Op de thee bij Joseph Goebbels

Grensgevallen. De buitenlandse filmsterren van het Derde Rijk. 1 feb t/m 23 mrt in Het Nederlands Filmmuseum, Vondelpark 3, Amsterdam. Inl 020-5891400.

Ze kwamen uit Zweden, Tsjechoslowakijke en Hongarije en toch verwarmden zij nazi-Duitsland met een verzengende gloed: ze waren het gezicht van de films waarvoor het Duitse bioscooppubliek tussen 1933 en 1945 te hoop liep, ze waren de verschijningen naast wie hoge Duitse politici en officieren graag werden gezien. Door de Duitse bezetting kregen hun namen ook buiten de Duitse grenzen een magische klank: Zarah Leander, Marika Rökk, Kristina Söderbaum - vertegenwoordigsters van de enige glamour die de filmschermen nog mochten aanbieden, in bioscopen die functioneerden onder een andere naam wanneer hun oorspronkelijke eigenaar joods was geweest.

Het Nederlands Filmmuseum presenteert een selectie uit de produktie van de filmindustrie van het Derde Rijk. In het begeleidende, opnieuw wonderschoon uitgevoerde deeltje van de NFM-themareeks vindt Peter Delpeut, auteur van de inleiding, het opmerkelijk dat er "in het netwerk van beelden van het Derde Rijk' plaats was voor "niet zuiver arische imago's'. Hij suggereert dat de filmindustrie een "onzuiver' spel speelde. Voor zover ik het begrijp, bedoelt hij hiermee dat die filmindustrie weliswaar "gelijkgeschakeld' was en speelfilms maakte op bestelling van Goebbels en zijn Ministerie van Propaganda, maar dat diezelfde filmindustrie intussen toch maar een groot publiek liet dwepen met niet-Duitse actrices.

Een geslaagde redenering voor het verkopen van een retrospectief als dit, maar het slaat nergens op. Want die filmindustrie deed dat om de nazi's te dienen, niet om af te rekenen met de "zuiver arische imago's' en ze te ontmaskeren als nonsens. Een actrice werd niet geëngageerd als Zweedse (Söderbaum en Zarah Leander), Hongaarse (Marika Rökk) of Tsjechische (Lida Baarova). Een speelster als Kristina Söderbaum werd binnengehaald om haar uiterlijk: zij kon in films worden uitgespeeld als supervoorbeeld van het "arische ras' en op die manier werd ze ook steevast neergezet: blond en krachtig en met ogen als stukjes blauw glas. Iemand als Zarah Leander was geschikt om haar uitstraling. Zij belichaamde op en top de door de nazi-ideologen bedachte vrouwelijkheid: sensueel zonder een spoor van decadentie, moedig, en bereid een man te dienen, als ook hij maar sterk is.

Maar terwijl de Tsjechische Ster schitterde op het doek mochten haar joodse landgenoten de bioscoop niet eens in. En terwijl de Hongaarse filmheldin op een door de Wochenschau breed uitgespeelde audiëntie ging bij Hitler, of thee dronk met Goebbels, kon het haar blijkbaar niet schelen dat haar landgenoten bij bosjes werden omgebracht door hetzelfde regime dat haar een koekje presenteerde. Een Zweedse actrice genoot van werk en weelde in Duitsland, de Duits geboren filmster Marlène Dietrich koos intussen voor een onzekere toekomst aan de andere kant van de Oceaan.

Het themareeksdeeltje wijdt een apart hoofdstuk aan de politieke houding van de buitenlandse actrices. Zarah Leander wordt geciteerd: "Politiek laat mij koud'. Marika Rökk ook: "Ik vond Duitsland fijn, had het lief (-) ik kon het regime niet beoordelen'. Een alinea over het idee dat een bepaalde maatschappelijke positie op een gegeven moment wellicht geen apolitieke houding meer toestaat, ontbreekt. Het hoofdstuk wordt besloten met een sinister citaat uit 1940 van Joseph Goebbels: "Vrouwen zijn volstrekt apolitiek'.

Wat blijft zijn de films die er werden gemaakt met deze sterren. Vertoning in een filmmuseum is op zijn plaats, want vanzelfsprekend zijn ze interessant. Ze geven immers een gaaf voorbeeld hoe de allure en aantrekkingskracht van film kan dienen om een volk te hersenspoelen. Is het mogelijk dat films die onder zulke rigide controle tot stand kwamen, artistiek interessant zijn? Delpeut vindt van wel. Hij signaleert "Kwaliteit en effectiviteit', vindt dat filmhistorici de films uit het Derde Rijk hebben "weggemoffeld' en stelt: "klaarblijkelijk mag een perfide regime geen mooie films voortbrengen, of intrigerende stars'.

De twee films die het Filmmuseum alvast uit dit retrospectief vertoonde, geven hem ongelijk. Aan vakmanschap geen gebrek, maar door een autonome kunstenaarshand gedreven ideeën zag ik niet. Een film als Opfergang (1944), met Kristina Söderbaum, biedt in de eerste plaats een blonde, edele wereld zonder vreemde smetten, waar naakt wordt gezwommen omdat dat levenslustig en gezond staat en waar de huwelijksmoraal het gemakkelijk wint van overspelige hartstocht - daar kunnen enkele zwierige, licht ondeugende scènes van een gemaskerd bal niets aan veranderen.