Psychologie; Waartoe dient bewustzijn

NICO FRIJDA (1927) is hoogleraar psychologische functieleer aan de Universiteit van Amsterdam.

Onlangs verscheen van hem het standaardwerk "The emotions'.

Nico Frijda is al enkele decennia bezig met het onderzoeken van emoties, een thema dat hem blijft boeien, ondanks dat hij er enkele jaren geleden al zijn opus magnum over heeft gepubliceerd. Op de enigszins druilerige middag van ons gesprek tref ik hem in zijn kleine werkkamertje achter een beeldscherm met allerlei statistische gegevens over mannen en vrouwen. Voortdurend wordt hij gestoord door studenten die iets komen brengen, of voor wie hij een stage-plaats moet regelen, of door de redacteur van een tijdschrift die een artikel van hem wil.

"Ik ben veel te versnipperd bezig', zegt hij. "Er is een verzameling onderwerpen waaraan ik mij wil wijden, maar ik vraag mij af of het me ooit lukt. Zo heb ik onlangs bedankt voor een contract om een boek te schrijven. Een uitermate interessant thema, maar ik ben onzeker of ik er iets over kan zeggen dat de moeite waard is.'

Wat was dat thema?

"Die rare vraag waarom er zoveel geweld is in de wereld, zoveel agressie. Merkwaardig genoeg is die problematiek uit de interesse van de wetenschap verdwenen, en de psychologie heeft er weinig interessants over te vertellen. Althans, ik vind de literatuur erover teleurstellend.'

Kun je die vraag ook omdraaien? Waarom is de agressie slechts beperkt?

"Dat weet ik niet. Ik ben geneigd te zeggen dat ik daar veel makkelijker een antwoord op weet. Namelijk juist vanwege het feit dat iedereen agressief is, loop je altijd de kans een grotere klap terug te krijgen dan je hebt uitgedeeld. Dus die beperking is niet zo gek. Die wordt ingegeven door dat kleine sprankje verstand dat overblijft.'

Of angst?

"Dat is zowat hetzelfde. Althans, het scheelt niet veel.'

Dus wanneer iemand groot en sterk is...

"Dan is er geen enkele reden om niet onbeperkt agressief te zijn. De geschiedenis zou ook ruimschoots de stelling ondersteunen dat er niet veel tegenkrachten zijn tegen geweld, behalve dan de risico's die de kosten boven de baten kunnen doen uitstijgen.'

Maar met die vaststelling kom je niet verder.

"Exact! Mijn probleem is dat ik precies zou willen weten wat een bloeddorstige tiran eigenlijk wil. Het kan natuurlijk best dat er door een speling van de natuur een vreemde diersoort is gecreëerd met a-functionele neigingen, maar dat vind ik geen bevredigend antwoord. Vooral ook - en daarmee stuit je op een van de kernproblemen van geweld - tot op zekere hoogte is het een effectieve werkmethode! Misschien wel de meest effectieve! In die zin zou het toch wel eens kunnen zijn dat niet het geweld een psychologische verklaring behoeft, maar het niet-geweld. Mensen lopen elkaar nu eenmaal constant voor de voeten.'

Dat maakt gebruik van agressie heel rationeel.

"Dat is de grap. Dat maakt de puzzel compleet. Het feit dat agressie vaak rationeel is, zij het beperkt rationeel. En dat er tegelijkertijd sprake kan zijn van een hoeveelheid non-evidente rationaliteit. Ik bedoel: Iwan de Verschrikkelijke was gewelddadig op een wijze die voor het Russische rijk niet meer van nut was. Hetzelfde geldt voor Tiberius. Hij hád al een keizerrijk, dus of hij nou iemand van de rotsen liet gooien, dat droeg daar niets aan bij. Je staat dus voor het probleem dat je voor agressie een rationele theorie moet bedenken die niets te maken heeft met emoties, terwijl er gebeurtenissen zijn die daar absoluut niet in passen.'

