Sociologie; Zoeken naar synthese

J. GOUDSBLOM (1932) is hoogleraar Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en is verbonden aan het Postdoctoraal Instituut voor de Sociologie

"Vermindering van de intellectuele verwarring waarin we leven _ dat zie ik als een van de doelstellingen van de sociologie.'

Prof.dr. J. Goudsblom, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam: "Die verwarring is groot. Eind vorig jaar had uw krant een pagina met een aantal antwoorden op de vraag: Nederland blijven bestaan? In de vraag was op geen enkele manier duidelijk gemaakt wat met dat Nederland bedoeld werd, en bovendien werd meteen gevraagd of het voortbestaan wenselijk was _ zonder te vragen hoe waarschijnlijk het was. Het resultaat was een allegaartje van meningen, op geen enkele manier op elkaar afgestemd. De verstandigste was nog Karel van het Reve, die de vraag weigerde te beantwoorden. Over de sociale werkelijkheid zijn blijkbaar vragen te stellen die alleen maar verwarring opleveren. Er is geen duidelijke gemeenschappelijke orientatie.

"Sociologen kunnen aan de totstandkoming van zo'n orientatie een bijdrage leveren, maar de moeilijkheid is dat ook in de sociologie zelf geen algemeen aanvaarde theorieen bestaan _ zoals de relativiteitstheorie in de fysica, of de evolutietheorie in de biologie. Over het ontstaan van de levende soorten bestaan nog steeds tegenstrijdige meningen, maar in wetenschappelijke kringen is het maar een heel kleine minderheid die de evolutietheorie niet onderschrijft. Die theorie is in een paar stellingen samen te vatten en uit die stellingen zijn vervolgens weer allerlei kleinere hypotheses af te leiden. Ik denk zelf dat je in de sociologie iets dergelijks zou kunnen construeren, maar een van de centrale problemen in de sociologie is dat er over de wenselijkheid van zo'n omvattende theorie verschillend wordt gedacht. Er zijn sociologen die zo'n theorie helemaal niet wenselijk en ook niet mogelijk vinden. Die zeggen: er zijn bepaalde problemen waarbij bijvoorbeeld een interactionistische aanpak a la Goffman verreweg de meeste informatie biedt _ daarbij kijk je vooral naar de directe interactie van een beperkt aantal mensen _ en er zijn problemen waar het er op aankomt de veel bredere machtsverhoudingen bloot te leggen _ waar je dus beter kunt werken met een institutionele benadering. Dat is een pragmatisch standpunt, waar veel voor te zeggen valt, maar ik denk dat je die twee benaderingen kunt combineren. Je kunt laten zien dat de interacties die je bestudeert met het model van Goffman plaatsvinden binnen een kader dat volgens een meer macro-achtige, institutionele benadering wordt verduidelijkt. En omgekeerd kun je in iedere institutionele studie van grotere machtsstructuren duidelijk maken dat het uiteindelijk levende mensen zijn die voortdurend bezig zijn de situaties waarin ze verkeren te definieren en in stand te houden, helemaal volgens het recept van de interactionistische school. In iedere revolutie, ook nu in Oost-Europa, kun je zien dat mensen de definities plotseling kunnen wijzigen en daarmee de bestaande machtsverhoudingen doorbreken. De balkonscene met Ceaucescu was een prachtig voorbeeld. Daar zag je de omslag van de verhoudingen voor je ogen gebeuren. Maar wat daar gebeurde in de interactie tussen de dictator en het publiek was natuurlijk alleen te begrijpen tegen de achtergrond van veel verder reikende ontwikkelingen.

"Je ziet in de sociologie telkens weer pogingen om een synthese tot stand te brengen. Een goed voorbeeld vind ik nog altijd het boek van Gerth en Mills: racter and Social Structure, uit 1953. Zij hebben heel bewust geprobeerd het interactionisme te combineren met een marxistisch-weberiaans getinte analyse van grotere machtsstructuren. Het is een mooi boek en er valt een heleboel uit te leren, maar je ziet ook snel de beperkingen van zo'n onderneming: het blijft toch in belangrijke mate bij een begrippenapparaat. De inzichten die dat apparaat levert werken ze stellen je in staat in allerlei historische ontwikkelingen en gebeurtenissen datgene te herkennen waar het model op attendeert. Maar verder dan dat gaat het vaak niet. Er zijn nog veel meer pogingen gedaan om een conceptueel model te ontwerpen met een dergelijke attenderende functie, maar er is niet een model dat binnen het vak op ieders instemming kan rekenen.

