Is de beul al gekomen? Uitnodiging tot een onthoofding van Nabokov

In "Uitnodiging tot een onthoofding' dist Vladimir Nabokov een gruwelijk verhaal op over een man, Cincinnatus C., in een land met een vaag totalitair régime. Vaak is het verhaal zo eigenaardig dat het grappig lijkt, soms is het door de absurditeit extra gruwelijk. “Wat wil de listige schrijver ons nu eigenlijk vertellen? Dat wat werkelijk van belang is in het leven, niet de oppervlakkige poppenkast is die we zien, maar iets dat zich juist aan de blik onttrekt?”

Vladimir Nabokov: Uitnodiging voor een onthoofding. Vert. Anneke Brassinga. Uitg. De Bezige Bij, 190 blz. Prijs ƒ 34,90

“o - mijn vriend - deze wereld is niet de echte,” dichtte Hans Lodeizen ooit. Het zou het motto kunnen zijn voor de roman Uitnodiging voor een onthoofding van Vladimir Nabokov. De wereld die hij daarin beschrijft is er een van bordkarton. Het is een wereld die van slecht bedachte en slecht uitgevoerde verzinsels aan elkaar hangt, waarin slordig geschminkte personages wrede grappen uithalen terwijl "buiten een zomers onweer werd opgevoerd, eenvoudig maar smaakvol van enscenering'. Er is een onduidelijk totalitair régime aan de macht, dat een grote afkeer heeft van alles wat wel echt is, van iedereen die denkt en voelt als een levend mens in plaats van als een karikatuur. Dat is dan ook de grote fout van Cincinnatus C., de hoofdpersoon. Hij is echt. Hij is ondoorzichtig, hij denkt na. Daarom heeft hij de doodstraf gekregen, daarom zit hij in een cel te wachten op zijn executie. Zijn advocaat, "een voorstander van de klassieke onthoofding' die geen moment de indruk maakt zijn cliënt te willen verdedigen, heeft de rechter met gemak van zijn voorkeur weten te overtuigen. Een onthoofding zal het dus zijn. Met een bijl.

Het is een gruwelijk verhaal dat Nabokov hier op dist. Tenminste, waarschijnlijk wel. Maar het is vaak zo eigenaardig dat het helemaal niet gruwelijk lijkt maar voornamelijk grappig. En soms is het weer, juist door zijn absurditeit, extra verschrikkelijk. Het kan voorkomen dat je schaterend zit te lezen hoe iemand het slachtoffer is van verregaande botheid en domheid, waarvoor je je schaamt want dat is niet om te lachen. Tegelijkertijd lijkt lachen de enige mogelijke houding tegenover deze weerzinwekkende onzin - die intussen voor de hoofdpersoon geen onzin is, want hij is er het slachtoffer van. Zowel de lezer als de hoofdpersoon kiezen ervoor om de gang van zaken zo veel mogelijk als een krankzinnige farce op te vatten - met als opvallendste verschil dat de hoofdpersoon zich in die rare wereld bevindt en de lezer er veilig buiten.

In zijn flaptekst vergelijkt Hugo Brandt Corstius het lezen van Uitnodiging voor een onthoofding met een bezoek aan een zeer eigenaardig toneelstuk. In samenvatting klinkt het heel erg, de verbanden die gelegd worden met Hitler en Stalin en Kafka en Freud hangen de bezoeker de keel uit, met tegenzin gaat men naar de schouwburg. Daar wordt het stuk achteloos en slordig opgevoerd, het decor lijkt behekst, er gebeuren dingen die niet kunnen, achteraf weet je niet zo precies wie er nu eigenlijk het slachtoffer was en 's nachts droom je vreemd. Het is een treffende vergelijking. “Er mag gelachen worden,” schrijft Brandt Corstius.

