De laatste Kwestie van Multatuli; Chap: Eduard Douwes Dekker in 1882 en 1883

Het Huldeblijk voor Eduard Douwes Dekker in 1882 leverde ruim 23 duizend gulden op. Dekker zelf vindt dat het bedrag tegenvalt en heeft ook allerlei andere redenen om zich op te winden over de inzameling en de reacties daarop. In deel XXII van de Volledige Werken zijn de dokumenten verzameld die op deze Kwestie betrekking hebben. “Het mooiste, ook weer in dit deel 22, is, geheel afgezien van de geschiedenis, de stijl van Dekkers brieven.”

Multatuli: Volledige Werken XXII. Brieven en dokumenten uit de jaren 1882-1883, verzorgd door H. van den Bergh en B.P.M. Dongelmans. Uitg. G.A. van Oorschot, 804 blz. Prijs ƒ 80,-

“Ik ben wel voor 'n millioen uitgescholden”

(brief van Multatuli aan J.M. Haspels, 16 juni 1882)

Het is 1882. Eduard Douwes Dekker, die 22 jaar eerder in Nederland en Nederlands-Indië beroemd werd door zijn felle aanklacht tegen het kolonialisme, woont met echtgenote Mimi, aangenomen zoontje Wouter, hond en dienstmeisje in Nieder-Ingelheim aan de Rijn, in een villa die een Nederlandse bewonderaar hem heeft laten kopen. Dekker is buitengewoon opgewonden. Hij schrijft brieven en telegrammen. Hij ontvangt getuigeverklaringen van vrienden. Hij moet zelf even naar Rotterdam, waar hij op een middag die weldoener uitfoetert.

Wat is er aan de hand? Een nieuw koloniaal schandaal? Dat is er ook, maar Dekker schrijft er alleen in brieven over. Een literair schandaal over een nieuw geschrift van Multatuli? Was het maar waar. Een nieuwe roddel die vijanden tegen Dekker richten? Zelfs dat niet.

Het gaat om de zoveelste poging geld in te zamelen voor de schrijver, die immers geen pensioen krijgt na zijn ontslagname uit de Indische ambtenarij, en die al vijf jaar niets meer schrijft.

Frankrijk had in 1880 een Nationaal Huldeblijk voor Hugo georganiseerd, België in 1881 voor Conscience, wat zou Nederland doen? Zeker, in 1882 kreeg Bosboom-Toussaint een nationaal huldebetoon. Maar er waren gelukkig ook Nederlanders die vonden dat Multatuli toch iets beter schreef dan Truitje Toussaint.

De heren die het initiatief namen, wisten heus wel dat soortgelijke pogingen, twintig en tien jaar eerder, mislukt waren, niet het minst door de eigenzinnige opstelling van Dekker die zich niet onder curatele wilde laten stellen, en die zeker niet de indruk wilde maken onder curatele gesteld te worden.

Dapper zonden de zeventig vooraanstaande intellectuelen een circulaire rond, waarin ze hun kennissen opriepen geld te storten om voor Dekker en zijn vrouw een lijfrente te kopen. In de kranten, en in brieven, ontstonden discussies. Moest de regering eigenlijk niet eerherstel geven? Moest er niet liever geld opgehaald worden voor het verpauperde Lebak? Had Multatuli wel gelijk? Is hij niet een bederver van de jeugd?

Dekker was niet de man om zich in zo'n Kwestie stil te houden. Dat de christelijke kranten tegen hem schrijven, dat begrijpt en waardeert hij. Maar dat ook het liberale Handelsblad zijn reserves toont, dat kwetst hem.

Willen de heren een lijfrente kopen? Hij heeft liever kontanten! Komt er ook geld uit Indië? Dan wil hij dat apart inkasseren! Wil zijn uitgever Funke, die hem onverplicht elk jaar 500 gulden geeft, nu die jaarlijkse gift vervangen door een eenmalige bijdrage van 5000 gulden aan het Huldeblijk? Geen sprake van! Willen de heren de lijfrentepolis op hun eigen naam zetten om zo te vermijden dat oude schuldeisers het geld bij de verzekeringsmaatschappij kunnen opeisen? Dan gaat de hele zaak niet door!

