Poseren voor een Hollandse wolkenhemel

Fotografe Diana Blok maakte een serie levensgrote portretten van Nederlanders voor de Wereldtentoonstelling in Sevilla, die in april begint. “Als ik een portret maak, zit ik op dat ene moment te wachten dat die persoon zijn reserves laat varen en voor de camera totaal aanwezig is. Al is het maar voor één ogenblik.”

Wat is een Nederlander? In het Nederlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Sevilla hangen straks veertien portretten, bijna levensgroot, waarin fotografe Diana Blok (39) een aantal mogelijke antwoorden op deze vraag verkent. Het zijn gestileerde, bijna theatrale beelden waarin zij liefdevol de spot drijft met tulpen, klompen, klederdracht en een miniatuur windmolen, symbolen die tot karikatuur zijn verworden.

Bij haar thuis, een voormalige paardenstal in de Amsterdamse Jordaan, spreidt Diana Blok haar Nederlanders in een waaier over de vloer uit. Er zitten mensen uit de kunstwereld bij: acteurs, dansers, de fotografe Eva Besnyö en de sieradenontwerper Hans Appenzeller samen met zijn zwarte Amerikaanse vriend. Maar ook een boer die twee eenden in zijn armen koestert en verlegen, bijna kwetsbaar, in de lens kijkt. Een gespierde Surinamer verheft een molentje als ware het een objet d'art op zijn handpalm; een mollig meisje als een verlepte engel met lang blond haar houdt een bos plastic tulpen vast. Naast een moeder in klederdracht staat haar zoon in militair uniform: een hedendaagse variant op de Amerikaanse portretten van schilder Norman Rockwell. “Alle Nederlanders die deze foto zien, zeggen: dt is het calvinisme!”

Moeten wij ieder van de veertien portretten beschouwen als een pars pro toto? Vormen zij als galerij een beeld van Nederland? Diana Blok haast zich te verklaren dat de reeks geen representatieve dwarsdoorsnede pretendeert te zijn. “Een opdracht als deze is nu eenmaal subjectief. De portrettengalerij die in het paviljoen in Sevilla komt te hangen, is geen neerslag van een volkstelling. Ik heb een willekeurige greep gedaan uit vrienden, familie, buren en onbekenden om mijn eigen beeld van Nederland te ensceneren.”

Wel heeft zij er een zekere eenheid in aangebracht door alle geportretteerden te laten poseren voor hetzelfde decor, een groot opgeblazen foto van een prachtige Hollandse wolkenhemel. “Die ordening is nodig om de emoties die de foto's oproepen, in banen te leiden. Ik streef naar een evenwicht tussen emoties en esthetiek.” Met haar manipulaties maakt Blok haar onderwerpen los uit hun dagelijks verbanden; ze zet ze als het ware apart in een eigen, tijdloze wereld, waar een lichte waas van vervreemding overheen hangt.

Om de werkelijkheid beter naar haar hand te kunnen zetten werkt zij tot nu toe bijna uitsluitend in de studio - maar dan wel met daglicht. Voor de Sevilla-portretten huurde ze de bovenste verdieping van een schoolgebouw waar het licht gul binnenstroomt. “Kunstlicht heeft niet de zachte kwaliteit van daglicht. Er zijn maar een paar topfotografen, bijvoorbeeld Richard Avedon, die met kunstlicht datzelfde effect kunnen bereiken. Ik druk ook alles zelf af - behalve voor Sevilla, want voor zo'n groot formaat heb je echt een lab nodig.”

Het gebruik van natuurlijk licht hangt samen met haar wens om zo eenvoudig, maar indringend mogelijk te werken. “Toen ik enige tijd als fotomodel werkte heb ik gezien hoe een fotograaf de slaaf kan worden van ingewikkelde en dure apparatuur. Voor je het weet zit je vast aan een studio, een assistent, een auto. Ik heb weinig kosten en veel bewegingsvrijheid: ik kan overal ter wereld werken.”

In hoeverre is Diana Blok zelf Nederlander? Zij is in Uruguay geboren en woonde tot haar 21ste in Latijns Amerika. “Mijn vader is Nederlander, diplomaat van beroep, en mijn moeder Argentijnse. Toen hij met pensioen ging wilde hij "naar huis', dus zijn we achttien jaar geleden hier komen wonen. Mijn drie zusters en ik kenden wel de klank van het Nederlands, maar we hebben allemaal cursussen moeten volgen om het te leren spreken.”