We zien Cincinnatus C., zojuist ter dood veroordeeld. Hij zit in zijn kale cel op zijn harde bed, in een hoek hangt de onontkoombare spin en Cincinnatus rilt van angst voor wat komen gaat. Nogal logisch. Daar zwaait de deur open, de cipier komt binnen. Hij biedt de veroordeelde aan om een wals te dansen. Zo gezegd, zo gedaan. Gevangene en bewaker zwieren in het rond, de cel uit de gang op. Daar staan nog andere cipiers, met hondenmaskers op. Het is pas de tweede bladzij van de roman en nu al is de hoofdpersoon ten dode opgeschreven en heeft zijn wereld zich ontpopt als een die onmogelijk de echte kan zijn. Worden mensen dan wel onthoofd in een wereld die niet de echte is? Blijkbaar wel. En ze zijn er ook bang voor, net als in de echte wereld.

Hoon

Wat wil die gemene, slimme Nabokov nu weer? Waarom drijft hij de spot met zoiets vreselijks, wat doen we in dit krankjorume fort? In zijn voorwoord bij de Engelse vertaling die hij in 1959 samen met zijn zoon Dmitri van het Russische origineel maakte, hoont de schrijver de lezers die zijn visie op het bolsjewisme en het nazisme in verband willen brengen met dit boek. Hij hoont ook de critici die hem met allerlei beroemde schrijvers hebben vergeleken (Kafka!) en beweert dat hij toen hij Uitnodiging voor een onthoofding schreef (in 1934) nog nooit een letter van Kafka had gelezen. Hij heeft alles te danken aan maar één grote schrijver: de melancholieke, exuberante, wijze etc. Pierre Delalande. Die bestaat natuurlijk niet, die heeft Nabokov voor de gelegenheid uitgevonden. Aan het oeuvre van deze verzonnen schrijver ontleende hij het motto voor deze roman: Comme un fou se croit Dieu, nous nous croyons mortels. Een raadselachtige uitspraak. Zijn we dan niet sterfelijk? Of is het verhaal al begonnen en slaat dit alleen op Cincinnatus die immers een romanpersonage is en dus onsterfelijk? De lezer is al beentje gelicht voor hij een stap heeft gedaan.

Nu niet opgeven. Moedig struikelen we de cel van Cincinnatus binnen en leven een paar weken met hem mee. Als dit leven mag heten. We zien hoe de bewaker de spin vertroetelt en hem lekkere insektjes aanbiedt. We zien de pompeuze gevangenisdirecteur met "zijn liefdeloos uitgekozen gezicht' en zijn onhandig gespeelde dubbelrollen van arts en bewaker, die zichzelf aan een stuk door prijst vanwege zijn voortreffelijke zorg voor de gevangene. We zien hoe Cincinnatus de tafel naar het raam schuift om door de tralies te kunnen kijken en we zien ook dat die tafel al jaren lang onwrikbaar aan de vloer vastgeschroefd staat. Cincinnatus' vrouw komt op bezoek en neemt haar hele familie plus al hun huisraad mee. Het dochtertje van de gevangenisdirecteur zinspeelt op een mogelijke ontsnapping maar doet verder niet veel anders dan met ballerinakuiten door de cel rennen, één keer hangt ze zelfs zomaar ineens in de uit het niets te voorschijn gekomen trapeze.

Kwabbig

Na enige tijd maken we kennis met een inmiddels gearriveerde medegevange, de kwabbige, onbenullige en opdringerige M'sieur Pierre. Hij vervult het gevangenispersoneel met groot ontzag, vooral de directeur, die bij het bekijken van de huis-, tuin- en keukenkiekjes van deze M'sieur verrukt uitroept: “En deze hier ... zit u waarachtig een watermeloen te eten!” M'sieur Pierre blijkt ook verbazingwekkende circusacts te kunnen uitvoeren en op een middag doet zelfs de spin een kunstje in zijn web. 's Nachts horen we iemand graven, een tunnel! Elke nacht komt het graven dichter bij, het gaat nu zelfs overdag door, de bevrijding is heel dicht bij. Daar splijt de muur: in een wolk van stof en puin rollen de gevangenisdirecteur en M'sieur Pierre binnen, schaterend van het lachen. Wij zijn het! gieren ze. Geen wonder dat iedereen zo goedgehumeurd is en zo veel plezier heeft. Geen wonder dat ze Cincinnatus een vervelende vent vinden: er kan geen lachje af. Hij zit maar te zeuren over de datum waarop ze hem zullen executeren en hem brandt slechts één vraag op de lippen: is de beul al gekomen?