Maar voor hij daarmee kan dreigen, moet hij eerst bij een Rotterdamse vriend een paar duizend gulden zien te lenen, want hij moet een afbetaling op zijn huis doen. Maar Jan Zürcher had hem toch 14.000 gulden gegeven om dat huis voor 11.000 gulden te kopen? Jawel, maar hij had daar een deel van gebruikt om oude schulden te betalen!

Ballingschap

De opbrengst valt tegen. Vindt Dekker. Ik vind een opbrengst van ruim 23.000 gulden zo slecht niet. Met welke factor moeten we dat vermenigvuldigen om guldens van 110 jaar later te krijgen? Horloges en postzegels waren toen duurder, maar brood en dienstmeisjes goedkoper. Mij lijkt een vermenigvuldiging met twintig aan de lage kant. Is een half miljoen gulden, die we nu bijeen zouden brengen om een schrijver in ballingschap een rustige oude dag te geven, zo weinig?

De twee lijfrentes, en de jaarlijkse som van Funke, komen op een inkomen van 2000 gulden in het jaar (40.000 gulden nu). “Ik heb nu 't zelfde inkomen”, schrijft Dekker aan een vriend “als toen ik 43 jaar geleden als 19-jarig jongetje klerk bij de Algemene Rekenkamer te Batavia was.” Dekker verdiende daar eerst niets (toen steunde zijn vader hem), daarna 80 gulden, en ten slotte 125 gulden per maand. De salarissen in Indië waren altijd vele malen hoger dan in Nederland.

Het rare is dat Dekker, zonder dat versmade Huldeblijk, ook in zijn huis had gewoond. Die vijftienhonderd per jaar plus een paar duizend in contanten waren dus extra!

Het is waar dat de heren wel erg paternalistisch waren. Eerder had hij van een man van Het Handelsblad gehoord dat die een hoteleigenaar in Lissabon kende die schuldbekentenissen van Dekker had. Dus Dekker is op zijn landreis van Indië naar Nederland in Lissabon geweest! Dekker zegt dat die rekening nergens op sloeg, en dat hij zijn eigen boontjes wel kan doppen.

De heren geven toe: de verzekeringspolis komt op zijn naam, en er heeft nooit een schuldeiser naar getaald. Dan gaat Dekker zeuren over de datum op die polis. Geen van de geldgevers kan na afloop gedacht hebben dat Dekker hem iets schuldig was. In tegendeel: Dekker beweert dat de hele Kwestie hem zo geknakt heeft dat hij nu niets meer schrijven kan. En hij had een voorschot voor 2000 gulden van Elsevier aangenomen om de Woutertje-Pieterse-geschiedenis af te maken! Die klacht slaat nergens op, want Dekker heeft al sinds 1877 geen woord meer gepubliceerd.

Misschien was Dekker wel tegen een lijfrente omdat hij zijn einde voelde naderen. Hij kreeg veel last van asthma. Dat werd in die tijd als een uitsluitend psychische ziekte gezien. Dekker zag niets in dokters. Maar dokter De Vries wist zijn vertrouwen te winnen en gaf hem arsenicumpillen. Toen die niet hielpen, concludeerde de dokter: “Dan was het dus geen asthma!” Tegenwoordig zou een arts misschien het advies geven om de vogels en de hond weg te doen en in een droger huis te gaan wonen.

Twee keer zo dik

De serie Brieven en Dokumenten die Stuiveling in 1954 is begonnen als deel 8 van het Volledig Werk, is nu, onder de hoede van Van den Bergh en Dongelmans, toe aan deel 22, waarin de jaren 1882 en 1883 de revue passeren. Door het Huldeblijk is 1882 twee keer zo dik als 1881. Het is voor een buitenstaander niet te bepalen hoe volledig de documentatie is. De indruk bestaat dat de verzorgers vooral het materiaal dat Stuiveling en Ett veertig jaar geleden verzamelden, uitgeven. Als ik voor de tekening, die Vosmaer in april 1883 maakte van Dekkers huis, zoek in het Vosmaer-album van Nop Maas, dan hervind ik weer de prachtige brief die een vriend van de tekenaar, J.J. van Santen Kolff, in 1882 aan Vosmaer schreef waarin een uitgebreide beschrijving van een onverwacht bezoek aan, de hem onbekende, Multatuli. Zo'n brief zou in dit deel moeten staan.

