Wilma Kanters, hoofdconductrice bij de NS

“Het hoedje was verplicht. Bij de storm van begin vorig jaar is het mijne afgewaaid.

Ik heb nog wel een nieuw hoedje gekregen, maar dat doe ik nooit op. Tot het uniform behoren verder een overhemd, een trui, een shawltje - voor de heren een stropdas - en een broek en een broekrok. Dan hebben we een colbertje, een regenjas, schoenen en sokken. In de tas zit een portefeuille met belangrijke papieren, die wij "de bak' noemen: ondermeer een prijslijst met de verreden kilometers en rembriefjes, om het rempercentage te berekenen. De tas bevat verder een "makomattang', het vertrekstatenboekje, de lamp voor het vertreksein 's avonds en het spiegeleitje voor overdag. Verder heb ik een pen, een spoorboekje en een nietmachientje. Ik ben als hoofdconducteur, die wij HC noemen, officieel de baas op de trein. Ook al spreken we de MCM, de machinist, aan als "meester'. Als we niet willen dat hij vertrekt, gebeurt dat ook niet. Dat is het leuke van dit werk: je bent eigen baas. Wij zorgen voor de veiligheid. Maar het werk bestaat niet alleen uit controleren; wij zijn geen politieagent. De NS willen dat we klantgericht bezig zijn. Soms loop je door de trein, alleen om te kijken of mensen informatie nodig hebben. Als er vertraging is, dan bellen we met de VL, de verkeersleiding. Je probeert dan de aansluitingen vast te houden, maar dat kan je hooguit vijf minuten doen, anders krijg je een dominoeffect. Via de intercom probeer je de mensen zo goed mogelijk te informeren. Maar soms weten wij ook niet precies wat er aan de hand is. Het heeft voordelen om als vrouw conducteur te zijn. Er wordt niet zo snel agressief gereageerd. In de korte treinen, de twee-bakken, kan je agressie beter opvangen dan in zo'n zesbak. Gelukkig had ik vakantie toen vorig jaar die conducteur werd vermoord. Ik schrok enorm toen ik er van hoorde. Ik verwachtte wel dat er een keer zoiets zou gebeuren, maar niet op zo'n lijntje bij Harlingen. Ik heb gelukkig nooit iemand onder de trein gehad - dat moet ik afkloppen. Er zijn collega's, die hebben het verscheidene keren meegemaakt. De opvang is dan heel belangrijk, want geen één keer is dat het zelfde. Je moet als conducteur gaan kijken als er iemand onder ligt: of hij nog leeft, en het lichaam of wat daar van over is afdekken. Als het over het andere spoor ligt, moet je een sein neerzetten. Dat lijkt me allemaal vrij emotioneel.''