De slechtvalk

Wim de Weert: De valk, het meisje en de graaf. Uitg. Van Goor. Prijs ƒ 24,90

Wie afgaat op het historische kinderboek krijgt de indruk dat er vroeger nauwelijks meisjes bestonden. Het wemelt van de schildknapen, de koeriers en de scheepsjongens. We hebben Fulco de minstreel, Patava de holenjongen en Van Hollandsche jongens in Fransche tijd. Louwerse portretteerde Piet Heyn als "een Delfshavensche kwajongen' en in Het Behouden Huis overwinterden natuurlijk alleen maar kerels. Met Roswitha (1909) moet Marie Boddaert dan ook in een leemte voorzien hebben. Generaties meisjes hebben zich ademloos overgegeven aan de avonturen van de onverschrokken jonkvrouw uit de dertiende eeuw.

Ik zie nog de kunstig versierde boekband voor me - daterend uit de tijd dat uitgeverij Kluitman nog echt mooie boeken maakte - en de tekeningen van het echtpaar Midderigh-Bokhorst, waarop alle hoofden even bedeesd keken en alle haardossen en gewaden even prachtig golfden. Ook herinner ik me verontwaardiging over ridder Dagobert, die voortdurend wenste dat zijn dochter een zoon was. Maar ja, had hij dat niet gedaan dan was Roswitha levenslang tot het borduurraam veroordeeld geweest en niet zo'n dramatische heldin geworden.

Sinds de tijden van Boddaert is er ten gevolge van de zich wijzigende opvattingen over zowel de geschiedschrijving als de jeugdliteratuur het nodige veranderd. Met enige regelmaat treft de lezer tegenwoordig meisjes, die kordaat door de achter ons liggende eeuwen rond stappen. Met De valk, het meisje en de graaf schreef Wim de Weert een soort pendant van Roswitha. Door haar vader als een man te hulp te komen trotseert de vijftienjarige Roswitha de regels van de ridderstand, waaruit ze afkomstig is. De even oude Beatrijs is een eenvoudige rietsnijdster en moet op twee fronten strijd voeren. Door haar jongensachtige kleding en gedrag wekt ze bevreemding in haar eigen omgeving, maar door een slechtvalk tam te maken tart ze de machthebbers, want in de dertiende eeuw was het bezit van deze jachtvogel voorbehouden aan hertogen en vorsten. Ze komt in conflict met de hoog van de toren blazende Gerard van Velzen, die aast op de schitterende valk. In dat conflict mengt zich vervolgens Floris de Vijfde, die zoals het "der Keerlen God' betaamt, partij kiest voor Beatrijs. Het meisje wordt als valkenierster benoemd in dienst van graaf Floris en is zo getuige van de beruchte samenzwering tegen haar beschermheer.

De Weert schreef een heel leesbaar verhaal, waarin veel historische informatie - over de rechtspraak, de zuigelingensterfte, de rol van de horigen, het draaien van "de loer' voor de valk - goed gedoseerd is verwerkt. Naast het brok bekende vaderlandse geschiedenis biedt het boek de opwinding over het tam worden van de valk en een vleugje romantiek vanwege Beatrijs' stille liefde voor Floris. Ondanks deze positieve elementen lukt het De Weert jammer genoeg niet om zijn verhaal naar het Engelse niveau van bijvoorbeeld Rosemary Sutcliff of Barbara Willard te trekken. Daarvoor blijven zijn figuren te veel steken in het cliché. Het meisje is zo'n vrijmoedig en doortastend type dat je zelfs je twintigste-eeuwse ogen niet gelooft. En als ze één keer echt bedroefd is, slaat de graaf gewoon even "zijn sterke arm' om haar heen: weg verdriet. De auteur bedient zich van gezochte beelden. Graaf Floris staat "zijn onderbenen onbeweeglijk als jonge wilgestammen in hard ijs' en zijn lijf is "hard en breed als een eikehouten deur'. Ook overigens is de schrijfwijze niet vrij van effectbejag en melodrama: “Ze dreef rond in een poel van pijn - En opeens, van diep binnenuit, vloeide een fijn en teder gevoel door haar lijf dat lang in haar bleef nabeven.” Klinkt daar geen echo van Marie Boddaert? Ik sla een willekeurige bladzijde op (Roswitha vereert de Duitse keizer Frederik II, zoals Beatrijs haar graaf): “Roswitha verrees uit hare diepe neiging en staarde den Keizer aan. Wat hij had gezegd was over haar heengegaan, nu het niet betrof waarmee haar hart vervuld was. Wat haar vervulde trilde op haar halfgeopende lippen, drong uit haar oogen.” Het idee dat meisjes niet bestonden mag dan zijn opgeheven, het misverstand dat ze zich, als het erop aan kwam, verloren in zwelgen en zwijmelen, is nog steeds geen verleden tijd.