Onderzoek: amateur is trouwste kunstconsument

AMSTERDAM, 30 JAN. De kunstzinnige burger moet een legitieme plaats krijgen in jury's en commissies die over het gesubsidiëerde kunstaanbod adviseren. Dat is voor de bloei van het kunstleven van grote betekenis.

Deze boodschap gaf onderzoeker Wim Knulst tijdens een symposium over het rapport "De kunstzinnige burger' gisteren in Amsterdam aan minister d'Ancona van cultuur. Het rapport gaat over een onderzoek naar amateuristische kunstbeoefening en culturele interesses onder de bevolking vanaf zes jaar. Het onderzoek is uitgevoerd door Wim Knulst en Paul van Beek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in Rijswijk in opdracht van het ministerie van WVC.

De amateurkunstbeoefening heeft de concurrentiestrijd met moderne ontspanningsvormen zoals televisie kijken en sport goed doorstaan. Uit het onderzoek blijkt dat het aantal amateurs dat musiceert, zingt, toneel speelt, schildert, beeldhouwt, boetseert of fotografeert sinds 1975 stabiel is gebleven, terwijl het bezoek aan schouwburg, bioscoop en concertzaal sinds de jaren zestig is teruggelopen. In 1987 beoefenden 6,4 miljoen mensen een of andere vorm van amateuristische kunst. Het aantal amateurs dat actief is in verenigingsverband is zelfs gegroeid, van 5 procent in 1963 naar 6 procent in 1989.

Het onderzoek wijst uit dat er een samenhang bestaat tussen amateuristische kunstbeoefening en het bezoeken van professionele kunstvoorstellingen en -evenementen. Amateurs tonen de meeste belangstelling voor kunstaanbod dat aansluit bij hun hobbyisme. De beoefenaars van de beeldende vakken blijken het meest frequent musea en galeries te bezoeken. Degenen die zingen of musiceren zijn voornamelijk georiënteerd op uitvoeringen van klassieke muziek. Popconcerten en opera-uitvoeringen trekken hen minder. Amateurs die aan theater doen zijn meer genteresseerd in toneel-en balletuitvoeringen dan in opera of film.

De onderzoekers stellen daarom dat overheidssteun aan creativiteitscentra, muziekscholen en verenigingen voor amateurkunst even belangrijk is als de subsidiëring van toegangskaartjes voor podiumuitvoeringen. Bovendien concluderen zij dat personen die door scholing en oefening hun vaardigheden ontplooien, tegelijkertijd hun kundigheid en onderscheidingsvermogen als toeschouwer of toehoorder verder ontwikkelen.

Minister d'Ancona onderschreef het belang van de wisselwerking tussen de amateuristische kunstbeoefening en het professionele kunstaanbod: “Wij voelen onmiddellijk aan dat er iets fundamenteels mis is wanneer de verschillende delen van een cultuur niet langer in wisselwerking met elkaar verkeren; wanneer er bijvoorbeeld geen relatie bestaat tussen de cultuur van het volk en die van de elite.” In het licht van dit onderzoek pleitte zij voor een hernieuwde opening van het debat over cultuurbeleid en cultuurparticipatie, maar voelde er niets voor “het debat inhoudelijk te sturen”.