Dat is ook de tekortkoming van de theorieën tot nu toe?

"Ach, de ontwikkelingspsychologie, de sociale psychologie en dergelijke hebben natuurlijk wel een en ander laten zien over de wijze waarop mensen door anderen beïnvloed kunnen worden, of in welke mate ze anderen de schuld kunnen geven. Maar wanneer je nou vraagt waarom de mensen in Joegoslavië elkaar uitroeien dan staan ze ook met de mond vol tanden. Een ander probleem is dat agressie evident tot de biologische mogelijkheden behoort, in die zin, dat er hormonale invloeden zijn. Dat is interessant. Maar wat heb ik daarmee te maken wanneer het gaat om agressie op macro-niveau? Ik bedoel: MacKinsey kan een juiste voorspelling doen over de geweldstoename in de nabije toekomst, maar de hormonen nemen niet toe. Met andere woorden: voorspellen dat het geweld gaat toenemen dank zij relatieve deprivatie, gebrek aan sociale controle en al die andere psychologische factoren, is uiteindelijk geen antwoord op de vraag waarom er überhaupt geweld is. Geen enkele theorie geeft een sluitende verklaring. Dat is mijn probleem.'

Ik neem aan dat deze gespletenheid in verklaringen van toepassing is op het hele probleemgebied van de emoties?

"Dat mag je wel zeggen ja. Een echte coherente theorie over de verhouding van emoties tot weloverwogen denken heeft de psychologie nog niet geproduceerd. Wel is uit de discussies van de laatste jaren duidelijker geworden in welke mate het probleem ingewikkelder blijkt te zijn dan we aannamen. Emoties en denken zijn niet echt te scheiden van elkaar. Dat maakt het zo moeilijk.'

Welke rol heeft uw boek daarin gespeeld?

"Het heeft enerzijds eraan bijgedragen dat emoties als complexe processen meer au sérieux worden genomen en anderzijds nieuwe vragen losgemaakt. Zo is er bijvoorbeeld een belangrijke discussie ontstaan over de vraag hoe belangrijk kennis van gebeurtenissen is bij het optreden van emoties. En in welke mate emoties ook tot stand kunnen komen door heel weinig tussenkomst van kennis. Ik heb nu het gevoel, veel meer dan enkele jaren geleden, dat dat probleem niet bevredigend is opgelost.'

Emoties kunnen puur biologisch zijn?

"Exact. En daar wijst iemand als R.B. Zayonc bijvoorbeeld op, een bekend emotie-psycholoog. Volgens hem hebben in mijn conceptie van emoties cognities een te belangrijke rol. Hij licht dat toe met onderzoeken waaruit blijkt dat emoties kunnen ontstaan door fysieke prikkelingen, zoals temperatuurverhogingen van de hersenen bijvoorbeeld. Theoretici als ik hebben het daar moeilijk mee. Volgens de Amerikaan A. Newell, een grootheid op het gebied van kunstmatige intelligentie, maak ik in mijn analyse te weinig een duidelijk en harmonisch onderscheid tussen emoties en rationeel denken. Hoe het bijvoorbeeld komt dat mensen dingen doen waarvan ze wéten dat ze niet verstandig zijn.'

Ze reageren vanuit hun reptielehersenen.

"Ja maar dat is geen antwoord. Want ze wéten dat ze vanuit hun reptielehersenen reageren en tegelijkertijd weten ze dat het niet verstandig is.

"Om daar een sluitende verklaring voor te vinden - dat is mij nog niet gelukt. Niemand trouwens.'

Zal dat ooit lukken?

"Dat weet ik niet. Het kwalitatieve onderscheid tussen verschillende soorten van denken en handelen stelt ons voor problemen over de rol van het bewustzijn die we nog niet kunnen oplossen. En daar zullen we een antwoord op moeten bedenken, op de vraag: waar dient dat bewustzijn in vredesnaam voor, gezien het feit dat je zoveel zonder kunt doen.

