Een duivelskunstenaar op weg naar Indie; Onorthodoxe scheepsidylle van Bas Heijne

Bas Heijne: Suez. Uitgeverij Prometheus. 196 blz. Prijs ƒ 45,- (gebonden), ƒ 29,90 (paperback).

Op 3 juni 1989 schreef Bas Heijne in Vrij Nederland een column getiteld ”Column'. Daarin sprak hij zijn verbazing uit over het belang dat aan dit genre wordt gehecht. De stukjesschrijverij, zo stelde hij vast, wordt in brede kring tot de grote en belangwekkende literatuur gerekend. Ten onrechte, vond hij, want het krantestukje is door zijn vluchtigheid altijd minder dan een verhaal of een roman. ”Een column is op z'n hoogst een poor man's essay', schreef hij kordaat.

Het is grappig om de literatuur verdedigd te zien worden tegen de column in een column, en door een columnist die zijn eigen stukjes serieus genoeg nam om ze te bundelen, in Heilige Monsters (1989). Ik snap dat wel, want ze zijn trefzeker, soepel en met vaardige, literaire hand geschreven. In veel opzichten doen ze zelfs meer aan literatuur denken en zijn ze daarom ook houdbaarder dan de luchtige roman waarmee hij in 1983 debuteerde. Bas Heijne is een schrijver die van dubbelzinnigheid houdt, van een slag om de arm zou je ook kunnen zeggen. Dat hij zijn debuut Laatste woorden noemde, lijkt me zo'n slag om de arm. Hij liet daarin een jonge schrijver de hoofdrol vervullen, die zichzelf na het nodige getob het zwijgen oplegt omdat hij zich toch niet tot het grote werk in staat acht. Bas Heijne vaart wel bij het voorbehoud. Hij schrijft columns, maar heeft zo zijn bedenkingen bij het genre. Hij schrijft een roman, maar dan wel een die over het schrijven van romans gaat en die zichzelf als het ware ongedaan maakt.

Dat geldt ook voor zijn tweede roman, het lang verbeide Suez, dat al evenzeer een poëticaal geval is. De hoofdpersoon is weer een schrijver, of eigenlijk een gedesillusioneerde dichter, Cornelis Zeylmaker geheten. Hij is nog niet heel oud, maar wel der dagen zat en heeft zich opgemaakt om een bekentenis te schrijven omtrent het overlijden van zijn vrouw. Hij voelt zich schuldig omdat hij haar als homoseksueel te kort heeft gedaan. Die bekentenis, die overigens maar een betrekkelijk klein onderdeel vormt van de roman, komt hakkelend, bij stukjes en beetjes en pas aan het eind helemaal tot stand. Hij richt daarbij nadrukkelijk tot ”jullie', dat wil zeggen tot ons, lezers.

Hakkelend, dat is wel goed gezegd. Er hijgt iets in de stijl, in de korte zinnen, in de herhalingen van woorden en zinsdelen en in de vele alinea's. Talloos zijn passages als deze: “Ik loop door straten die ik nooit heb gezien. Ik staar naar vreemde gezichten. Ik zoek hem, dus ik vind hem niet. Ik word misselijk. Van de zenuwen. Van angst. Kom, denk ik. Kom.” Al die korte zinnetjes verlenen aan de bekentenis van Zeylmaker een onmiskenbare urgentie, maar ze maken mij op den duur wel wat kortademig.

Voorzover je kunt zeggen dat deze roman ”zich afspeelt' - want het is ook mogelijk om er een lange innerlijke monoloog in te zien die van a tot z verzonnen is -, speelt hij zich af aan het begin van deze eeuw, op een stoomschip van Amsterdam naar Indië, ”ons Indië' toen nog. Ergens halverwege, vlak voor en in het Suezkanaal, op de grens tussen Oost en West, wordt ons een kijkje aan boord gegund. Die tussenpositie is belangrijk, want de hele roman is gegrondvest op tussenposities. Heijne maakt geen keuze tussen het oosten en het westen, tussen innerlijk en uiterlijk of tussen toekomst en verleden, en laat het steeds aan ons, lezers, over om in deze roman een weg te zoeken.

Gesmacht

Het hoeft niet te verbazen dat de inzet van de roman evengoed hoogdravend als banaal genoemd kan worden. De liefde. Daar draait het hier om. De liefde die ziek maakt omdat zij vergeefs is, of gedoemd onvervuld te blijven. En dus wordt er hier veel gesmacht en is bijna iedereen ongelukkig: de man die zijn knapenliefde niet kan botvieren, de vrouw die moet leven en sterven als de non die zij nooit heeft willen zijn, het meisje dat zich het leven zo mooi had voorgesteld, maar dat lelijk in de steek wordt gelaten.