"Voor een deel komt dat doordat we nog steeds zitten met een kater van de vorige modellen. In de jaren vijftig en zestig was het structureel- functionalisme het dominante model, met Talcott Parsons als de grootste autoriteit. Het was geinspireerd op het functioneren van een nationale samenleving, de Verenigde Staten, en het model probeerde het functioneren van die samenleving zo te verklaren dat eigenlijk alles paste. En alles leek zo te passen dat het niet alleen de indruk maakte: zo werkt de sociale werkelijkheid maar ook: zo die te werken.

"Op zichzelf is de gedachtengang van het structureel-functionalisme heel interessant. Overal waar mensen samenleven staan zij voor bepaalde problemen waarvoor zij een oplossing moeten zien te vinden. Wie moeten of mogen bepaalde dingen doen? Wie moeten er zorgen voor wie? Wie moeten gehoorzamen aan wie? De instellingen die je in een samenleving aantreft, bijvoorbeeld een stelsel van sociale verzekering, of een kerk, of een onderwijsstelsel, zijn te beschouwen als oplossingen voor zulke problemen, of zoals het meestal genoemd wordt: als structuren met een bepaalde functie. Het nadeel van het model was dat het hele samenstel van structuren en functies er te harmonieus in werd voorgesteld. Het paste allemaal te mooi, het leek te veel op de beste van alle mogelijke werelden. Wat onderschat werd was de factor macht en daarmee de spanning en het conflict, het precaire van het op zeker moment bereikte evenwicht. En daardoor was er ook weinig nieuwsgierigheid naar hoe de bestaande structuren ontstaan waren.

"Een tweede stroming _ die nooit tot zo'n sluitend systeem gekomen is, maar toch veel invloed heeft gehad _ is het marxisme geweest. Je zou kunnen zeggen: terwijl het structureel-functionalisme de problemen van bovenaf bekeek, bekeek het marxisme ze van onderaf: vanuit het proletariaat, de materiele onderbouw. Beide richtingen hebben hun grote aanhang verloren, maar er zijn enkele zeer vooraanstaande sociologen die nog in deze tradities werken: Jeffrey Alexander en Niklas Luhmann in de Parsoniaanse, Immanuel Wallerstein in de marxistische traditie.

"Iets dat in de sociologie sterker is dan in de natuurwetenschappen is het persoonlijke stempel dat mensen kunnen zetten op een manier van denken. Je kunt nog altijd coryfeeen aanwijzen die staan voor het begrippenapparaat dat zij hebben gecreeerd. Tot in lengte van dagen zal dat met hen geassocieerd worden. In de natuurwetenschappen bestaan ook wetten die naar hun ontdekker zijn genoemd, maar wat de ene onderzoeker ontdekt, had in principe ook door een andere ontdekt kunnen worden. Als Bourdieu of Wallerstein in hun jeugd iets was overkomen zodat ze geen socioloog waren geworden, zouden we het nu moeten doen zonder de begrippen "cultureel kapitaal' en "het moderne wereldsysteem'.

