Donderplaat-stijl in het muzikaal theater van de wreedheid

De Koppeling I. Concert door het Nederlands Blazers Ensemble o.l.v. Frans Brüggen. Werken van Mozart, Rijnvos en Keuris. Gehoord: 30/1 Paradiso, Amsterdam. Herhaling: 31/1 Grote Kerk Terneuzen, 1/2 Concertgebouw Amsterdam, 15.00 uur.

Sinds het opschrift "Soli Deo Gloria' boven het grote raam in Paradiso met witte verf is overgeschilderd herinnert het gebouw nauwelijks meer aan een kerk. Op een soortgelijke wijze schilderden Tristan Keuris en Richard Rijnvos Mozart over. Uitgangspunt voor de composities die donderdagavond in Paradiso werden uitgevoerd op het eerste concert in de serie "De Koppeling' was Mozarts serenade in Bes KV 361, de zogenaamde "Gran Partita', maar Keuris breidde de blazers zodanig uit dat hij nauwelijks nog iets van de eigenaardigheid van het voorbeeld overhield. Bij Mozart is sprake van een donkere, verzadigde klankkleur, want de fluiten ontbreken en de tweevoudig bezette hoorns zorgen voor aangezette orkestrale vulklanken. Keuris' speelse en sprankelende Capriccio klinkt zelfs licht en helder (hoge Es-klarinet).

En nog weer een ander verhaal vormt de bezetting van Rijnvos' Sarabande et Double met een uitbreiding van piccolo, trombone, contrafagot, drie altviolen, twee stel buisklokken, celesta en piano. “De Koppeling” had ik dit concert niet genoemd, veeleer “het contrast”.

Een contrast vormt Rijnvos' compositie met zijn vorige werk, dat goed te typeren valt als het muzikale theater van de wreedheid (een dichte schrijfwijze, compact-vitaal met instrumenten als donderplaat en rammelende kettingen). Want met de radiofonische compositie Radio I naar een idee van Samuel Beckett (NOS-produktie) waagde de componist zich aan een veel statischer uitdrukkingswijze in langere doorlopende lijnen. Sarabande et Double vormt een derivaat van dat werk, vandaar de titel: Double (is variatie) van het Radio I-materiaal. De bezetting is structureel gebonden: ofwel de strijkers ofwel de blazers (pas later gezamenlijk) zetten een betoog op in duidelijk onderscheiden secties. De piano, met buisklokken en celesta als echo's, plaatst verbindende tussenspelen als overdenking, een soort van voetnoot. Maar het knappe aan de compositie is dat al het materiaal belangrijk is, zodat je niet meer weet wie de voetnoot bij welk betoog houdt. Die uitgewerkte pianoresonanties zijn impressionistisch van aard, maar nooit week. En gelukkig, de "donderplaat'-stijl is niet helemaal verdwenen, want hij verschijnt wel degelijk naar het eind toe in de onheilspellend schrille blazers-tutti, met klanken die niet mengen en ijzig blijven klinken. Een echte climax-werking staat Rijnvos echter niet toe, hij blijft ritueel streng van opzet en uitwerking. De passages voor de drie altviolen en zeker ook die van de impressionistische interludes zijn beeldschoon, maar niet in banale zin, want behaagziek is Rijnvos nooit.

De uitvoeringen stonden op een respectabel niveau, met name het tweede deel van de Gran Partita had veel schwung en vaart zonder een moment aan precisie in te boeten. De aan Turkse Janitsaren-muziek verwante effecten klonken zeer opwindend in sensueel-lijflijke zin. Beslist geen Soli Deo Gloria, deze Gran Partita.