Het lompenproletariaat moet uitsterven

Westerse kunst heeft volgens jonge Russische schilders afgedaan. De toekomst is aan Rusland. “Wij zijn niet gewend aan het goede leven, dat is onze kracht en jullie zwakte”, zegt Farid Bogdalov. Laura Starink zocht een aantal jonge schilders op. “Steels neem ik nog een stukje brood, bang om het ze uit de mond te stoten.”

De houten deurstijlen zijn zwartgeblakerd, gesmolten verf hangt in gebarsten pegels naar beneden, het gestucte plafond is bruin uitgeslagen. In de keuken staat een aangekoekt comfoortje te branden. Tussen de korsten brood en vuile kopjes op tafel wandelt een glimmende kakkerlak. Sasja steekt een papiros op. Hij draagt twee truien over elkaar heen. Het is koud. Buiten sneeuwt het fors. Straatlantaarns schommelen in de wind.

Tsjistye Proedy, de Schone Vijvers, een van Moskou's oude boulevards. De vijver is bevroren, het ijs glanst zwart in de nacht. Het verbrande huis op de binnenplaats van een winkel dient als atelier voor een handvol jonge wilde schilders. Dat zal niet lang meer duren. Als de privatisering toeslaat moeten zij het veld ruimen voor mensen met geld. “Ach”, zegt Sasja, “schilderen wordt toch steeds meer een vergeestelijkte bezigheid.” Er is nauwelijks nog aan verf, kwasten en schildersdoek te komen. Farid biedt Zjora een pot met een onfris mengsel aan. “Als je er wat lijnolie door doet, heb je prima verf”, legt hij uit. “Wij schilders streven nu naar minimalisme”, grijnst hij tegen mij. “Maar dat kan me niet schelen, het gaat immers om het idee. Als je mij geen mondharmonica geeft, kan ik mijn muziek niet spelen, maar dat wil niet zegen dat ik hem niet hoor in mijn hoofd!”

We drinken thee met hompen brood. Farid heeft voor zijn zoontje voor 40 roebel een Mars gekocht. Hij koestert het snoepgoed als een kleinood. Zjora Lititsjevksi maakt Keith Haring-achtige stripverhalen, Farid Bogdalov experimenteert met witte en zwarte kartonnen vormen, letters en cijfers in de ruimte. Waar de rest zijn heil in zoekt blijft in het vage. “Wij zijn de nieuwe cynici,” zegt de 28-jarige Tataarse Farid. Vroeger was er een duidelijke vijand. De anti-ideologie trok ten strijde tegen de ideologie. Dat was de strijd van de zestigers. Die slaat nu nergens meer op, het is een zinloos gevecht met fantomen geworden. Vroeger waren wij de anti-wereld, de tegenpool van het Westen, nu is er niets meer om je tegen af te zetten! Zjora heeft een heel wat nuchterder verklaring voor de crisis in de kunst: de spreekwoordelijke Russische luiheid. Als Tataar voelt Farid zich geroepen de Russen tegen deze aantijging te verdedigen, maar over een ding zijn beiden het eens: de toekomst is aan Rusland, dat staat als een paal boven water. “Wij zijn niet gewend aan het goede leven, dat is onze kracht en jullie zwakte. Maar tegelijkertijd is onze maatschappij zwaar ziek, in de letterlijke zin van het woord. In ons land heb je op ieder gezond mens tien zieken. Zo lang het echte lompenproletariaat niet uitsterft, kan er geen gezonde natie ontstaan!” “In feite”, zegt Farid ironisch, “hebben wij geboft met ons klimaat: een forse griepepidemie en 40 graden vorst, en de helft is kassiewijlen.”

Het uiteenvallen van het imperium bevalt de jonge schilders helemaal niet. Stel je voor, Minsk is nu het buitenland geworden, en wat moet er met de Krim gebeuren? “Laatst had ik een Oekraïnse vriend op bezoek en die zat maar te zeuren dat de Russen de Oekraïners haten,” zegt Farid. “Hij begon me zo de keel uit te hangen dat ik hem op zijn bek heb moeten slaan.” Zjora signaleert het einde van de moderne civilisatie. De kunst heeft ook in het Westen nergens meer antwoord op. Daar maakt men uitsluitend nog decoratieve kunst. Het postmodernisme heeft, zo zeggen de jongens, immers niets principieel nieuws gebracht. “De pop art was ons laatste ijkpunt”, zegt Farid. We slurpen thee. Steels neem ik nog een stukje brood, bang om het ze uit de mond te stoten.

