Een tactvolle combinatie van luisteren en vertellen; Waarom historicus John Aubrey zo aardig was

David Tylden-Wright: John Aubrey. Uitg. Harper Collins, 270 blz. Prijs ƒ 78,20

Het begrip aardig is een van de slapste in het hedendaagse spraakgebruik; wie het probeert te definiëren zal er niet veel anders van kunnen maken dan “het tegenovergestelde van onhebbelijk”. Dat het met goed gevolg toegepast kan worden op John Aubrey (1626-1697) is niet omdat het begrip hem verduidelijkt, maar omdat hij er inhoud aan geeft. Hij was een telg uit twee welgestelde landfamilies, en zo onhandig in de maatschappelijke praktijk dat hij al zijn bezit kwijtraakte. In zijn weerloosheid werd hij afhankelijk van de hulp van vrienden en kennissen, en hij beklaagde zich bij gelegenheid over zijn ongelukkige gesternte. Tegelijk mocht hij zich gelukkig prijzen, wat hij minder vaak deed, met zijn vermogen om vriendschap te winnen. Hij had altijd een reeks adressen bij de hand waar hij kon gaan logeren, soms voor een paar dagen, ook wel maanden achtereen.

Wat er zo aardig aan hem gevonden werd dat hij steeds weer welkom was moet geweest zijn een tactvolle combinatie van luisterkunst en vertelkunst, aangevuld met een generositeit in het waarderen van zijn vrienden en een bereidheid om bij sommige van hen tot diep in de nacht door te drinken en laat op te staan.

Van zijn talent voor vertellen heeft hij ons proeven nagelaten in Brief Lives, een verzameling korte biografieën (soms één zin, soms tien pagina's), allemaal onvoltooid of tenminste onafgewerkt. Bij zijn leven zijn die nooit gepubliceerd, evenmin als de meeste andere van zijn geschriften. Achteraf staan zij bekend als zijn hoofdwerk, in een selectie door Oliver Lawson Dick en een door de romancier Anthony Powell, beide verschenen in 1949.

Zelf beschouwde hij zich in de eerste plaats als historicus en archeoloog. Hij heeft een "beschrijvinghe' nagelaten van het noorden van het graafschap Wiltshire waar hij was opgegroeid, en andere soortgelijke onderzoeksresultaten. Een biografie van de filosoof Thomas Hobbes waarvoor hij het materiaal bijeengebracht had is ten slotte verschenen in een latijnse bewerking door zijn vriend en medewerker Dr. Blackburn. De onderwijstheorie vervat in zijn An Idea of Education is opmerkelijk liberaal, maar heeft alleen het nageslacht kunnen verbazen, geen lezers bereikt in zijn eigen tijd.

Persoonlijk onopgemerkt bleef hij niet. Hij werd meteen bij de oprichting in 1663 benoemd tot lid van de Royal Society, het instituut voor de stimulering van het wetenschappelijk onderzoek, en kreeg verscheidene baantjes aangeboden door bemiddeling van vrienden daar. Soms ging er dan iets mis, zoals toen hij een opdracht van de overheid had om een beschrijving van het graafschap Surrey te maken en na drie maanden verdrongen werd door een intrigerende rivaal. Andere keren had hij er geen zin in, zoals toen hem een parochie werd aangeboden van de Engelse Kerk waar hij een inkomen uit kon halen en een vervanger inzetten voor het preken en de zielszorg. Het enige werk dat de hulp van de vrienden hem ten slotte opleverde was een deeltijdbaantje bij de Royal Society zelf, voor de correspondentie.

Tijdgenoten

Na zijn dood heeft hij op den duur een plaats gekregen in de geschiedenis van de Engelse archeologie, en een paar regels in de literatuurgeschiedenis, maar er zijn heel wat liefhebbers van zijn werk die niet aan de latere Stuarts kunnen denken zonder hem op te merken onder de tijdgenoten. In de jaren zestig heeft de regisseur Patrick Garland hem bij het uitgaande publiek van Londen bekend gemaakt met een toneelvoorstelling op een tekst ontleend aan de Brief Lives en de inleiding van Lawson Dick. Roy Dotrice was de acteur die in zijn eentje het toneel vulde met de herinneringen van de oude verteller, schuifelend, hinnikend, vergetend, sprongsgewijs associërend, plassend achter het decor, in slaap vallend in de pauze. Deze Aubrey was behalve een leeftijdsgenoot ook een mentaliteitsgenoot van Justice Shallow in Shakespeares Henry IV, en hij was niet zijn mindere.

