Integratie kan alleen op vrijwillige basis; Ook de joodse bevolking van Nederland heeft een gevecht moeten voeren om haar huidige situatie te bereiken

In het zeer gevarieerde koor van hen, die zich in de laatste tijd hebben uitgesproken over de wenselijkheid van integratie van islamieten hier te lande, heeft H.J.L.M. van de Luytgaarden in deze krant van 22 januari een duidelijk geluid laten horen. Natuurlijk is de oprichting van islamitische scholen in Nederland een zaak die geheel past binnen de door de Grondwet gegeven mogelijkheden. Daarover behoort geen discussie te bestaan. Wie de discussie over de wenselijkheid van dergelijke scholen wil openen, moet dat tevens doen over R.K.-scholen en van Scholen-met-den-Bijbel. Dat het bestaan van islamitische scholen “aan integratie van verschillende culturen een diepere dimensie” zal geven (aldus Luytgaarden) lijdt naar mijn mening geen twijfel.

In de thans lopende discussie vallen twee zaken op. In de eerste plaats dat bijna nooit de eerst betrokkenen - de islamieten dus - zich over deze problematiek uitspreken en in de tweede plaats, dat men zich nooit eens afvraagt hoe de integratie van andere "vreemde' groepen in Nederland is verlopen. Bij die andere groepen denk ik (in chronologische volgorde) aan joden, Chinezen en Indische Nederlanders. In omgekeerde volgorde komt het mij voor, dat er over de integratie van de Indische Nederlanders geen problemen meer zijn. Dat ligt voor de hand. Hun uitgangspunt was ideaal. Zij voelden zich al Nederlanders toen zij hier kwamen (zelfs al waren sommigen van hen misschien nog nooit hier geweest; zij kenden allemaal Nederlands en de (vooroorlogse) vooroordelen tegen hun groep waren wel al zo goed als afgesleten. Bij de Chinezen is dat heel anders. Chinezen vindt men bijna overal (ik ken een strikt kosjer Chinees restaurant in Jeruzalem!). Het moet daarom voor hen niet vreemd zijn om in een ander land een eigen groep te vormen.

De eerlijkheid gebied mij te erkennen, dat ik van de vraagstukken van de Chinezen in Nederland weinig afweet. Mijns inziens roept hun aanwezigheid hier geen problemen. Des te meer weet ik van de integratie-vraagstukken van de joden. In sommige opzichten lijkt de positie van de joden, althans historisch gezien, op die van de islamitische groepen, over wie men thans zo bezorgd schijnt te zijn. Maar er zijn tegelijk wel grote verschillen. De islamitische groepen - in hoofdzaak Turken en Marokkanen - zijn hier naartoe gehaald voornamelijk om werk te doen, dat Nederlanders niet wensten te doen. De daarop gevolgde politiek van gezinsvereniging heeft hun aanwezigheid hier stevig verankerd. De joden zijn vanaf het laatste einde van de zestiende eeuw naar Nederland gevlucht en niet naar Nederland gehaald. Bovendien verschilden joden en Turken, Marokkanen en andere islamieten daarin, dat men tot 1948 geen enkel land had, waarheen men joden kon "terugsturen'. Hoezeer de joodse cultuur ook anders was en is dan de gangbare Nederlandse, toch was en is er de binding van het hebben van één gezamenlijke bijbel. Zelfs het feit, dat voor de Joden uit die bijbel het Nieuwe Testament niet geldt, vormt een band. Zo'n binding bestaat er tussen de christelijke Nederlanders en de Islamieten niet.

Toch heeft ook de joodse bevolking van Nederland een gevecht moeten voeren om haar huidige situatie te bereiken. De zogeheten burgerlijke gelijkstelling kwam eerst in de Franse tijd; daarvoor hadden joden in de Nederlanden geen burgerlijke rechten. De joodse ontwikkeling hier en elders in Europa wordt gekenmerkt door drie sleutelbegrippen: emancipatie, integratie en assimilatie. De factoren emancipatie en integratie hebben de joden zich in een langdurige strijd moeten verwerven. Die strijd ging niet alleen tegen de omgeving, die aan emancipatie en integratie niet wilde meewerken, die strijd betrof ook een moeizaam inwendig proces. Nadat de stadia van emancipatie en integratie waren bereikt, volgde als vanzelf de assimilatie met als hoofdpatroon in de laatste jaren het zoeken naar de betekenis van de eigen identiteit.

Dat hele proces heeft voor de joden een kleine twee eeuwen geduurd. Uiterst belangrijk gegeven daarin was het verwerven en het gebruik van het Nederlands als dagelijkse spreek- en schrijftaal. Hoezeer de Nederlandse joden in het Nederlandse geheel geïntegreerd zijn, moge blijken uit het feit, dat er zeker wel iemand zijn zal, die vindt dat ik van joodse Nederlanders zou moeten spreken. Ten onrechte!

Wie zich gegrepen voelt door het probleem van de mogelijke integratie van die groepen, die men met zo'n vriendelijk eufemisme allochtonen noemt, zou er goed aan doen eens bij joden te rade te gaan hoe het in hun kring verlopen is. Dan komen enkele zaken naar voren. Allereerst: vlekkeloos Nederlands spreken en schrijven (desnoods met een accent) is een onontkoombare eis. Ten tweede: integratie is het juiste woord niet; het gaat om acculturatie. Ten derde: wie verwacht, dat deze acculturatie op korte termijn verlopen zal, is naïef. Enkele tientallen jaren is het minimum. Ten vierde - zie mijn eigen joodse groep -: enige arrogante onvriendelijkheid ten aanzien van de nog zo geïntegreerde groep blijft van de zijde van de "echte' Nederlanders tóch bestaan. Ten vijfde, de "vreemde' groep moet de weg van emancipatie en integratie zelf willen gaan. Heeft iemand hun dat wel eens gevraagd?