Hersenspinsels

Cincinnatus is veroordeeld wegens "mentale ontaarding'. Hij is ondoorzichtig, in tegenstelling tot alle andere mensen. Hij beschouwt de wezens om hem heen als "armzalige spoken', "zinloze hersenspinsels' die hem kwellen als in een nachtmerrie. “Maar ontwaken kan ik niet zonder hulp van buiten af, toch ben ik voor niets zo bang als voor die hulp.” Die hulp, dat is natuurlijk de onthoofding, die zal hem uit deze droom doen ontwaken. Maar wie dood is, is niet ontwaakt, behalve volgens sommige religies, maar daar lijken schrijver noch personage veel mee op te hebben. De onthoofding valt samen met het eind van het boek - de bevrijding van het personage uit deze benauwende verbeelding. Is Cincinnatus behalve de hoofdpersoon ook degene die deze omstandigheden allemaal verzint, moeten we veronderstellen dat dit hele boek alleen voortkomt uit het hoofd van Cincinnatus, dat hij in zekere zin de schrijver is van wat wij lezen?

Het is vervelend om deze vraag te stellen, want al gauw zijn we dan verzeild in een literair spel waarin het boek naar zichzelf verwijst en waarin kunst en verbeelding de zingevende principes zijn in een wereld die bestaat uit zinloze feiten - maar toch dringt hij zich op. Wat is Cincinnatus van beroep? Poppenmaker. Hoe ziet hij de mensen om zich heen? Als poppen en marionetten. Wat doet Cincinnatus als hij alleen in zijn cel zit? Schrijven. Wat schrijft hij? Hij probeert uit te drukken wat hij weet, iets over hoe hij zich de wereld voorstelt, maar de woorden ontglippen hem, het lukt hem niet. “Neen, ik heb tot nu toe niets gezegd, of hooguit in boekentaal.” Later zit hij toch weer te schrijven, hij "blies het zinledige zin in' en brengt van alles met elkaar in verband, ook de personages die hem omgeven. Ten slotte, als hij nog een laatste wens mag doen, wil hij vragen om af te maken wat hij aan het schrijven is, maar realiseert zich dan dat alles al opgeschreven is. Dat klopt. Het boek is bijna uit. We hebben zojuist gelezen wat Cincinnatus heeft geschreven.

Veelzeggend is ook het verhaal dat de moeder van Cincinnatus vertelt als zij bij hem op bezoek is. Hij ziet in haar al net zo'n karikatuur als in alle anderen en wijst haar verschillende keren op het feit dat zij acteert: “Speel je rol - babbel erop los, doe onbekommerd - en maak je niet druk, je redt het wel.” Zij komt met het verhaal van de nonnons uit haar jeugd: onbegrijpelijke voorwerpen die in een speciale alles vervormende spiegel ineens volstrekt begrijpelijk werden. "Het vormloze spikkelding werd in de spiegel een prachtig zinvol beeld (-) Je kon op bestelling je eigen portret laten maken, dat wil zeggen, dan kreeg je een wanhopige warboel thuis gestuurd en dat was je zelf, maar de sleutel tot jezelf lag in de spiegel.' Waarom zij hem dat vertelt, vraagt Cincinnatus. Hij krijgt geen antwoord maar een kort moment meent hij in de ogen van zijn moeder een glimp van iets echts te zien.

Een veelzeggend verhaal ja, maar wat zegt het. Dat alleen de literatuur een zinvol beeld maakt van absurde feiten? Dat wij zelf een warboel zijn en dat deze roman ook alles vervormt maar dat wij toch iets over onszelf te weten komen als wij ons spiegelen in dit boek? Dat Cincinnatus ondanks zijn overtuiging dat zijn wereld nep is daar toch een samenhangend geheel van heeft gemaakt? Dat dat het enige is wat erop zit? Je hoort de schrijver boosaardig giechelen bij deze interpretaties.