Een van de fictieve elementen in de toneelvoorstelling was dat Aubrey omringd door herinneringen op een eigen kamertje woonde; in werkelijkheid had hij alleen zijn logeeradressen. Een ander fictief element was dat de grappige en scabreuze details van zijn verhalen dichter opeengepakt werden dan zij geweest kunnen zijn als hij in levende lijve aan het woord was; maar misschien niet eens erg veel dichter, lijkt het wanneer wij zien hoe hij levens beschrijft in contrasterende details. Je besteedt teveel aandacht aan kleinigheden, zeiden zijn critici tegen hem, maar hij bleef overtuigd dat die juist een persoonlijkheid laten zien. Zo zijn wij te weten gekomen dat de mathematicus Isaac Barrow (1630-1677) slordig gekleed als altijd, met zijn cloake halfe on and halfe off, in St. James Park liep en op de schouder geslagen werd door een onbekende heer die zei, u bent wel the veriest scholar that I ever mett with; verder weten wij dat Barrow een gespierde man was, but pale as the Candle he studied by; en dat toen hij op zijn sterfbed lag de omstanders hem zachtjes hoorden zeggen, I have seen the Glories of the world.

Zo horen wij ook dat Lucius Cary burggraaf Falkland sneuvelde bij een wilde charge in de slag bij Newbury in 1643 waarvan men zei, dat het zelfmoord was uit verdriet over de dood van zijn maitresse; de volgende dag toen de lijken geborgen werden bleek hij vertrapt te zijn door de paarden en kon hij alleen herkend worden aan een moedervlekje in zijn hals.

Sir John Denham de dichter trouwde met zijn tweede vrouw, een mooi meisje, toen hij zelf al "oud en hinkend' was; de hertog van York toonde belangstelling voor haar, en hoewel het in het nette bleef werd Sir John gek van jaloezie, ging naar de koning en told him he was the Holy Ghost; maar het behaagde God om hem van zijn kwaal te genezen, en daarna schreef hij weer uitstekende verzen; die tweede vrouw werd later vergiftigd door de gravin van Rochester, met chocola.

Zulke historische curiositeiten vernemen wij bij John Aubrey, niet gegarandeerd met bronvermeldingen, maar soms in overeenstemming met andere gegevens, en verder in ieder geval geschikt om ons te verplaatsen in de verbeeldingswereld van die onvermoeibaar converserende zeventiende-eeuwer.

Aubrey is na enkele mislukte huwelijkspogingen vrijgezel gebleven, anders had hij ook niet zo makkelijk overal kunnen logeren.

Familie

Katherine Ryves van Salisbury werd hem door de dood ontrukt; J. Sumner van Seend bleek een agressief mens te zijn met wie hij in een jaren durend proces verwikkeld raakte. Hij was een man alleen, zwervend van vriend tot vriend. Pas nu, driehonderd jaar later, is hij weer opgenomen in een familie, van zijn biograaf David Tylden-Wright. Die had vroeger een boerderij in de buurt van Easton Piers in Wiltshire waar Aubrey tot zijn zestiende woonde. Zo is hij op het idee voor dit werk gekomen, dat hij na over Anatole France geschreven te hebben is gaan uitvoeren toen hij verhuisd was naar het zuidwesten. Het was moeilijk om vandaar vaak genoeg Aubreys manuscripten te gaan lezen in de Bodleian Library in Oxford; maar hij kon met zijn zoon Roy, pas afgestudeerd en onzeker over zijn beroepskeuze, regelen dat die er een jaar lang uit ging kopiëren. Toen na vele jaren werk zijn eigen manuscript af was is het door zijn dochter Sue die een naburige boerderij onder haar hoede heeft op de tekstverwerker gezet, terwijl zij intussen "ons eerste kleinkind' kreeg.

Een tweede familie voor Aubrey dus. Tylden-Wright schrijft als een verstandige tolerante stiefvader, duidelijk over zijn tekorten en verheugd over zijn vermogen om op te merken en uit te beelden. Hij is geneigd om Aubreys klachten over zijn lot af te zwakken, maar hij heeft wel ideeën over hoe anders dat leven had kunnen lopen als de omstandigheden gunstiger geweest waren; hij laat ons delen in Aubreys teleurstelling wanneer er iets misgaat in geldzaken of met een baan, maar even later zien wij hem weer opveren, onderweg naar een nieuw logeeradres.

Een zwakte van Aubrey was zijn goed- en bijgelovigheid, tegenover gesterntes en bovennatuurlijke verschijnselen. Daar moesten zijn tijdgenoten al om lachen, en het was een reden waarom zij hem minder serieus namen dan hij verdiende. Aan die kant van zijn persoonlijkheid besteedt Tylden-Wright te weinig aandacht; anderzijds weet hij alles van Wiltshire en landbeheer, en niemand had beter kunnen doen voelen wat Aubrey er in zag en wat hem vreemd was.

Er is nogal wat bekend van Aubreys dagbesteding, uit zijn nagelaten manuscripten en uit brieven. Een groter deel zal altijd onduidelijk of verborgen blijven, maar zijn persoonlijkheid is nu weer een stuk nader tot ons gekomen. Hij was niet een gewone bijzondere man, hij was een van degenen voor wie de formule "blij met u kennis gemaakt te hebben' is uitgevonden. Het wordt tijd dat hij er in de literatuurgeschiedenis enige alinea's bijkrijgt.