"Voor emoties is het bewustzijn niet zo belangrijk. Stel dat je boos bent vanwege een of andere klootzakkerige rotstreek die iemand je heeft geleverd. Die boosheid kan bestaan in de vorm van evaluaties en bereidheden tot respons zonder dat je nu zo vreselijk goed weet: a) ik vind hem een klootzak; en: b) ik wéét dat ik hem een klootzak vind. Dat hoef je namelijk niet allemaal te weten. Het eerste 't beste konijn weet dat ook en vliegt zijn mede-konijn aan zodra die op zijn boerenkool zit. Dus waar dient dat bewustzijn in zo'n geval voor? Dat is totaal onduidelijk.'

Is dat nieuw in de psychologie?

"Honderd jaar geleden draaide de psychologie zich om in het graf vanwege het feit dat er onbewuste processen werden verondersteld. Vandaag de dag vraagt men zich af: hoe kun je verantwoorden dat er bewuste processen zijn, en waar heb je die dan voor nodig?'

"Hoe kun je de relatie bewustzijn-lichaam theoretisch verantwoorden en hoe komt bewustzijn tot stand. Dat is een probleemgebied.'

Met wat voor antwoorden komen psychologen van nu?

"Eén antwoord is: bewustzijn komt tot stand dank zij een bepaalde graad van complexiteit van de informatie-representatie. Die verklaring sluit aan bij de theorie van prof.dr. Jerry Fodor van het MIT dat je het menselijk kennen alleen kunt begrijpen wanneer je een goede notie hebt van de manier waarop kennis respresentaties heeft in de hersenen. Hoe kennis is opgeslagen in het geheugen en dat dat gebeurt volgens eigenschappen die losstaan van taal. Dat laatste is evident, want of je nu Engels spreekt of Nederlands, die kennis communiceert met elkaar.

"Maar deze gedachte heeft geleid tot exploraties over hoe die kennis eruit moet zien en wat voor eisen daaraan worden gesteld. Wat we mogen veronderstellen als zijnde aangeboren eigenschappen die kennis kunnen representeren. Verder heeft deze gedachte geleid tot het inzicht dat psychologische functies betrekkelijk onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan, dat je de menselijke geest moet zien als een verzameling relatief geïsoleerde compartimenten. Welnu. Zowel het konijn als de mens reageert op complexe informatie uit de omgeving. Ik kan zelfs een machine bedenken die hetzelfde reageert als een konijn. Maar die machine heeft geen bewustzijn. De mens wel. Kennelijk heeft hij aangeboren eigenschappen die bij een bepaalde graad van complexiteit van die informatie-representatie in de hersenen bewustzijn doen ontstaan.'

Ik verkeerde in de veronderstelling dat men vrij goed wist hoe dat allemaal werkte in de hersenen.

"Niemand weet nog precies welke biochemische en elektrofysiologische processen corresponderen met de aanwezigheid van bewustzijn. We weten wel wat er gebeurt wanneer iemand slaapt. Maar zodra die wakker is...'

Zou het bewustzijn ook een zichzelf versterkende handicap kunnen zijn?

"Ik wil niet uitsluiten dat het nergens voor dient; ik wil best die epi-fenomenalistische verklaring volgen dat je er alleen maar meer last van hebt dan plezier. Maar dat maakt mij nog steeds niet duidelijk waarom het er is. En als wetenschapper kom ik met zo'n testimonium paupertatis dus niet verder.'

In uw ogen móet het ergens voor dienen?

