Turkse diplomatie heeft het wel èrg druk

ATHENE, 30 JAN. Het bezoek van de Albanese minister van buitenlandse zaken, Ilir Botska, aan Turkije begon slecht: hij raakte weg op het vliegveld van Istanbul. Men had verwacht dat hij per auto het land zou binnenkomen en dat de verwelkoming aan de grens zou plaatshebben, waarheen ook het Albanese consulaat in Istanbul een afgezant had gestuurd. Eenzaam op het vliegveld wist de Albanees niemand te overtuigen dat hij minister was en hij heeft uren moeten wachten in de gewone passagiersruimte, die extra vol liep omdat er geen vliegtuigen konden opstijgen wegens de mist.

Nu heeft de Turkse diplomatie het ook wel erg druk. Er arriveerden die dag in de hoofdstad Ankara maar liefst twee staatshoofden, van Azerbajdzjan en van Servië, en Turken hebben toch al zo'n moeite hun aandacht te verdelen. De voormalige Sovjet-Unie, met vijf Turks-sprekende republieken, blijkt een onuitputtelijke afzender van deputaties die om erkenning en steun van de "grote Turkse broer' komen vragen; de Azeri Moetalibov kwam zelfs al voor de tweede keer. En de Balkan, met zijn vele, al of niet islamitische, minderheden opent voor Turkije allerlei vergezichten die in 1913, toen de eerste Balkanoorlog was verloren, definitief gesloten leken.

Daarbij komt nog dat voor Turkije ook in het Midden-Oosten een grotere rol lijkt te zijn weggelegd, vooral in zijn functie als toekomstig waterleverancier. In deze hoedanigheid mocht minister van buitenlandse zaken Hikmet Cetin als waarnemer aanwezig zijn op de Midden-Oostenconferentie in Moskou.

Volgende maand wil Turkije zelf een grote conferentie in Istanbul organiseren van ministers van buitenlandse zaken van staten aan en bij de Zwarte Zee, inclusief - en dat maakt het pikant - Azerbajdzjan en Armenië. Ook op de oorlogshaard Kaukasus immers heeft Ankara nu een "missie' te volbrengen.

Terug echter naar de Albanese gast die ten slotte, na de twee staatshoofden, toch ook nog in Ankara is opgedoken. Turkije onderhoudt, mede dank zij royale hulpverlening, uitstekende relaties met het nieuwe Albanië en tijdens een voorafgaande visite van de Albanese stafchef was zelfs overeengekomen dat er Turkse officieren zullen worden betrokken bij de opleiding van het Albanese leger.

De minister vroeg echter aandacht voor nog een andere zaak, namelijk voor de Albanese minderheid van 20 à 25 procent in Macedonië, de nieuwe onafhankelijke republiek die ook hoog staat aangeschreven in Ankara's sympathie, al was het alleen al omdat zij de Grieken een doorn in het oog is. Zou de Turkse regering niet kunnen bemiddelen tussen deze minderheid die zich onderdrukt voelt en het nieuwe bewind in Skopje?

Ongeveer gelijktijdig had de voorzitter van het Macedonische parlement Stoyan Antov in een vraaggesprek met het Turkse dagblad Milliyet opgemerkt dat van Ankara “alle steun op het diplomatieke vlak” werd verwacht, “omdat wij zelf voor het moment nog helemaal geen diplomatieke vertegenwoordiging hebben”.

Het is natuurlijk aantrekkelijk voor de Turken dat zij zo'n veelgevraagde bondgenoot zijn, maar het wordt wat moeilijk voor hen het allemaal uit elkaar te houden. Komend weekeinde ontmoet premier Demirel in Davos zijn Griekse collega Mitsotakis, en ook daarvan worden positieve resultaten verwacht. Reeds heeft Demirel laten weten dat Turkse erkenning van Macedonië, die de Grieken hogelijk tegen de haren zou instrijken, niet zal plaatshebben voor de volgende maand. Macedonië is tot nu toe alleen erkend door Bulgarije en de "Turkse republiek Noord-Cyprus'. Maar die laatste is op haar beurt alleen nog maar door Ankara erkend.