Tegenover dit vergeefse en onvervulde stelt Heijne een broeierige verliefdheid, een scheepsromance in de dop tussen een jongen en een meisje. Maar alle zeilen worden bijgezet om de prille liefde te bezoedelen. Is zij, een gescheiden vrouw, hem wel waard? Is hij, een planterszoon, wel goed genoeg voor haar? Is hij eigenlijk niet homoseksueel of een sadist? Zal hij haar niet in de steek laten nadat hij haar heeft overweldigd?

Suez doet zowel ouderwets als modern aan. De atmosfeer op de boot, het noodlot dat als een klamme deken over de roman ligt en het knagende geweten van Zeylmaker herinneren aan vroeger, aan Emants en Couperus. De verhaalfiguren lijken ook oude bekenden: de betweterige dominee, de ijdele en roddelzieke ambtenaarsvrouw, de houwdegen met de grote mond en het kleine hartje, en natuurlijk de schrijver Zeylmaker. Hij is een onaanzienlijk, vroegoud mannetje met een breekbaar skelet, perkamenten gezicht, ingevallen mond, slechte adem en een ”insinuerende' blik in zijn ogen. Hij is het type van de gluurder, de ziener zoals Vestdijk hem al eens noemde. Voor zijn stof is hij afhankelijk van zijn observaties, maar vervolgens laat hij zich aan uur of feit niets meer gelegen liggen. Daarmee is hij meteen ook een moderne schrijver. Al spiedend en noterend weeft hij een gecompliceerd web van verhalen, waarin zijn reisgenoten en ook hijzelf gaandeweg verkleefd raken. Dat levert een onontwarbare kluwen van werkelijkheid en verzinsels op, die de roman een bont, maar ook een bijzonder levendig aanzien geeft.

Erg aantrekkelijk is de neiging van Heijne's schrijver om al zijn overwegingen, herinneringen en waarnemingen in het hier en nu te laten plaatsvinden. “En dit is wat gebeurt”, zo luidt de steeds terugkerende formulering, ook als het over zijn eigen, alleen maar gevreesde vergiftigingsdood gaat, beraamd door baboe en kokki. Een komisch intermezzo. “Op een avond, na opnieuw een afschuwelijke maaltijd, krijg ik plotseling hevige maagkrampen. Mijn broer laat een dokter halen, een bejaarde, hardhorende en halfblinde neuzelaar die al jaren geleden zijn praktijk had moeten overdoen aan een jongere collega. Hij kan er niet achter komen wat mij scheelt. (-) Na twee dagen van ondraaglijk lijden blaas ik mijn laatste adem uit.”

Handlanger

Het is vooral deze onorthodoxe manier van vertellen, met ogenschijnlijke perspectiefwisselingen en verhalen in verhalen in verhalen, die Suez tot meer maken dan een ouderwetse scheepsidylle. De schrijver Zeylmaker is niet alleen een gewiekste handlanger van Heijne, maar ook een duivelskunstenaar waarvan Vestdijk nog iets had kunnen opsteken, want hij schreef zijn 196 bladzijden tellend relaas, zo is de suggestie, in één etmaal. Bij dit alles vervult hij ook nog ingewikkelde dubbelrollen. Hij is toeschouwer én deelnemer, hij is schrijver én zijn eigen beoordelaar. “Zo veel gedachten, zo veel stemmen. Maak ik daar nog een begrijpelijke geschiedenis van? Het begon zo eenvoudig. Een verhaal van dertien in een dozijn. Een scheepsverliefdheid. Een stuiverromance. Simpel en voorspelbaar. (-) En kijk nu eens. Felle hartstochten, jaloezie, tegennatuurlijke driften, ongelukkige huwelijken, larmoyant geklaag, zenuwziekten, voyeurisme.”

Het is misschien wat veel van het goede: een roman die op zoveel benen tegelijk loopt, maar tegelijkertijd in zichzelf gespleten is. Het is niet eenvoudig om uit te maken of je hier met lichtzinnige of hoogst serieuze zaken te maken hebt, met een modern uitgevallen klassieke roman, of met een moderne roman in klassiek tenue.

Maar zeker is wel dat we op het cruciale moment in de steek worden gelaten. Want we krijgen nog wel een paar mogelijke intieme scenario's voorgelegd, maar het wordt aan onze eigen verbeeldingskracht overgelaten of er iets moois zal opbloeien tussen hem en haar.

“Een schrijver is iemand die uit kleine gebeurtenissen grote ervaringen put. Een gewoon mens put kleine ervaringen uit grote gebeurtenissen. Daar kies je niet voor, dat ben je. Vooral de hevigheid van de ervaring, het enorme geluksgevoel dat ik van vroeger ken, is bepalend voor een leven. Om je heen verbrokkelen de dingen, maar degene die zich herinnert, ziet alles in een groot verband, tot in de laatste arabeske. Steeds is er het verlangen naar de beleving van vroeger, de hongerige blik over lege velden, vijvers en eendjes. In dat intense, maar onstilbare verlangen om samen te vallen met het kind dat je ooit was, ligt een gruwelverhaal met alle mogelijkheden voor de Boze.”