"Daar ga ik voorlopig toch maar vanuit. Ondanks het feit dat het bewustzijn, het bewust worden, voor de psychologie nog ingewikkeldheden zijn van een grootheid die we niet kunnen conceptualiseren. Er is een nog onvoldoende uitgewerkte theorie van de Engelse onderzoeker Anthony Marcel, gebaseerd op beperkt experimenteel onderzoek, die zegt dat bewustworden een cognitieve activiteit is die bovenop het binnenkomen en effectief-zijn van informatie komt. Die cognitieve activiteit heeft positief nut en functie omdat op die manier de binnenkomende informatie kan worden onderzocht op zijn gelijkenis met andere informatie. Daardoor krijgt bewustzijn de functie van categoriseren, vergelijken, herkennen, om op grond daarvan voorspellingen te kunnen doen en verwachtingen te genereren. Ik herken jou als mens, dus mag ik verwachten dat je gaat praten.'

Maar een konijn herkent een ander konijn, zonder bewustzijn.

"Dat weet ik niet. Een konijn herkent een paar-kont. Daar kunnen we zeker van zijn. Maar of hij zorgvuldiger omspringt met zijn koolblaadjes als er een ander konijn in de buurt is - dat is nog maar de vraag.

"Terwijl ik mijn lunch in de la houd als er bezoek komt want anders wil men misschien wel meeëten. Dat houdt een voorspelling in, of een verwachting, die verder gaat dan de directe waarneming. Bewustzijn is dus omgaan met informatie op een manier die anders is dan de louter directe herkenning toelaat.'

Dat klinkt omslachtig.

"Dat is het ook. Maar het is een wetenschappelijke manier van zeggen die door Marcel plausibel is gemaakt. Hoe? Met behulp van taal-experimenten. Ik kan iemand subliminaal woorden aanbieden die die onbewust ziet. Woorden met een dubbele betekenis. Bijvoorbeeld het woord "bank'. Bij dat woord kun je diverse associaties hebben, bijv. "zitten', "geld', etcetera. Gebleken is dat deze verschillende betekenissen bij onbewuste aanbieding even sterk aanwezig zijn, maar niet wanneer ik ze bewust aanbied. Het bewustzijn maakt een keuze en geeft de voorkeur aan één betekenis. Daaruit kun je afleiden dat het bewustzijn transformerend werkt op de binnenkomende informatie.

"Een ander lexicaal decisie-experiment: ik vraag iemand een aantal woorden in te prenten en vervolgens van elk woord: a) het aantal letters te tellen; b) er een rijmwoord bij te bedenken; c) er een betekenis aan te geven.

"Het blijkt dat zo iemand meer woorden kan reproduceren met behulp van de derde taak dan met behulp van de eerste of tweede. Maar als ik vraag of een woord wél of niet op de lijst stond maakt het niet uit onder welke conditie iemand het heeft geleerd. Tellen, rijmen en betekenis zoeken hebben dus een verschillend geheugen-effect voor de vraag: wat weet je nog? maar niet voor de herkenning. Bewust en onbewust herinneren zijn dus verschillende functies. Het bewustzijn werkt inperkend op de informatie die vanuit het onbewuste werkzaam is.'

Dus het bewustzijn verdringt! Niet het onbewuste?

"Daar lijkt het wel op. En het feit dat bewustworden een kwestie is van ingrijpen in de informatie verklaart mogelijk ook waarom trauma's verdrongen kunnen worden. Bovendien weten we dankzij deze cognitieve conceptualisering meer over allerlei bewustzijns-stoornissen, zoals dissociaties, meervoudige persoonlijkheid, syndromen en dergelijke.

"Met deze theorie valt te verklaren waarom een gevoel van vervreemding ten opzichte van jezelf een bijverschijnsel is van allerlei trauma's. Hoe het kan dat je iets aangrijpends meemaakt terwijl je het tegelijkertijd beleeft alsof je erbuiten staat. Hoe er door het bewustzijn loskoppelbare keuzen worden gemaakt en hoe het slechts een graduele stap is naar het niet-meer-weten dàt het gebeurd is.'

Maken al deze nieuwe inzichten de voorspelbaarheid van gedrag groter?