Vaderland

Een halve stad verderop, aan het einde van de Tsjechovstraat heeft Gor Tsjachal zijn atelier. “Hoe gaat het?”, vraag ik. “Slecht”, zegt hij, ik heb geen vaderland meer! Ik was een Sovjetburger en wat ik nu ben weet ik niet.” “Heb je daar last van?” vraag ik. “Ja”, zegt hij en er twinkelt iets in zijn ogen. “Het is net als met je moeder, je kan een hekel aan haar hebben, maar als ze dood is merk je pas hoeveel je van haar hield. Besef wel, ik ben al dertig jaar en mijn krachten nemen af.” Tsjachal is lang, mooi en donker, zijn vader is Armeens, zijn moeder Russisch. Hij draagt een oud vliegeniersmutsje en worstelt soms minutenlang met zijn stembanden om een woord te kunnen uitbrengen. Zijn gevoel voor humor heeft er niet onder geleden. Hij toont me zijn werk. Het zwarte licht, fotomontages, objecten met voetbalschoenen, damesjurken en een lange meidenvlecht. Een pilaar van vastgeplakte boeken draagt de titel "Stapel Kennis'.

De laatste jaren kan Tsjachal van zijn kunst leven. Heel langzaam aan begint een commerciële bank of een westers georiënteerde zakenman in Moskou kunst te kopen. “Het zal nog eeuwen duren voor er hier iets als een kunstmarkt ontstaat. Meubels kopen is al een levensgroot probleem, laat staan dat je nog geld en energie overhebt om iets boven de divan te hangen!” Volgende maand heet Tsjachal een tentoonstelling in de galerie van zijn vrouw. Vernissages zijn in Moskou nu aan de orde van de dag. “Daar komt iedereen, dat ligt voor de hand: je kunt nergens anders heen en bovendien krijg je er gratis drank!”

In de Trjochproednysteeg (ook al een naam met vijvers) is het wekelijks raak. Elke donderdagavond organiseert het kunstenaarscollectief dat er zijn ateliers heeft een eendagstentoonstelling. Ik stommel in het stikdonker de glibberige trap op. Een lage zolderkamer doet dienst als expositieruimte. Ik ben naar de tentoonstelling gelokt met de belofte dat er uit een heus geweer op kunst geschoten zou gaan worden. De actie is helaas wegens een sterfgeval afgelast. In plaats daarvan zijn er paddestoelen, Ruslands nationale hartstocht. Pavel Aksjonov heeft er zijn inspiratie in gezocht: een hele wand met krijttekeningen van paddestoelen. Vrijende paddestoelen, rijdende paddestoelen, rennende paddestoelen, paddestoelen met kleintjes. Er worden gratis vodka-cocktails uitgedeeld. “Jammer dat je er vorige week niet was”, zegt Igor. “Toen boden we een bustocht aan door de stad, langs de bezienswaardigheden van Moskou, van hoog en vooral van laag allooi.” Het moet een vrolijke bende zijn geweest, met zang, drank en pret.

Peuken

Ik dwaal verder door de stad, die 's avonds stil en uitgestorven is. Aan de Karl Marxstraat, wonderlijk genoeg nog niet omgedoopt, huist in een kommoenalka (gemeenschappelijke flat) de extremist Anatoli Osmolovski. Een hoogzangere buurvrouw doet open. Babygekrijs en een kinderwagen duiden op meer jonge bewoners. Osmolovski's kamer is een beestenbende, met een breed gebaar nodigt hij me binnen. “De thee is op”, zegt hij, “maar ik heb net twee zoete broodje bemachtigd!” Sigaretten zijn er ook niet meer en Anatoli doet verwoede pogingen een lege huls te vullen met tabakskruim. In de oorlog noemden ze dat bij ons geloof ik een bukshaggie. Osmolovski hoeft er zelfs de deur niet voor uit, want op de grond liggen nog peuken voor weken.

