De tijd dringt voor sociale dienstplicht

Angsthazerij voorkomt een debat over sociale dienstplicht. Dat is de strekking van het betoog van CDA-Tweede-Kamerlid Ton de Kok. Hij vermoedt dat “een meerderheid van de Kamer het idee van sociale dienstplicht aantrekkelijk vindt, maar het geen vorm durft te geven onder invloed van de tegenkrachten, die in alle fracties voorkomen”.

Het idee schijnt goed te liggen in de Kamer, maar daarmee is het doel nog niet bereikt. Het wordt nu tijd hard te werken aan de vormgeving van de sociale dienstplicht, want de tijd dringt. Als de Kamer na het advies van de commissie-Meijer eind dit jaar de dienstplicht afschaft, dreigt het kind met het badwater te worden weggegooid. Als de Kamer werkelijk de discussie over de sociale dienstplicht aandurft, zal deze moeten worden gevoerd vòòr de discussie over de commissie-Meijer. Beter nog: de opdracht van de commissie zal moeten worden uitgebreid met een adviesaanvraag over de sociale dienstplicht.

In deze krant spraken de jonge liberalen Eddy Habben Jansen en Jan Kees Martijn de vrees uit dat de aard van het werk en het verplichte karakter ervan de motivatie en inzet van de sociaal-dienstplichtigen niet ten goede zal komen. Natuurlijk hebben de jongeren in militaire dienst over het algemeen een frisse tegenzin. Het is echter niet zo zeer het verplichte karakter dat het gevoel van nutteloosheid en verveling oplevert, maar veeleer de lage kwaliteit van de arbeid.

De sociale dienstplicht kun je qua vorm en inhoud beter vergelijken met de vervangende dienstplicht voor erkende gewetensbezwaarden, die keuzemogelijkheden biedt. Dan blijkt ook dat het argument van Habben Jansen en Martijn mank gaat. Je zou de jongeren niet de kost moeten geven die blijven "hangen' bij de organisatie waar ze hun vervangende dienstplicht hebben vervuld. Toch niet een teken van een gebrek aan inzet of demotivatie.

De sociale dienstplichtigen moeten daarom ook een keuzemogelijkheid hebben, bijvoorbeeld tussen militaire dienst, milieuzorg, openbare orde, thuiszorg of ontwikkelingssamenwerking. Ook vanuit het oogpunt van solidariteit is de sociale dienstplicht wenselijk. Solidariteit van àlle jongeren met die veertig procent van de jongens die wel in dienst moeten. Vooral nu het moment van de juridische gelijkschakeling van man en vrouw met de 1990-maatregel is aangebroken. Bij veel jongens rijst dan ook de vraag waarom zij wel de kazerne in moeten en meisjes niet.

Zinvolle arbeid, vergroting van de maatschappelijke betrokkenheid, solidariteit en gelijkschakeling van man en vrouw zijn argumenten die aanleiding vormen de invoering van de sociale dienstplicht op de politieke agenda te plaatsen. Ondanks herhaaldelijk aandringen is er nog nooit een onderzoek verricht.

Maar waarom deze haast? In zijn opdracht aan de commissie-Meijer vraagt de minister van defensie een advies over de wenselijkheid, danwel de noodzakelijkheid de militaire dienstplicht te handhaven. In de defensienota is de minister zelf duidelijk: De dienstplicht moet niet worden verkort of afgeschaft de komende jaren. CDA en PvdA zijn minder overtuigd en hebben laten doorschemeren afschaffing van de dienstplicht niet uit te sluiten. Het vonnis over de militaire diensplicht, de defensienota ten spijt, lijkt geveld. En net zoals het onmogelijk is direct na een belastingverlaging deze weer te verhogen, kun je niet eerst de militaire dienstplicht afschaffen en daarna de sociale dienstplicht invoeren. Voor de sociale dienstplicht is het nu of nooit.