"Ja en nee! Ik denk namelijk dat er vooruitgang mogelijk is in het voorspellen van gedrag door volledig gebruik van kennis. Maar... de toename van kennis maakt een analyse van alle relevante verschijnselen niet lichter, maar moeilijker. Dat is de paradox. Dat betekent ook dat je in de meeste gevallen met post-hoc voorspellingen komt aanzetten. Met wisdom after the facts. Tenminste, wanneer het gaat om voorspellingen op macro-schaal. Het gedrag van individuen blijft altijd een moeilijke zaak. Dat blijft non-lineair afhankelijk van allerlei oorzaken. Daarmee bedoel ik: door de kleinste verandering in de omgeving kan iemand plotseling totaal anders reageren. Ik zou iemands gedrag misschien theoretisch helemaal kunnen determineren en met de betrokkene in alle redelijkheid kunnen zeggen wat-ie moet doen. En plotseling kan zo iemand denken: "Ik lijk ook wel gek!' En een totaal andere kant in slaan.'

Men is dus nooit zeker van beïnvloedingsstrategieën?

"Nee. Geen enkele argumentatie is krachtig genoeg wanneer mensen denken een emotionele winst te kunnen behalen. Bovendien zijn mensen altijd intelligent en vindingrijk genoeg om die winst ook te verwezenlijken. Een van de methodes is het zich afsluiten voor informatie. Iemand die in de gaten krijgt dat-ie beïnvloed wordt kan dat dus op ieder moment ontkrachten.'

Wat betekent dat voor de therapeutische praktijk?

"Dat we moeten onderkennen dat de mogelijkheden van therapie beperkt zijn. Ik geloof dat je zonder meer kunt zeggen dat er de laatste decennia grote winst is geboekt in het genezen van sommige stoornissen, zoals vlieg-angst, smet-angst en dergelijke. Maar voor mensen die echt ziek zijn hebben therapieën, zelfs de psycho-analyse, relatief weinig te bieden. Het blijft afhankelijk van de patiënt zelf. Van de vraag in hoeverre die zich rekenschap kan en wil geven van zijn eigen situatie. De psycho-analyse beweert minder onzin dan tachtig jaar geleden. Men weet meer. Maar ik weet niet zeker of ze in staat is mensen beter van hun depressies af te helpen.'

Als u de geldstroom voor de psychologie mocht kanaliseren, wat voor soort onderzoek zou u stimuleren. Wat zou u schrappen?

"Wat ik zou schrappen? Oei! Daar durf ik mij niet over uit te laten, want je kunt altijd het verwijt krijgen dat je van dat specifieke vakgebied te weinig afweet. Hoewel? De onderwijskunde, die zou ik onmiddellijk schrappen! Daar geloof ik niet in. Ik zou denk ik vooral investeren in het onderzoek naar de biologische grondslagen van gedrag. Ik zou meer willen weten van wat er in het centrale zenuwstelsel gebeurt als iemand bijvoorbeeld agressief is.

"Dank zij de technische ontwikkelingen kúnnen we daar ook meer van te weten komen. Met behulp van de posi-transmissie-fotografie is het mogelijk kleurenplaatjes te maken van de hersenen-in-actie. We kunnen registraties maken van het centrale zenuwstelsel op magnetische in plaats van op elektrische grondslagen. Dat gebied, van de neuro-psychologie, zou nieuwe inzichten mogelijk kunnen maken. Verder zou ik mijn geld stoppen in computer-modelling. Niet dat ik er zo zeker van ben dat dat veel oplevert, maar met behulp van computer-modellen kun je ingewikkelde hypotheses opstellen en toetsen én je kunt netwerken creëren die lijken op neurale netwerken. Ik weet het niet zeker, maar ik geloof dat we daardoor toch in staat zullen zijn onze experimentele vraagstelling duidelijker te formuleren.'