Recessie uit het oosten

De Duitse eenwording kost miljarden. Miljarden die de Duitse staat vooral binnenhaalt door zich in de schuld te steken. In 1989 had de Duitse overheid een tekort van 46 miljard mark. Voor 1992 wordt een tekort voorspeld van 95 miljard, ruim een verdubbeling. Maar ook de Westduitse burgers krijgen een deel van de rekening gepresenteerd. Zo legde de staat een extra accijns van 28 pfennig per liter op de benzineprijs en ging de belasting op sigaretten omhoog.

Prachtig, die Duitse eenheid, maar niet uit onze portemonnee, redeneren de Westduitse werknemersbonden. Dat verlies aan koopkracht willen we terug, de lonen moeten omhoog. Als de bonden hun zin krijgen, stijgen de lonen van Westduitse werknemers in 1992 met tenminste tien procent. En dat terwijl de motor van de Duitse economie al hapert.

De vette jaren lijken voor Duitsland voorbij te zijn. Groeide de produktie in 1990 met bijna vijf procent en liet 1991 nog een produktietoename van 3,5 procent zien, voor 1992 wordt een karige groei van twee procent voorspeld. In vergelijking met vorig jaar is de orderportefeuille van de Duitse industrie minder goed gevuld. En uit een enquête, die in december 1991 werd gehouden onder werkgeversorganisaties uit verschillende bedrijfstakken, bleken 30 van de 39 ondervraagden somber gestemd te zijn over 1992. In die pessimistische voorspellingen zijn de kwalijke gevolgen van een mogelijke loongolf nog niet eens verwerkt.

Bij een gemiddelde prijsstijging van vier procent betekent een loonstijging van tien procent dat de reële loonkosten voor de ondernemers met zes procent toenemen. Die reële loonkostenstijging kan worden opgevangen door de produktie per werknemer, de arbeidsproduktiviteit, met zes procent op te voeren. Er gaat dan minder van de duurder geworden arbeid in een produkt: de arbeidskosten per eenheid produkt blijven gelijk. Maar een stijging van de arbeidsproduktiviteit met zes procent in één jaar... Duitse ondernemers mogen hun handen dichtknijpen als ze de produktiviteit met drie procent kunnen verhogen. Kortom, de arbeidskosten per eenheid produkt gaan omhoog.

Op die hogere produktiekosten kunnen ondernemers op twee manieren reageren. In de eerste plaats zullen ze proberen de gestegen kosten door te berekenen in hun prijzen. Maar dat lukt ze zeker niet helemaal. Gedwongen door de - vooral buitenlandse - concurrentie moeten ze een deel van de kostenstijging voor hun eigen rekening nemen: dus krimpen de winsten. Veel ondernemers zullen hun geplande investeringen daarom een tijdje uitstellen in afwachting van betere tijden.

Maar dat is nog niet alles. Voor een deel zullen de hogere loonkosten wel doortikken in de prijzen. Jarenlang was Duitsland kampioen inflatiebestrijder, maar tegenwoordig is Duitsland binnen Europa niet meer dan een goede middenmoter. Al een paar keer heeft de Bundesbank, de Duitse centrale bank, de rente verhoogd om de prijsstijging af te remmen. Extra prijsinflatie zal de Bundesbank ertoe brengen de toch al hoge Duitse rente verder op te schroeven. Dat maakt het kopen op krediet, ook voor ondernemers, nog onaantrekkelijker. Minder vraag, minder produktie: opnieuw een domper voor de Duitse economie.

De loongolf die Duitsland in 1992 dreigt te overspoelen, kan de economie in een recessie duwen. Dat is een onprettig vooruitzicht voor Duitsland. Zeker gezien het feit dat er in de komende jaren nog flinke financiële injecties nodig zijn om de armlastige nieuwe bondslanden om te toveren tot moderne economieën. De middelen daarvoor moeten worden opgebracht door het rijke deel van Duitsland. Maar niet alleen Duitsland zelf, ook de rest van Europa heeft reden zich zorgen te maken over de ontwikkeling van de Duitse economie.

De andere Europese landen, die een groot deel van hun export verkopen aan Duitsland, hebben er alle belang bij dat het dit land economisch voor de wind gaat. Als de Duitse economie stokt, zullen de Duitsers ook niet zoveel buitenlandse produkten willen kopen. Minder export, minder produktie: ook bij de leveranciers daalt de produktiegroei.

En dan is er nog de invloed van de hogere rente. Een verdere stijging van de Duitse rente zal ook aan de rest van Europa niet ongemerkt voorbij gaan. Binnen het Europees Monetair Stelsel (EMS) hebben de meeste Westeuropese landen, Nederland voorop, de waarde van hun munt onwrikbaar gekoppeld aan die van de Duitse mark. In de praktijk ontkomen zij er daardoor niet aan renteveranderingen van de Bundesbank slaafs te volgen. Een stijging van de Duitse rente leidt er zo toe dat de rente in heel West-Europa omhoog gaat.

Lubbers, Kok en De Vries, we zijn weer even terug in Nederland, wijzen de vakbeweging er steeds weer op dat zij het rustig aan moeten doen met hun looneisen. Dat is immers goed voor onze produktiegroei en onze werkgelegenheid. Maar loonmatiging in Nederland is niet genoeg. Daarvoor zijn de Europese economieën intussen te sterk verstrengeld. Als het aan de Duitse bonden ligt, komt de recessie in 1992 uit het Oosten.

“Ik zou niet gauw een Japanse commissaris aantrekken voor een Amerikaans bedrijf”, zegt een headhunter uit het midden-westen. “Ik geloof niet dat Japanse topfunctionarissen in staat zijn om net zoals Amerikanen te wijzen op de fouten van een topman. “Daar zijn ze niet op ingesteld”, voegt hij er aan toe.