"Toch, het feit dat die begrippen aanslaan betekent dat ze ook buiten het werk van de auteurs betekenis hebben, dat ze slaan op dingen die niet direct voor iedereen zichtbaar zijn, maar die wel, als je er eenmaal opmerkzaam op bent gemaakt, herkenbaar zijn. We zijn het niet zo gewend, maar we kunnen best zeggen dat Wallerstein het wereldsysteem ontdekt heeft, en Bourdieu het cultureel kapitaal en Elias het monopoliemechanisme. Je kunt die dingen niet onder de microscoop leggen, maar je kunt er wel de werking van onderzoeken. Wat dan vervolgens nodig is, is een begrippenapparaat waarin al deze begrippen, al deze ontdekkingen worden samengebracht. Dat is een belangrijke functie van leerboeken. In ons taalgebied heb je van Wilterdink en Van Heerikhuizen, in het buitenland de inleiding van Lenski en het recente leerboek van Anthony Giddens. Die boeken gaan elk op hun manier een stuk in de goede richting, maar als je ze naast elkaar legt zie je: tot zover is het dus mogelijk tot een synthese te komen en verder niet. "Er zijn allerlei redenen waarom de sociale wetenschappen zich in een lastiger parket bevinden dan de natuurwetenschappen en veel van die factoren staan een overkoepelende theorie ook in de weg. In de natuurwetenschappen hoef je je over de veranderlijkheid van de processen die je bestudeert betrekkelijk weinig zorgen te maken. De sociale werkelijkheid blijft aldoor evolueren en een van de fundamentele problemen is: wat verandert er en wat verandert er niet. Zijn er bepaalde aspecten van de menselijke interactie, die fond altijd hetzelfde blijven, _ zoals Simmel heeft verondersteld in zijn als tijdloos bedoelde theorie van sociale interactie. De vraag is dus hoeveel van wat er in feite gebeurt, gedekt wordt door je algemene categorieen. Zo kun je constateren dat er wel overal concurrentie plaatsvindt, maar dat de manier waarop dat gebeurt steeds weer verandert. Een tijdloze theorie van concurrentie is dan niet mogelijk, of gedoemd zover verwijderd te blijven van de feitelijke concurrentie die op politiek, economisch en cultureel gebied plaatsvindt, dat je weer niet veel meer krijgt dan een attenderend model. "Ik denk overigens dat de attenderende functie van het begrip concurrentie heel groot is en nog altijd wordt onderschat. Karl Mannheim heeft in 1927 op een conferentie van de Duitse Sociologische Vereniging een voordracht gehouden over concurrentie op intellectueel gebied. Hij verkondigde dat het mogelijk is om categorieen als concurrentie en monopolievorming, toe te passen op de ideeengeschiedenis. Dat heeft daar grote opschudding gewekt. Een van de oudere gevestigde sociologen, Alfred Weber, was diep geschokt. Hij vond dat hier het historisch materialisme werd toegepast op terreinen waar het volstrekt ongepast was. Je ziet hier meteen een tweede probleem: de weerstanden die er vaak bestaan tegen het erkennen van het sociale aan allerlei menselijke fenomenen _ of dat nou religie, kunst, moraal of wetenschap is. We hebben niet zo lang geleden in Nederland iets soortgelijks meegemaakt, toen De Swaan in is klasse het sociologische klassebegrip toepaste op de kunstwereld. Daar waren vele kunstzinnigen niet van gediend.

"Dat brengt me op een derde punt, gemeenschappelijk voor alfa's en gamma's en niet geldend voor de beta's: in principe kan alles object van onderzoek zijn. Het is mogelijk een geschiedenis van de fysica te schrijven, maar bij een fysica van de geschiedenis kun je je niets voorstellen. Een psychologie of sociologie van de chemie is mogelijk, maar een chemie van de sociologie niet. Alleen de alfa's en de gamma's kunnen zichzelf tot object van hun eigen wetenschap maken _ een chemie van de chemie kan niet, maar een sociologie van de sociologie wel, een geschiedenis van de geschiedenis ook. Dat inherent reflexieve is vooral heel sterk in de gammawetenschappen. Het is een extra bemoeilijkende factor, het maakt dat je altijd weer de behoefte hebt over je eigen schouder te kijken en je af te vragen waar je mee bezig bent. Dat is niet alleen maar een handicap, het is een verplichting. In allerlei vormen van positivistische wetenschap was dat aspect vaak uitgeschakeld en dat deed afbreuk aan de resultaten.

"Je ontkomt er niet aan dat de apparatuur, het mentale apparaat waarmee we in de sociologie werken, zelf een sociaal produkt is. Het is afkomstig uit het object dat we bestuderen: de Westeuropese samenleving. De drie ideologische hoofdstromen uit de 19de eeuw _ liberalisme, conservatisme en marxisme _ zijn er in terug te vinden. Je kunt nu ook steeds vaker het verwijt horen dat de sociale wetenschap zoals die zich in Europa en de VS heeft ontwikkeld is. Hoe een niet-westerse kijk er uit zou moeten zien weet ik niet goed, maar misschien is er toch iets in opkomst, iets met een globaal of mondiaal perspectief. Als ik het werk van Rushdie of Naipaul lees merk ik dat daar gezichtspunten in zitten waar ik uit mezelf niet opgekomen zou zijn, maar die heel goed te incorporeren te zijn. Ik zie dus wel dat er een verrijking mogelijk is, maar ik denk niet dat die tot een ware omwenteling zal leiden.

