelf. Waarom eigenlijk? Want hij vindt dat eigenlijk een schrijver van niks. Neem 't Harts De Steile Helling. Dit boek, aldus Peeters, is “verdronken in lachwekkendheid, predestinatieleer en horkerige dialoog”. En als hij toevallig iets anders aan zijn kop heeft, stuurt hij één van zijn vleugeladjudanten op de schrijver af. Diny Schouten, bijvoorbeeld, die 't Harts Het Uur tussen Hond en Wolf veroordeelde om zijn “stuitend gemakzuchtige zinswendingen”, voorgedragen op een “huilerige toon van zelfbeklag”.

Het conflict tussen 't Hart en Peeters escaleerde eind 1990 toen de eerstgenoemde zijn Een Dasspeld uit Toela publiceerde, een bundel essays waarin 't Hart de vergrauwing, veracademisering en verneerlandisering der Nederlandse literatuurkritiek aan de orde stelde. Het geschiedde in de onbewimpelde bewoordingen die wij van hem gewend zijn. Hij sprak over “een literair klimaat” waarin een valse “door-en-door-coherente” romankunst bloeit, bestaande uit flinterdunne boekjes vol structuren, dubbele bodems, “diepere betekenislagen”, spiegelingen, vol symboliek, met begripsniveaus tot in de derde graad toe, waarop gestudeerd kan worden, en die alleen maar geschreven lijken “om de universitaire interpretatielust te bevredigen”.

En de aanvoerder van deze "misdadige meute' is de man die sinds enige jaren centraal staat in 't Harts avondgebedje: "Geef ons wat beeters / dan Carel Peeters'.

De schrijver verkneuterde zich, zei hij, in het vooruitzicht op de wilde woede van de bekritiseerde critici. “Ze zullen huilen als duizend hyena's met hamers geslagen”. De reacties waren echter milder dan gehoopt en verwacht. K.L. Poll prees 't Hart als “een vurig natuurpaard dat uitdagend ronddraaft op het keurige, rustige concours hippique van de Nederlandse literatuur”. Arnold Heumakers verheugde zich in 't Harts “levendige, eigenwijze, soms een beetje boosaardige, maar altijd onderhoudende betogen”. Gerrit Jan Zwier sprak over “kostelijke lectuur”, door een “nieuwe Multatuli” geschreven. “De onbekommerde polemische toon en de vaak prachtige citaten staan inderdaad haaks op het door de schrijver zo verfoeide schraalhannesproza van vele zijner collega's.”

Eén criticus was het hier nadrukkelijk mee oneens. Hij vond “zeker de helft van deze essays en lezingen onleesbaar door de toon van de verongelijkte gelijkhebber”. Wat is die 't Hart toch “een kleinburgerlijk lulletje” dat “alles puberaliseert” in een “ouwewijvenstijl”, die kenmerkend is voor “het benauwend ressentiment dat in een kippeborst huist”.

Was getekend: Carel Peeters.

Is het verstandig om een boek te bespreken waarin je zelf zo'n vooraanstaande (negatieve) rol speelt?

Nee, dat is het niet, mede omdat het in dit geval een criticus betreft waarvoor 't Hart zich, zoals hij in het Maatstaf-artikel constateert, veertien jaar lang zijn vingers blauw heeft gerecenseerd. Toen vonden de heren elkander blijkbaar nog hoogst getalenteerd. “In al die jaren plaatste hij gretig al wat ik schreef”, zegt 't Hart.

En in al die jaren deponeerde 't Hart met dezelfde gretigheid zijn kritieken en beschouwingen op het bureau van dezelfde Peeters, die hij thans met diens eigen valse tanden om de oren slaat.

Dat moeten ter redactie gezellige confrontaties zijn geweest:

“Zo, gnoom, tover eens een lachje op je grauwe muizesnoetje, want ik heb weer een prachtartikel voor je.”

“Zeker weer in die ouwewijvenstijl van je geschreven, kleinburgerlijk lulletje dat je bent...”

“Dat neem je terug, kunstgebit!”

“Van m'n leven niet, kippeborst!”

Een vreemd duel, de kippeborst als kampioen van het letterkundig enthousiasme, het kunstgebit als kampioen van een literatuur die zorgvuldig kauwen vergt. Het is een duel tussen twee belezen, erudiete mannen, kennishongerige eierhoofden die, hun controverses ten spijt, méér op elkaar lijken dan hen lief zal zijn. Ik mag dit soort types wel, zelf eierhoofd uit aanleg en overtuiging. Niettemin moet worden geconstateerd: van het polemisch steekspel, waarin de strijdbijl met de elegance van een floret dient te worden gehanteerd, hebben Maarten 't Hart noch Carel Peeters veel verstand.