De oude gek maakt nog danspasjes; Theophrastus over menselijke dwaasheden

Theophrastus: Karakterschetsen. Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Hein L. van Dolen. Uitg. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 71 blz. Prijs ƒ 35,- (geb.), ƒ 17,50 (ing.)

Theophrastus was al net zo'n veelzijdig denker als zijn leermeester Aristoteles. De lijst van zijn 220 werken, die bewaard is bij Diogenes Laertius, lijkt dan ook meer op het pak van Sjaalman dan op wat anders. Enkele welsprekende titels: Over roddelen, Over het vuur, Over ontlasting, Over meteorologische verschijnselen, Over duizeligheid en flauwvallen, Over de verschillende geluiden bij gelijksoortige dieren, Over de opvoeding van koningen. Van dat alles is helaas slechts weinig bewaard gebleven: twee standaardwerken over botanica, die van hem zonder meer de Griekse Linnaeus maken, en een piepklein boekje over verschillende mensentypes.

Erasmus schreef zijn Lof der Zotheid in een week tijds. Ik wed dat Theophrastus niet veel meer tijd nodig heeft gehad om zijn dertig Karakterschetsen (Ethikoi charaktères) op papier te zetten. Beiden zouden waarschijnlijk doodverbaasd zijn geweest als hun verteld was dat niet hun zwaarwichtige filosofische en filologische studies de tijd zouden trotseren, maar wel hun bijna terloops genoteerde werkjes over menselijke dwaasheden. Alles bij elkaar genomen is dat nu ook weer niet zo vreemd: wetenschappelijke theorieën komen en gaan, maar de mens met zijn eigenaardigheden blijft bestaan.

Spotprenten

De Karakterschetsen zijn vrij nauwkeurig te dateren. In twee van de stukjes wordt er gezinspeeld op politieke gebeurtenissen na de dood van Alexander de Grote. Die maken een datering omstreeks het jaar 319 voor onze tijdrekening heel erg waarschijnlijk. De bedoeling van het geschrift is ondanks alle hypotheses van commentatoren nog altijd duister. Theophrastus heeft in het spoor van Aristoteles filosofische beschouwingen gewijd aan de ethica. Is dit boekje met geschreven spotprenten daarvan een illustratie? Of veeleer een luchtige pendant? Of was het misschien een notitieboekje waaruit de docent van de Peripatetische School anekdotes kon putten om zijn colleges wat meer kleur te geven?

Wat hier ook van zij, vast staat dat de leraren van de retorenscholen (zeg maar: gymnasia) zich van de tekst meester hebben gemaakt, hem hier en daar van moraliserende aantekeningen hebben voorzien en hem in hun lessen hebben gebruikt als een handboekje met min of meer afschrikwekkende voorbeelden. Alleen dat schoolse gebruik verklaart dat er meer dan 150 handschriften van het werkje bewaard zijn gebleven.

Overigens lijkt deze tekst op geen enkel ander geschrift uit de oudheid. De dertig stukjes die hij bevat, zijn opgebouwd uit ultrakorte situatiebeschrijvingen waarin een bepaald mensentype te kijk wordt gesteld. De stijl waarin dat gebeurt is schetsmatig en onbewerkt. Eén zo'n beschrijving is niet langer dan een krantecursiefje.

Kopieerkunst

Een voorbeeld kan aanpak en stijl verduidelijken. Het stukje "De oude gek' begint met een beknopte bepaling: “Een oude gek is iemand die dingen onderneemt waarvoor hij te oud is.” Daarna volgen een aantal snapshots die deze variëteit van menselijke dwaasheid karakteriseren. Primo: “Als zestigjarige gaat zo iemand nog verzen van buiten leren, maar als hij ze dan tijdens een drinkgelag wil voordragen, laat zijn geheugen hem in de steek.” Of: “In de muziektent houdt hij het wel drie of vier optredens vol om de laatste succesnummers uit het hoofd te leren.” Of nog: “Wanneer er vrouwen in de buurt zijn, demonstreert hij danspassen, waarbij hij zichzelf fluitend begeleidt.” Concreet, scherp en ongenadig observeert Theophrastus de eigenaardigheden van zijn medeburgers in een soort van Beetsiaanse "kopieerkunst des dagelijksen levens'.

Kostelijke voorbeelden liggen voor het grijpen. De gierigaard: “Als hij gaat zitten, trekt hij zijn sjofele jas, z'n enige kledingstuk, op.” De ongelikte beer: “Onder het eten vertelt hij hoe hij na een aftreksel van nieskruid gedronken te hebben van boven en onder leegliep.” De kankerpit: “Als hij op straat een portemonneetje vindt, zegt hij: "Ik vind ook nooit eens een bom geld'.” De vlerk: “Als hij fatsoenlijke vrouwen tegenkomt, trekt hij zijn jas op om zijn geslachtsdelen te laten zien.” De sufkop: “In het theater blijft hij als enige toeschouwer achter. Hij is in slaap gevallen.” Alleen in de Griekse komedie worden er nog zulke levendige karakters vertoond. Daarom is er wel eens geopperd dat dit boekje toneelfiguren heeft geportretteerd. Erg waarschijnlijk is dat niet, al zijn er wel degelijk komedies bekend met titels als "De brompot' en "De gierigaard'.

Typetjes

De grote uitgever van de Karakterschetsen, Isaäc Casaubon, noemde dit een "gulden boekje'. Dat is wel iets te veel eer voor dit onderhoudend werkje, hoeveel het ook heeft betekend voor de wereldliteratuur. De bekendste navolging zijn de Caractères van La Bruyère, die het Franse hof op dezelfde wijze heeft gekarikaturiseerd als Theophrastus de Atheense maatschappij. Voordien had onze eigen Huygens al zijn Zede-printen gedicht.

In Engeland is het genre veel beoefend. Uitlopers daarvan in Nederland zijn sommige figuren van Hildebrand en vooral de Studententypen van Kneppelhout, met personages als de Klaploper en de Liefhebber. De Kopstukken van Bomans, de Klisjeemannetjes van Koot en Bie en andere cabareteske "typetjes' zijn er de moderne metamorfosen van.

In de twintigste eeuw is Theophrastus door P. Groeneboom (1917) en W.E.J. Kuiper (1936) vertaald. Hun versies zijn verouderd. Die van J.T. Barendregt (1977) is vooral amusant omdat ze ook moderne equivalenten uit de psychologische wereld van de dertig types bevat. Toch moet ook zijn vertaling het in vlotheid afleggen tegen deze nieuwe van H.L. van Dolen. Diens modernisering gaat me wel iets te ver wanneer hij een Athener "met de pet' laat "rondgaan', maar over het algemeen treft hij wel de toon van de man die eigenlijk Tyrtamus heette, maar door zijn leermeester Theophrastus, "Goddelijke causeur', werd genoemd.