Dekker blijkt bij dat bezoek in een veel beter humeur dan we uit zijn brieven zouden afleiden. In maart 1882 schreef Dekker aan zijn goede vriend Roorda: “Een biograaf die m'n gedrukte werken tot uitgangspunt neemt om m'n leven te beschrijven, kan niet veel anders dan onzin voor den dag brengen.” Maar ook op de brieven die nu gedrukt zijn, kan een biograaf zich niet verlaten.

De biograaf zal zich erbij neer moeten leggen dat niet álles te begrijpen is. Waar komt de pathologische haat vandaan, die Dekker tegen zijn zoon Edu is gaan koesteren? Ook in dit deel is daar weer een schrijnend teken van te vinden. De zwager van Louis Couperus, Gerard de la Valette, had aan zijn vriend Douwes Dekker geschreven dat drie van zijn zoontjes overleden waren. Dekker schrijft een troostbrief. Dat was een specialiteit van hem. Hoe troostte hij dit keer? Dat lezen we in een soortgelijke brief aan T. de Beer die een dochtertje heeft verloren. Dekker citeert uit de brief van De la Valette. Dan komt zijn troost. Zijn zoontje Edu heeft, toen hij met zijn moeder in Brussel was, ook eens difterie gehad. Zijn moeder had Dekker gewaarschuwd. Hij was midden in de nacht geld gaan vragen bij vrienden om de reis naar Brussel te ondernemen. In Dordrecht aan de kade ontving hij een telegram dat het beter ging met Edu. Dekker: “Uw kind is gestorven, 't mijne bleef leven. Maar niet op dat verschil wilde ik wijzen, en wat ik wel zeggen wilde, wil de pen niet uit” (-) “Ik durf ternauwernood mijzelf bekennen dat het voor mijn kind, voor zijn moeder, en voor mij, beter geweest ware indien ik te Dordrecht een geheel ànder bericht ontvangen had!”

Kippen

Het mooiste, ook weer in dit deel 22, is, geheel afgezien van de geschiedenis, de stijl van Dekkers brieven. Er zijn er nu weer 131 bij. Helaas geen aan Mimi, omdat de echtgenoten in deze twee jaar maar kort van elkaar verwijderd zijn. En helaas maar één aan oude vriend Roorda. Veel briefjes over logeren, jasjes, kippen, bokkingen en ander familiespul.

Het duurt nog drie jaar en twee maanden voor Dekker sterft. In de reeks Dokumenten betekent dat twee delen, want een jaar zonder Kwestie beslaat meestal zo'n driehonderd pagina's. En het Huldeblijk was de laatste Kwestie, tenzij u de dood zo wilt noemen. Dat worden dus de delen 23 en 24. Daarna moet er naar mijn smaak nog een vijfentwintigste deel komen, waarin: correcties, aanvullingen, registers op mensen en plaatsen, en een chronologische inhoudsopgave, want die ging in de vorige delen wel eens mis door latere vondsten.

Als dat in 1995 klaar is, kan het hele werk op een CD gezet, zodat iedere Multatuliaan elke vraag over zijn werk of leven onmiddellijk door zijn tafelcomputertje beantwoord kan krijgen.

Misschien vindt u de hele Kwestie rond het Huldeblijk een Kwestie van niets. Misschien heeft u daar wel een beetje gelijk in. Maar die Kwestie van 110 jaar geleden, is alleen al daarom een feit waar we de historie dankbaar voor moeten zijn, omdat het aan Eduard Douwes Dekker de gelegenheid gaf om op 12 oktober 1882 in een lange brief aan een vriend haarfijn en bulderend duidelijk te formuleren waar de heren van het Huldeblijk allemaal fouten hebben gemaakt. Zo'n brief lees je zelden.