"Het verwijt van "eurocentrisme' is ook vaak ingebracht tegen de civilisatietheorie van Norbert Elias. Nu is inderdaad het begrip civilisatie van oorsprong Europees. Maar dat neemt niet weg dat de theorie een wijdere geldigheid heeft. Ieder mens wordt zonder beschaving, zonder cultuur geboren en maakt in zijn leven een civilisatieproces door. Datgene wat hij of zij leert is iets dat ook weer historisch geworden en gegroeid is, en de wording van die normen, waarden en gedragsregels is ook een civilisatieproces. Dat heeft zich afgespeeld over een aantal generaties, binnen een bepaalde samenleving. Al die historische episodes, zoals bijvoorbeeld de Westeuropese geschiedenis van 1300 tot 1800 die Elias beschreven heeft, maken weer deel uit van een veel groter proces. Geen van alle zijn ze vanuit het niets begonnen en allemaal hebben ze sporen nagelaten in volgende culturen. Je hebt op die manier een model van kleinere, kortere processen die zich op individueel niveau voordoen en meer omvattende, die zich uitstrekken over een langere tijd en je kunt dat alles weer in verband te brengen met een globale ontwikkeling die op zijn beurt weer te verbinden is met de evolutie van de menselijke soort.

"Er is dus alle reden om met de civilisatietheorie door te gaan. We zullen aansluiting moeten zoeken bij het onderzoek dat op dat terrein plaatsvindt in Duitsland, Engeland en Frankrijk en zo langzamerhand ook in Amerika. Er moet nog heel veel empirisch onderzoek worden gedaan. Het is vooral nodig dat het model wordt toegepast op gebieden buiten West-Europa, op Azie, Afrika, Latijns Amerika en de VS. Het procede is gegeven: onderzoek of de manieren, de etiquette, een ontwikkeling hebben doorgemaakt die zich laat vergelijken met de ontwikkeling in West-Europa en ga na of er een verband is tussen die ontwikkeling en de wijze waarop de politieke en economische interdependenties zijn geevolueerd. Het paradigma is er en de mogelijkheden zijn er ook. Je hoeft het niet in je eentje te doen, op de manier zoals Max Weber zijn monumentale vergelijkende studies deed. Er is nu veel meer arbeidsverdeling mogelijk. Er zijn ook wel ideeen die in die richting gaan. Hier in Amsterdam is het Postdoctoraal instituut voor de Sociologie net gefuseerd met het for Asian Studies Amsterdam, en er is een sterke intentie om vergelijkend onderzoek te gaan doen naar ontwikkelingen in Europa en Azie. Er zou nu op dit gebied een fase van science kunnen aanbreken. Je kunt onderzoeken of de theorie ook voor andere gebieden en andere tijdperken sociale verschijnselen kan verklaren of verhelderen.

"Je moet je natuurlijk steeds afvragen: wat is er tegen de theorie in te brengen? Maar ook: hoeveel kan de theorie hebben, en welke alternatieven zijn er? In de biologie is er de evolutietheorie om de verscheidenheid aan levende soorten te verklaren. Welke theorieen zijn er in de sociale wetenschap om de verscheidenheid aan cultureel bepaalde gedragsvormen te verklaren? Ik denk dat we in de civilisatietheorie van Elias een model hebben dat waard is om verder uitgewerkt te worden. Maar zoals ik wel vaker gezegd heb: we moeten het woord civilisatieproces in het meervoud kunnen gebruiken, en we moeten ook spreken van civilisatietheorieen. Ik zou graag een systematische vergelijking zien met bijvoorbeeld de sociobiologie, het cultureel materialisme van Marvin Harris en eventueel zelfs het structuralisme, hoewel dat in zijn hele opzet misschien te weinig plaats laat voor ontwikkelingen. Maar bij al deze theorieen moet het sleutelwoord volgens mij zijn: _ de attenderende werking die er van uitgaat bij het bestuderen van de manieren waarop mensen met elkaar samenleven.

"Wat betreft de theorie zoals die door Elias is ontwikkeld, die blijft volgens mij verhelderend en inspirerend tot verder onderzoek. Ik denk dat veel bedenkingen die tegen de theorie naar voren worden gebracht op misverstand berusten, en vooral voortkomen uit een verkeerde beoordeling van de reikwijdte van de theorie.

"En als ik te sterk verknocht ben aan deze theorie en te veel geneigd ben om hem in bescherming te nemen tegen gegronde kritiek, moeten we maar hopen dat een jongere generatie _ want zo goed ken ik mijn Kuhn wel _ er in zal slagen een betere theorie te ontwerpen.'