Diana omschrijft haar vader als een logisch denkende, rechtschapen man met nauwgezette ideeën over hoe het hoort: zo kon hij zich mateloos opwinden als de boterhammen niet kaarsrecht van het brood werden afgesneden. Haar moeder daarentegen is op en top de flamboyante, emotionele, nationalistische Zuidamerikaanse. Het portret dat zij van haar ouders maakte, is van een grote, gestileerde schoonheid: haar moeder heeft haar hand op die van haar echtgenoot gelegd, maar ook, in een veel verrassender gebaar van intimiteit, haar lange witte haren over zijn schouders gedrapeerd.

Deze foto is een van de portretten van bloedverwanten die op instigatie van uitgever en verzamelaar Harko Keijzer, en dank zij een werkbeurs van WVC, in boekvorm verscheen als Blood Ties & Other Bonds (Contact, 1990). Zusters, broers, moeders, vaders, dochters, zonen, geliefden en echtelieden, sommigen gekleed of met fluwelen draperieën bedekt, maar de meesten bloot. De fotografe komt er zelf ook in voor: met haar drie zusters, samen met een hoogzwangere zuster, en aan het slot als zelfportet.

Diana Bloks eerste grote project, in samenwerking met vakgenote Marlo Broekmans, had ook het naakte (zelf)portret als onderwerp. Op deze foto's, samengebracht in het boek Invisible Forces (Bert Bakker, 1983), zien we een, twee of drie vrouwelijven, soms geblinddoekt, soms door middel van draden met elkaar of met een onzichtbare buitenwereld verbonden. Het gevoel van onthechting is sterker dan in haar latere werk. “Deze serie was nogal omstreden,” vertelt zij. “Veel feministen waren verontwaardigd omdat ze die draden als een sadomasochistisch spelletje interpreteerden. Terwijl ze voor mij veel subtieler zijn: een verwijzing naar de mythe van Ariadne, een symbool van de mysterieuze kracht van vrouwen.”

Met Invisible Forces nam Bloks prille carrière plotseling een vlucht. “We mochten een aantal foto's ophangen in een etalage aan de Parijse St Germain des Prés. De fotojournalist Christian Caujolle liep toevallig langs en schreef er heel enthousiast over in Libération en Pariscope. Binnen de kortste keer hadden we een galerie in Parijs en kocht de Bibliothèque Nationale werk aan! Daarnaast hadden we een aantal afdrukken gestuurd naar Polaroid, waarvan het hoofdkwartier toen in Nederland was. Dat ging net zo hard: de directeur kocht meteen twintig afdrukken voor de Polaroid Collection en schonk ons voor een aanzienlijk bedrag camera's en film. Het was ongelooflijk.”

Inmiddels is haar werk aangekocht door diverse musea, waaronder het Stedelijk in Amsterdam, het Haags Gemeentemuseum, het Ludwig Museum in Keulen en een in San Francisco. Dit jaar is ze samen met Willem Diepraam en Erwin Olaf gastdocent aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag.

Zo zeker als ze toen wist dat ze de fotografie moest kiezen boven de kunstgeschiedenis, zo vanzelfsprekend was het dat ze portretten maakte. “Ik heb wel landschappen gefotografeerd, maar alleen als ik op reis ben: dan zijn ze onderdeel van een heel verhaal. Een landschap kan bij mij een abstracter, verhevener gevoel teweegbrengen dan een persoon, maar ik weet niet hoe ik dat in beeld moet vangen. Als ik een portret maak zit ik op dat ene moment te wachten, dat die persoon zijn reserves laat varen en voor de camera totaal aanwezig is. Al is het maar voor één ogenblik.”

Ooit wil ze een film maken, “al ben ik bang dat ik overdonderd zou worden door de complexiteit en de techniek. Van de verschillende kunstdisciplines heb ik de grootste verwantschap met het beeldhouwen. Materialen als marmer en klei staan heel dicht bij het menselijk lichaam, maar ook bij de dood. En de dood staat dicht bij de fotografie: als de foto gemaakt is, is het moment waarin die persoon zich voor de camera openstelde, onherroepelijk voorbij. Alles wat er vóór en na dat moment gebeurde, is herinnering geworden.”