Debat

Toen ik in 1975 in het museumwezen terecht kwam, werd mij duidelijk gemaakt dat museumdirecteuren elkaar in het openbaar niet mochten afvallen.

Dat was slecht voor de musea in het algemeen. Het waren toch al instituten die activiteiten ontplooiden waar de gemiddelde kiezer niet op zat te wachten, zo liep ongeveer de redenering. Een openbare bespreking van, bij voorbeeld, artistieke meningsverschillen zou de musea best eens politiek in problemen kunnen brengen - en dat was voor niemand goed, ook niet voor kunstenaars, werd er vroom bij gezegd. Indertijd zag ik de zin van die argumenten wel in. In ieder geval dacht ik er niet veel over na: we hielden ons aan de code. Kunst was toen minder populair. Er waren geen culturele prestigeprojecten. De markt, zeker in Nederland, had weinig economische betekenis. De kunstenaars konden naar de BKR. Er waren geen sponsors. Maar als ik nu aan de situatie van toen terugdenk, kan ik niet zeggen dat de besprekingen met het stadsbestuur minder ingewikkeld waren dan nu.

Inmiddels vraag ik me af of het openbare zwijgen de beste strategie is voor een levendige cultuur. Vorige week vroegen mensen mij of het wel verstandig was een stukje te schrijven over een recensie van Anna Tilroe. Ze bedoelden te zeggen dat ik het beter niet kon doen. Ik heb het toch gedaan omdat de zwijgzaamheid in Nederland ongezonde vormen begint aan te nemen. Mensen doen openbare uitspraken als er een ”affaire' is - bij voorbeeld over twee Picasso's of over de restauratie van een Barnett Newman. Het feit dat het een affaire is, eventueel van algemeen belang, is dan de dekking. Maar zelfs in zo'n geval houden velen die in salons en achterkamers wel een mening hebben, toch hun mond dicht. Een tijd geleden zei Wim Crouwel iets over het collectioneren van Frans Haks. Misschien was het wel juist wat hij zei - maar voor er een discussie op gang kwam, had de verontwaardiging (bij voorbeeld van Haks zelf) dat hij wat had durven zeggen, hem al tot een verontschuldiging bewogen - hoewel hij het niet kwaad bedoeld had.

Zo hebben we in cultureel Nederland een systeem tot stand gebracht waarin openbare discussie, onder vakgenoten vrijwel niet bestaat. We hebben journalisten en critici. Op wat zij schrijven, kun je in het openbaar niet ingaan. Dat is ook zo'n regel. Zo gaat iedereen zijn gang: in de kunst, de muziek, de architectuur, het toneel - en alles is goed want iedereen doet er het zwijgen toe. Pas in onderonsjes hoor je dat helemaal niet iedereen het met alles eens is, in tegendeel, maar niemand anders mag dat weten. Iemand zegt wat maar vraagt tegelijk het niet verder te vertellen. Als echter de kwaliteit van de cultuur werkelijk een kwestie van nationaal belang is, is het absurd dat diegenen die er het meest bij betrokken zijn er het zwijgen toe doen - en de discussie overlaten aan de journalisten die er van buiten tegenaan kijken en over wie velen van ons ook nog laatdunkend doen. Als we het eens voorzichtig zouden proberen, en het goed bedoelen, misschien leren we in Nederland dan nog met elkaar in debat te gaan zonder dom ruzie te krijgen.