Column

Bakker

We schrijven vorige week zaterdag. De Studio Sportploeg bij Sonja. Teddybeer Kees, ontspannen jasje Mart, toekijkende Theo, gereformeerde Sierd en de mijn jongenshart sneller doen kloppende Griselda.

Allereerst was het een feest dat de camera de achterkant van Smeets eens nam. Die prachtige tonsuur, een heerlijk jaren vijftig kapelanenhoofd. Bij de een komt de kaalheid met fjorden en bij de ander begint de achterkant te glimmen. Het sfeertje tussen de Studio Sporters was ouwejongenskrentebroderig en men sloeg onderling iets vaker kwink dan wij kijkers konden begrijpen. Wij hadden vroeger in ons grote gezin ook een bepaalde humor die de buren al niet begrepen, laat staan de overburen. Sierd was zeer tevreden over zichzelf en Jansma vertelde dat Griselda had leren presenteren van Heinze.

Tot zover was er niks aan de hand, maar toen gebeurde er iets verschrikkelijks. Op een gegeven moment zei Mart: “Maar wat denken de mensen nou? Wij moeten ook gewoon naar de bakker en de schoenmaker.” De video spoelde uit zichzelf terug en herhaalde de zin tot in den treure. Elke keer hoopte ik dat hij na de volgende terugspoelbeurt iets anders zou zeggen, maar helaas. De volgende ochtend belde mijn broer. Ook hij was verbijsterd. Wij hebben bij ons thuis een zeer hoge pet op van Mart. Hij is de man die elke keer weer Vitas zegt als hij Vitesse aankondigt, Zandstra lekker uit laat praten en hem absoluut geen Thialfgevoelens door de strot duwt. Mart mag van ons alles, maar niet zelf naar de bakker en de schoenmaker. Dan gooi je Nederland een natte dweil in het gezicht en val je meedogenloos van je sokkel.

Dus Mart doet 's-ochtends de broodtrommel open, ziet een kromgetrokken bruin kapje en gaat naar de hoek een vers melkwit halen. Ontluisterend. Ik kan mij de goede man in pyjama voorstellen, zie hem in gedachten de kattebak legen, geloof dat hij ook naar het toilet moet, zie hem een natte kinderneus snuiten en ik wil aannemen dat hij z'n veters vast moet maken, maar dat hij gewoon over straat loopt en een gesprek aangaat met de brood verkopende middenstand gaat mij toch iets te ver. Griselda knikte op het moment dat Mart het zei bevestigend en ik dacht: straks gaat zij ook vertellen dat ze wel eens met een wagentje door de AH crosst en voor je het weet roept Sierd: “Ik föhn elke ochtend mijn haar zo leuk achterover”. Om die reden heb ik de videoband maar niet afgekeken. De hele zondag denderde de regel van Mart als een Intercity door mijn kop. Wat een bekentenis. Maandagochtend stond ik zelf bij de bakker en hoorde achter mij een resolute vrouwenstem:

“Ik graag bruin half.”

“Pardon?”, zei de verkoopster.

“Ik graag bruin half”, herhaalde de aardige stem. “Vijf, zes à zeven granen.”

Ik keek voorzichtig om en keek in de donkere ogen van Griselda. Ze schrok. Mart bij de bakker, zij bij de bakker en nu Youp ook gewoon bij de bakker. Het was haar duidelijk wat veel.

“Bruin, ik graag half”, zei ze wederom tegen de verkoopster. “Had les Heinze van”, bloosde ze mooi.

Oh, die bakker bedoelde Mart en fluitend verliet ik de zaak om mijn schoenen te laten verzolen.