Klucht

Misschien is het helemaal geen veelzeggend verhaal, maar gewoon allemaal onzin, eruit geflapt door een kwekkend vrouwtje dat alleen maar een verzinsel is. Weliswaar laat Nabokov zijn personages nooit zonder bedoeling iets zeggen, maar hij heeft er ook een onmiskenbaar plezier in om zijn lezers voortdurend op de verkeerde ideeën te brengen. Bij voorbeeld: vlak nadat Cincinnatus zich gerealiseerd heeft dat alles al opgeschreven is (en de lezer slim gedacht heeft: aha, dat slaat op deze roman die ik nu aan het lezen ben) pakt de bewaker de zojuist volgeschreven papieren en veegt ze in een hoek. Weg roman.

Wat wil de listige schrijver ons nu eigenlijk vertellen? Dat wat werkelijk van belang is in het leven, niet de oppervlakkige poppenkast is die we zien, maar iets dat zich juist aan de blik onttrekt? Dat dictatuur en totalitarisme het leven tot een weerzinwekkende klucht maken? Cincinnatus ziet de wereld als een aaneenschakeling van onzin, willekeur, verzinsels en toneelspel en anders dan de mensen om hem heen weigert hij daarmee te leven. Heeft hij gelijk? Of wil de schrijver ons niets vertellen, althans niet zo iets braafs en eenvoudigs. Misschien wil hij ons alleen maar aan het schrikken en het lachen maken. Of wil hij ons alleen maar laten genieten van dit prachtige verzinsel. Waarom worden wij uitgenodigd voor een onthoofding?

De executie is iets waar iedereen, behalve het slachtoffer, verlangend naar uit ziet. Het wordt dan ook onsportief en kinderachtig gevonden van Cincinnatus dat hij niet een beetje meer mee werkt en zo ieders plezier dreigt te vergallen. Vooral M'sieur Pierre is teleurgesteld. Hij heeft zich ontpopt als de beul, nadat hij zich wekenlang heeft voorgedaan als medegevangene van de arme Cincinnatus om een vertrouwensrelatie met hem op te bouwen en hem helemaal te leren kennen, dat komt de voorstelling ten goede. M'sieur Pierre geldt als een kunstenaar op zijn gebied. De kaartjes voor het schouwspel zijn meteen uitverkocht ("circusabonnementen geldig'), en als het toch nog onverwacht eindelijk zover is, laat iedereen alles in de steek. We zien een jongeman die nu voor het eerst oud genoeg is voor een terechtstelling zijn huis verlaten, uitgewuifd door zijn ontroerde familie, we zien bloemenverkoopsters en juichende meisjes en een man met een emmer vol confetti.

Maar naarmate de executie dichter bij komt stort de wereld van de roman in: de spin blijkt een mechaniekje, de personages verschijnen zonder make-up en zijn daardoor bijna onherkenbaar, de gevangenis verkruimelt, bomen zijn tweedimensionaal, een groot deel van het toegestroomde publiek is slordig op het achterdoek geschilderd. Op het moment dat de bijl valt, staat Cincinnatus op en loopt weg, een uiteenvallend decor achterlatend. Hij gaat "in de richting waar, naar de stemmen te oordelen, wezens stonden die hem verwant waren'. Zijn onthoofding is inderdaad een bevrijding gebleken. Het is maar goed dat we een uitnodiging hebben gekregen, want mèt het hoofd dat deze verschrikkelijke schijnwereld verzon is ook die wereld zelf verdwenen. Dat is een opluchting. Maar wat we gezien hebben zullen we niet gauw vergeten.

Zelden zit iemand een zo meeslepende gevangenisstraf uit als de lezer die zich bij Cincinnatus voegt. Elke zin is een feest - in de Nederlandse vertaling van Anneke Brassinga niet minder dan in het Engels van de meester en zijn zoon. Alles is met onmiskenbaar plezier en groot stijlgevoel opgeschreven. En wat het allemaal precies te betekenen heeft, ach. “Die vraag zou de goede lezer even weinig bezig moeten houden als mij,” schrijft de hautaine Rus in zijn Amerikaanse voorwoord. Hij wint altijd.