Anatoli Osmolovski is de ideoloog van de groep ETI (Expropriatie van het Territorium van de Kunst). Hij noemt het een “poging om de esthetiek van de postmodernisme aan de Russische omstandigheden aan te passen”. Haar meest opzienbarende performance hield de groep vorig jaar april, toen ze met behulp van de lichamen van haar leden het woord Choej (lul) vormde op het Rode Plein, vlak voor Lenins mausoleum. De Kremlinpolitie kwam, las en maakte proces-verbaal op. Anatoli toont foto's waarop agenten aan de op de grond liggende jongens sjorren. Osmolovski werd aangeklaagd wegens "straatschenderij met bijzonder cynisme', maar tot een rechtszaak is het dankzij de publiciteit en de expertise van tal van kunsthistorici niet gekomen. Het doel van de actie was twee onverenigbare dingen bij elkaar brengen: het heilige der heiligen en het meest grove woord. Osmolovski kijkt er nog steeds met grote tevredenheid op terug.

Een andere actie van ETI was "Kruip Over', waarbij 25 mensen de minstens honderd meter brede drukke Ringweg om het centrum van Moskou liggend op hun buik overstaken. De performance leidde tot een gigantische verkeerschaos. Tijdens "Lezen met Vuur' werden acht hoopjes met boeken van links-radicale ideologen als Marx, Lenin, Trotski, Stalin, Mao en Pol Pot voorgelezen en verbrand.

Osmolovski heeft de performance inmiddels achter zich gelaten. Hij werkt nu aan een serie schilderijen met de titel "Na het postmodernisme kun je alleen nog maar schreeuwen'. Hij nam daarvoor de schreeuw van verschillende mensen op en mat de decibellen. Hoe harder de schreeuw, hoe groter het deel van het gezicht van de schreeuwer dat op het schilderij wordt afgebeeld. De serie zal binnenkort in Milaan worden tentoongesteld.

Terwijl Osmolovski een schor bandje met The Doors opzet ("Waiting for the Sun'), krijgen we woorden over Oost en West. West is saai, vindt Oost, alias Osmolovski. Het Westen heeft een lichtzinnige houding ten opzichte van kunst. Kunst is in Rusland iets sacraals, een aanraking met de geschiedenis, een hang naar onsterfelijkheid, maar in het Westen is kunst prestige, investering en vermaak, meer niet! Ik protesteer en spreek uit pure recalcitrantie mijn afkeer uit van het zalvende stemgeluid dat alle Russen opzetten wanneer Poesjkin ter sprake komt. Ook over het arbeidsethos worden we het niet eens. De mens is niet geschapen om te werken, maar om te denken, vindt Osmolovski. Werken is verfoeilijk en hij doet het alleen omdat hij geld nodig heeft. Ik voer daartegen aan dat deze instelling Rusland in de geschiedenis niet bijster veel verder heeft geholpen en vraag of een kunstenaar er niet juist voor geschapen is anders te zijn dan de rest. Ik wijs daarbij op de entourage waarin Anatoli leeft, die een frappente overeenkomst vertoont met de bende in de rest van het land. Osmolovski luistert meewarig en tot mijn ergernis zie ik aan zijn ogen dat mijn woorden al zijn vooroordelen over het Westen bevestigen. “Heb je Derrida gelezen?”, vraagt hij langs zijn neus weg en ik zwijg besmuikt.

Net op tijd rinkelt de telefoon. Het circus van de stad Brjansk aan de lijn. Het betreft een luipaard. Osmolovski bereidt een tentoonstelling voor met de titel "Luipaarden stormen de tempel binnen'. Daarvoor heeft hij dringend een levend luipaard nodig, maar die zijn in deze barre tijden in Rusland dun gezaaid. “Kijk, dat is nou Rusland”, zegt Anatoli triomfantelijk als hij de hoorn heeft neergelegd. “Ik ben bereid 30.000 roebel bij elkaar te scharrelen om een luipaard uit Brjansk naar Moskou te halen om een paar uurtjes in een kooi op een tentoonstelling te zitten!” Ik moet eerlijk toegeven dat ik onder de indruk ben. Ik wens hem veel succes en ga de donkere nacht weer in.